Uitspraak · Omgevingsrecht
Rechtbank Noord-Holland, 8 oktober 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:14245Zaaknummer HAA 25/3305
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- HAA 25/3305
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Omgevingsrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de door eiseres aangevoerde beroepsgronden niet in de weg staan aan de verlening van de omgevingsvergunning: het college heeft de uitwegvergunning op toereikende gronden verleend. De bezwaren van eiseres tegen de situering van de railinzetplaats kunnen dat niet anders maken. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Omdat hiermee uitspraak wordt gedaan op het beroep, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.G. Dankerlui, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Bijlage: enige in deze uitspraak (verkort) aangehaalde wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.2, eerste lid
1. Voor zover ingevolge een bepaling in een (…) gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om: (…)
e. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen,
(…)
geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.
Artikel 2.18
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.
Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 2e tranche
Artikel 7.4
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders:
- een uitweg te maken naar de weg;
- van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;
- verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg; of
- het gebruik van een uitweg te veranderen.
2. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:
- de bruikbaarheid van de weg;
- het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
- de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; of
- e bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
3. (…)
4. Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen voor het maken en veranderen van een uitweg.
Nadere regels uitwegen Medemblik 2021
Artikel 1, aanhef en derde lid
Een uitweg mag worden aangelegd als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
(…)
3. Per perceel mag uitsluitend één uitweg worden aangelegd. Dit geldt ook als een perceel door meerdere wegen wordt omsloten, of als het gaat om aaneengesloten gronden die bestaan uit meerdere (kadastrale) percelen.
De aanleg van een tweede uitweg is alleen mogelijk op basis van medische en logistieke gronden, mits dit niet ten koste gaat van de verkeersveiligheid, het opheffen van een parkeerplaats of ten koste gaat van een groenstrook die onderdeel uitmaakt van een groenstructuur.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 25/3305 (beroep) en 25/3304 (vovo)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 8 oktober 2026 in de zaken tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats 1] , eiseres
vertegenwoordigd door haar indirect bestuurder [naam 6]
en
het college van burgemeester en wethouders van gemeente Medemblik
gemachtigden: M. Laan-Steltenpool en S. Cavusoglu, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente.
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: de stichting [vergunninghoudster] uit [plaats 2] (vergunninghoudster)
gemachtigde: mr. H.C. Lagrouw, advocaat te Leiden.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende, in bezwaar gehandhaafde, omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg vanaf de door haar aan te leggen railinzetplaats naar de weg het [adres] in [plaats 3]. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Daarnaast heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de door eiseres aangevoerde beroepsgronden niet in de weg staan aan de verlening van de omgevingsvergunning: het college heeft de uitwegvergunning op toereikende gronden verleend. De bezwaren van eiseres tegen de situering van de railinzetplaats kunnen dat niet anders maken. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Omdat hiermee uitspraak wordt gedaan op het beroep, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 5 januari 2024 heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het maken van een uitweg als bedoeld in artikel 7.4 van de Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 2e Tranche (hierna: de Verordening). Als adres is daarbij vermeld: “ [locatie 1] ”, maar de uitweg geeft vergunninghoudster een in- en uitrit naar [locatie 2] vanaf de railinzetplaats die zij aan de spoorweg tussen [locatie 3] en [locatie 2] wil realiseren.
Met het bestreden besluit van 25 juni 2025 op het bezwaar van – onder meer – eiseres is het college bij de verleende omgevingsvergunning gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Partijen hebben meermaals verzocht de behandeling het verzoek en het beroep uit te stellen, omdat er tussen hen nog overleg gaande was. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd. Eiseres heeft haar beroep nog aangevuld.
De rechtbank en voorzieningenrechter hebben het beroep en het verzoek op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de vertegenwoordiger van eiseres, vergezeld door [naam 1] (werknemer) en [naam 2]. Verder zijn verschenen de gemachtigden van het college en de gemachtigde van vergunninghoudster, vergezeld door [naam 3] gevolmachtigde van de stichting[_dcbdf85a-51cc-48dc-be71-532341377240]. Het beroep is gelijktijdig behandeld met het beroep van [naam 4] tegen hetzelfde bestreden besluit (zaaknummer HAA 25/3504).
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 17 november 2023 heeft vergunninghoudster de aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Zij verzoekt vergunning voor een uitweg naar het [locatie 2] in [plaats 1] ten behoeve van de ontsluiting van haar nieuw aan te leggen railinzetplaats voor de [naam object].
Bij besluit van 5 januari 2024 heeft het college, gelet op artikel 2.2 en 2.18 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), gelezen in samenhang met artikel 7.4 van de Verordening, de omgevingsvergunning met voorschriften verleend voor de activiteit ‘uitweg maken’.
Eiseres heeft tegen de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 25 juni 2025 heeft het college het besluit van 5 januari 2024 in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering. Het advies van de bezwarencommissie heeft het college in het bestreden besluit overgenomen. Dit advies luidt – voor zover van belang – als volgt:
De commissie constateert dat het besluit van 5 januari 2024 geen uitgebreide motivering bevat. De commissie adviseert om de aanvullende motivering uit het verweerschrift toe te voegen in de beslissing op bezwaar.
De commissie merkt op dat het hier gaat om een zeer uitzonderlijke situatie. Het gaat namelijk over een perceel waarop de spoorlijn ligt met een lengte van ongeveer 1000 meter. De commissie kan zich voorstellen dat hier geen rekening mee is gehouden in de op artikel 7.4, vierde lid, van de Verordening gebaseerde Nadere regels uitwegen Medemblik 2021 (hierna: Nadere regels).
Het college is het met de commissie eens dat de motivering van het besluit van 5 januari 2024 aanvulling behoefde. De aanvulling van de motivering luidt als volgt:
Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een uitweg wordt getoetst aan vier weigeringsgronden die genoemd zijn in artikel 7.4 van de Verordening. Het college meent dat 1) de bruikbaarheid van de weg bij realisering van de uitweg voldoende is gewaarborgd, 2) de uitweg veilig in- en uitgereden kan worden, 3) de omgeving/locatie zoveel mogelijk in takt wordt gelaten, en 4) op kosten van vergunninghoudster de recent aangeplante boom een stuk wordt verplaatst, waardoor in samenhang met de uitvoering van de uitweg in grasbetonblokken de aanleg van de uitweg ten goede komt aan het beschermen van de groenvoorzieningen ter plaatse. Daarnaast is in de Nadere regels weliswaar geregeld dat een tweede uitweg alleen kan worden aangelegd op basis van logistieke of medische gronden. Logistieke gronden zijn echter aanwezig. Verder staat het college een brede uitweg toe, omdat door deze uitvoering tegemoet gekomen kan worden aan alle mogelijke weigeringsgronden.
Overgangsrecht Invoeringswet Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, Iw Ow het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
Vergunninghoudster heeft de omgevingsvergunning op 17 november 2023 aangevraagd. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024, waaronder de Wabo, de Verordening en de Nadere regels, zoals die toen luidden, van toepassing blijft.
Enige in deze uitspraak (verkort) aangehaalde wettelijke regels staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Omvang van het geding
5. De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure alleen de rechtmatigheid van de verlening van de omgevingsvergunning voor de uitweg kan worden beoordeeld. Over de plaats waar de railinzetplaats mag of moet komen, kan de rechtbank in deze zaak geen oordeel vellen omdat het bestreden besluit niet gaat over enige toestemming om de railinzetplaats daar te realiseren. Een dergelijke beslissing maakt immers geen onderdeel uit van de bestreden besluitvorming. Overigens is ter zitting gebleken dat de railinzetplaats past in de ter plaatse geldende regels uit het omgevingsplan (c.q. het daarvan deel uitmakende bestemmingsplan Bedrijventerreinen) en bovendien een vergunning voor aanleg van de railinzetplaats op die plek niet is vereist.
Het gaat in deze zaak om vergunning voor het hebben van en dus aanleggen van een uitweg. Het college heeft terecht getoetst aan artikel 2.2 in verband met 2.18 van de Wabo. Uit artikel 2.18 van de Wabo volgt dat voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 van de Wabo de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.
Eiseres verwijst in het beroepschrift naar “artikel 2.12 van het Besluit omgevingsrecht” (hierna: Bor). Het Bor kent geen artikel 2.12, zodat de rechtbank de daarop gebaseerde beroepsgrond niet verder kan bespreken[_33b5abe3-daef-4889-a25b-0d542cedcde0].
De beroepsgronden van eiseres
6. Eiseres betoogt dat ten onrechte een deugdelijke motivering pas in de bezwaarfase is toegevoegd. In de oorspronkelijke omgevingsvergunning stond alleen dat er geen weigeringsgronden waren. Ten tweede beoogt zij dat het college zijn oordeel over de verkeersveiligheid onvoldoende heeft onderbouwd. Zo is volgens eiseres ten onrechte geen objectieve analyse gemaakt van de draaicirkels die de diepladers op de weg [locatie 2] moeten maken om de uitweg in- en uit te rijden, is niet gekeken welk effect de uitweg heeft op de zichtlijnen voor het andere verkeer, is geen rekening gehouden met wachtrijvorming door het in- of uitrijden van diepladers en zijn de effecten van het in- en uitrijdende verkeer op langsfietsende jeugdige fietsers over de – feitelijke – schoolfietsroute langs [locatie 2] niet onderzocht. Ten derde stelt eiseres dat de aanvraag in strijd is met de Nadere regels, omdat de aantoonbare dwingende noodzaak voor een tweede (of derde) uitweg ontbreekt. Eiseres heeft al een uitweg bij het station Wognum / Nibbixwoud dat enkele kilometers verderop is gelegen. Een tweede uitrit mag volgens de Nadere regels niet aan dezelfde persoon worden vergund. De geldende regelgeving wordt, aldus eiseres, terzijde geschoven. Ten vierde stelt eiseres dat het college ten onrechte de mogelijke alternatieve plaatsen voor een railinzetplaats heeft genegeerd, waaronder de mogelijkheid voor een inzetplaats nabij station Wognum - Nibbixwoud waarvoor de ter zitting aanwezige heer [naam 2] genegen is gebruik van gronden ter beschikking te stellen. Tot slot stelt eiseres dat het project van vergunninghoudster om op deze plaats een railinzetplaats te realiseren vooruitloopt en strijdig is met een nog op te stellen integrale mobiliteitsvisie, terwijl de gemeenteraad juist integrale besluitvorming over een beter mobiliteitsplan heeft gelast. De plaats, c.q. de grond, waar eiseres de railinzetplaats wil realiseren, is volgens eiseres essentieel om betere bereikbaarheid van de bedrijfsterreinen in de omgeving daarvan mogelijk te maken. In de aanvulling op haar beroep van 4 juli 2026, voegt eiseres daar nog aan toe dat het college de feitelijke aard en het beoogde gebruik van de uitweg bij de toetsing had moeten betrekken. Het gaat hier volgens eiseres niet om een gewone uitrit. De feitelijke situatie wijkt volgens eiseres bovendien af van de tekening bij de vergunning. Het college heeft volgens eiseres ten onrechte niet de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte 2020 en de CROW-richtlijnen in acht genomen. De aannames in het bestreden besluit, waaronder het standpunt dat het voertuig rechtstreeks in- en uit kan rijden, er goed zicht is en de railinzetplaats beperkt gebruikt zal worden, zijn niet onderbouwd met of gebaseerd op een analyse, onderzoek of verkeerskundige beoordeling ter plaatse. Het gestelde beperkte gebruik is niet juridisch geborgd in de omgevingsvergunning. Eiseres voert voorts aan dat het college zonder eerst een zorgvuldig participatie- en overlegtraject met eiseres en andere betrokken ondernemers te volgen ten onrechte de omgevingsvergunning heeft verleend. Het college is daarnaast al jaren bekend met de verkeerskundige gevoeligheid van de locatie. Gelet op de gevoeligheid van de situatie had het college, mede gelet op de door de gemeenteraad aangenomen motie over de noodzaak opnieuw naar de mobiliteit rond de bedrijfsterreinen te kijken, zichtbaar moeten beoordelen of de vergunde inrit en railinzetplaats toekomstige ontsluitingsmogelijkheden niet feitelijk bemoeilijkt of blokkeert, aldus steeds eiseres.
Beoordeling van de beroepsgronden
Uit artikel 7.4, tweede lid, onder a en b, van de Verordening, die gelet op de beroepsgronden alleen in beeld kunnen komen, volgt dat de omgevingsvergunning alleen kan worden geweigerd in het belang van de bruikbaarheid van de weg of het veilig en doelmatig gebruik van de weg. De gronden van eiseres die daarop niet zien, kunnen dus niet leiden tot het oordeel dat de omgevingsvergunning ten onrechte is verleend. Het gaat daarbij om alle gronden van eiseres die gebaseerd zijn op haar stelling dat de railinzetplaats elders moet worden gesitueerd.
De grond dat het college voor het eerst in het bestreden besluit nader is ingegaan op argumenten van eiseres en in zoverre de motivering voor het verlenen van de omgevingsvergunning nader heeft toegelicht, is ook geen grond om het bestreden besluit onjuist te achten. Dat de primaire inwilligende beslissing betrekkelijk summier was gemotiveerd, kan het bestreden besluit niet strijdig doen zijn met het recht. Die beroepsgrond moet dus wel falen.
Het al dan niet verlenen van inspraak aan eiseres (en anderen) bij de besluitvorming in de primaire fase is ook geen weigeringsgrond, zodat eiseres met daarop gebaseerde gronden ook niet kan bereiken dat de omgevingsvergunning alsnog moet worden geweigerd. Bovendien is eiseres veel meer dan gebruikelijk de mogelijkheid gegeven zich in het kader van de (verlengde) besluitvorming in bezwaar over de wenselijkheid van de vergunningverlening uit te laten, zodat meer dan gebruikelijk is geïnvesteerd in inspraak. Dat eiseres niet heeft gekregen wat zijn in het kader van inspraak als wens naar voren heeft gebracht, betekent nog niet dat het bestreden besluit in strijd is met het recht.
Over het standpunt van eiseres dat - in het licht van artikel 7.4, tweede lid, onder a en b, van de Verordening, de vergunde uitweg verkeersonveilig is wegens al het andere verkeer ter plaatse en de omvang van het transport aldaar, overweegt de rechtbank als volgt.
Het college voert aan dat de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van de weg niet aan de verlening van de uitwegvergunning in de weg staan. De rechtbank kan dit standpunt van het college volgen. Daarbij acht de rechtbank met name het volgende van belang. In de bocht in de weg het [locatie 2], de planlocatie, komt meer verkeer naar de bedrijven. Andere verkeersdeelnemers, waaronder eiseres zelf en haar klanten, parkeren de voertuigen ook in de nabije omgeving van de voorgenomen uitweg. Deze verkeerssituatie bestond al voor de verlening van de omgevingsvergunning. Voor zover eiseres aanvoert dat de huidige verkeerssituatie al onveilig is of de weg minder goed bruikbaar is, is dat dus geen gevolg van de vergunde uitweg. Het college heeft voorts overtuigend toegelicht – in de stukken en nog nader ter zitting – dat de uitweg en de railinzetplaats op het terrein zo wordt vormgegeven, dat de vrachtwagen/dieplader, die spoorwegmateriaal komt aanvoeren of weghalen niet op straat hoeft te manoeuvreren bij het op- of afrijden van het terrein van vergunninghoudster. Het college heeft daarbij af mogen gaan op bij haar in huis aanwezige expertise over verkeersmaatregelen. De (voormalige) verkeersdeskundige, [naam 7], van de gemeente heeft daarin geen veiligheids- of bruikbaarheidsproblemen gezien. Op zitting heeft het college nog nader toegelicht dat er bij het in- en uitrijden over en weer voldoende zicht is. De rechtbank vindt de onderbouwing van het college daarvoor voldoende. De rechtbank ziet geen reden om dat standpunt niet te volgen. Niet valt in te zien dat het college, anders dan eiseres aanvoert, nog meer (externe) deskundige advisering had moeten inschakelen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiseres geen (tegen)bewijs, in de vorm van bijvoorbeeld deskundige adviseren, heeft overgelegd, die de rechtbank zouden moeten doen twijfelen aan de beoordeling door het college. De verwijzing van eiseres naar leidraden en richtlijnen maakt dat oordeel niet anders. De stellingen van eiseres dat de huidige – mede door haar zelf veroorzaakte - verkeerssituatie op het industrieterrein onwenselijk zou zijn op dat scholieren, voor wie – zo is niet in geschil – een veiligere route buiten het industrieterrein om bestaat, maar toch het reeds thans gevaarlijke industrieterrein trotseren, brengt nog niet mee dat het in- en uitrijden van de uitweg de situatie verkeersonveilig maakt. Het betoog faalt in zoverre.
Over het standpunt van eiseres dat de aanvraag in strijd is met de Nadere regels, overweegt de rechtbank als volgt.
Het college heeft op grond van artikel 7.4, vierde lid, van de Verordening nadere regels gesteld voor het maken en veranderen van een uitweg. Die Nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften. In artikel 1, derde lid, van de Nadere regels heeft het college bepaald dat per perceel uitsluitend één uitweg mag worden aangelegd. Dit geldt volgens dat artikel ook als een perceel door meerdere wegen wordt omsloten, of als het gaat om aaneengesloten gronden die bestaan uit meerdere (kadastrale) percelen. De aanleg van een tweede uitweg is volgens de bepaling alleen mogelijk op basis van medische en logistieke gronden, mits dit niet ten koste gaat van de verkeersveiligheid, het opheffen van een parkeerplaats of ten koste gaat van een groenstrook die onderdeel uitmaakt van een groenstructuur.
Zoals ter zitting vastgesteld, gaat het in dit geval om één perceel dat reikt van Medemblik tot Hoorn, waaraan – onder meer – verschillende treinstations zijn gesitueerd, ook een van Nibbixwoud. Niet in geschil is, dat vergunninghoudster elders aan dat zeer langgerekte perceel reeds over (vergunde) uitwegen beschikt. De voorgenomen railinzetplaats is ook verbonden met dat zeer langgerekte perceel. Op het eerste gezicht lijkt het er dus op dat aan vergunninghoudster met onderhavige vergunning bovenop één of meer reeds bestaande uitwegen een nieuwe uitweg wordt vergund, hetgeen in strijd zou zijn met de Nadere regels.
Een redelijke uitleg van voornoemde bepaling brengt echter met zich mee dat in onderhavige – uitzonderlijke – situatie niet sprake is van het verlenen van een tweede (of derde) vergunning voor een uitweg. Niet is immers in geschil dat bij de railinzetplaats sprake zal zijn van één uitweg, alleen die naar [locatie 2]. De andere uitwegen, waarover vergunninghoudster beschikt[_121fc502-82e3-475b-9f8f-0018c9c2cff4], liggen op aanzienlijke afstanden, en maken het niet mogelijk om de railinzetplaats in- of uit te rijden. De andere uitwegen vormen feitelijk uitwegen vanaf andere percelen, zoals het op ruime afstand gelegen station Nibbixwoud. De grond dat ten onrechte een tweede (of derde) uitweg zou zijn vergund, gaat dus niet op.
De verder niet nader gemotiveerde stelling, dat het college in strijd zou hebben gehandeld met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, kan de rechtbank onbesproken laten.
Conclusie en gevolgen in het beroep
7. Het college mocht de omgevingsvergunning voor de uitweg dus verlenen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiseres krijgt geen gelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding voor proceskosten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
8. Nu de rechtbank heeft beslist op het beroep van eiseres, is er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek daartoe af. Ook in de procedure over de voorlopige voorziening is er geen grond voor een kostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.G. Dankerlui, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Bijlage: enige in deze uitspraak (verkort) aangehaalde wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.2, eerste lid
1. Voor zover ingevolge een bepaling in een (…) gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om: (…)
e. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen,
(…)
geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.
Artikel 2.18
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.
Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 2e tranche
Artikel 7.4
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders:
- een uitweg te maken naar de weg;
- van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;
- verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg; of
- het gebruik van een uitweg te veranderen.
2. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:
- de bruikbaarheid van de weg;
- het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
- de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; of
- e bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
3. (…)
4. Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen voor het maken en veranderen van een uitweg.
Nadere regels uitwegen Medemblik 2021
Artikel 1, aanhef en derde lid
Een uitweg mag worden aangelegd als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
(…)
3. Per perceel mag uitsluitend één uitweg worden aangelegd. Dit geldt ook als een perceel door meerdere wegen wordt omsloten, of als het gaat om aaneengesloten gronden die bestaan uit meerdere (kadastrale) percelen.
De aanleg van een tweede uitweg is alleen mogelijk op basis van medische en logistieke gronden, mits dit niet ten koste gaat van de verkeersveiligheid, het opheffen van een parkeerplaats of ten koste gaat van een groenstrook die onderdeel uitmaakt van een groenstructuur.
Voetnoten
- De bestuurder van vergunninghoudster, [naam 5], was ook aanwezig, maar heeft niet (actief) deelgenomen aan de behandeling.
- Zoals ter zitting ook besproken, heeft eiseres het beroepschrift niet geheel zelf opgesteld, maar dat een computerprogramma laten doen. Dat is kennelijk de oorzaak van het opnemen van teksten die niet ter zake doende zijn of voor deze casus onzinnig.
- Overigens heeft eiseres de stelling van vergunninghoudster dat er niet sprake is van een gezamenlijk eigendom van alle aangesloten percelen, die de spoorweg en de daaraan liggende stations en andere percelen vormen, niet weerlegd.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 2.2 AB
- Artikel 2.18 AB
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.