Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Noord-Holland, 8 oktober 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:14244Zaaknummer HAA 25/3504
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- HAA 25/3504
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de vraag of eiser beroep kan instellen tegen een besluit op bezwaar van 25 juni 2025 waarbij een aan vergunninghoudster op 5 januari 2024 verleende omgevingsvergunning voor het aanleggen en hebben van een uitweg naar adres in plaats in stand is gelaten. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is, omdat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 5 januari 2024.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep van eiser niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G. Dankerlui, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3504
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats 1], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van gemeente Medemblik
gemachtigden: S. Cavusoglu en M. Laan, beiden ambtenaar ten stadhuize.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de stichting [derde-partij] uit [plaats 2] (vergunninghoudster)
gemachtigde: mr. H.C. Lagrouw, advocaat te Leiden.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of eiser beroep kan instellen tegen een besluit op bezwaar van 25 juni 2025 waarbij een aan vergunninghoudster op 5 januari 2024 verleende omgevingsvergunning voor het aanleggen en hebben van een uitweg naar [adres]) in [plaats 1] in stand is gelaten. Eiser is het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is, omdat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 5 januari 2024. De rechtbank kan daarom niet ingaan op het standpunt van eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop en feiten
2. Op 17 november 2023 heeft vergunninghoudster een aanvraag om een omgevingsvergunning gedaan voor het aanleggen en hebben van een uitweg naar het [locatie] in [plaats 3] ten behoeve van de ontsluiting van een nieuw te bouwen railinzetplaats voor de door haar geëxploiteerde [naam object].
Bij besluit van 5 januari 2024 heeft het college, gelet op artikel 2.2 en 2.18 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gelezen in samenhang met artikel 7.4 van de Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 2e tranche, de omgevingsvergunning met voorschriften verleend voor de activiteit ‘uitweg maken of veranderen’.
[vereniging] (hierna: de ondernemersvereniging) en [bedrijf] B.V. hebben bezwaar gemaakt tegen het verlenen van de omgevingsvergunning.
Met het bestreden besluit van 25 juni 2025 op hun bezwaren is het college bij de verlening van de omgevingsvergunning gebleven.
Eiser heeft beroep[_5163c263-b440-4788-932a-c2362c310375] ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van het college, vergunninghoudster en de gemachtigde van vergunninghoudster.
Beoordeling door de rechtbank
3. Het voor de beoordeling relevante wetsartikel is artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarin staat dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.
Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 januari 2024 waarbij de omgevingsvergunning is verleend. Eiser kan daarom geen beroep instellen.
Dat de ondernemersvereniging (en het aannemingsbedrijf) wel bezwaar heeft gemaakt, kan dit oordeel niet anders maken. Eiser is weliswaar voorzitter van de ondernemersvereniging en heeft in die hoedanigheid de vereniging in bezwaar vertegenwoordigd, maar daarmee had hij niet op eigen naam bezwaar gemaakt. Hij heeft het beroep niet ingesteld namens de ondernemersvereniging, zodat hij ook niet in die hoedanigheid, als voorzitter en dus namens de vereniging, kan deelnemen aan het geding.
Op het uitgangspunt van artikel 6:13 van de Awb bestaat een uitzondering. Hiervan is sprake wanneer eiser redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd, die tot het maken van een uitzondering aanleiding kunnen geven. De rechtbank ziet ook overigens geen feiten of omstandigheden om deze uitzondering van toepassing te achten.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus het beroep van eiser niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep van eiser niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G. Dankerlui, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Het aannemingsbedrijf heeft ook beroep ingesteld dat gelijktijdig ter zitting is behandeld. Op dat beroep, met zaaknummer 25/3305, word ook heden beslist.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 2.2 AB
- Artikel 2.18 AB
- Artikel 6:13 Awb meer uitspraken over dit artikel
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.