Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Noord-Holland, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:14243Zaaknummer HAA 25/3156
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- HAA 25/3156
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de aan eiser opgelegde last onder dwangsom in verband met prostitutie in zijn woning. Eiser is het oneens met de opgelegde last. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat de last onder dwangsom in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3156
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit Heemskerk, eiser
(gemachtigde: mr. J.F.R. Eisenberger),
en
de burgemeester van de gemeente Heemskerk
(gemachtigden: mr. L.M. Offerman en mr. J. Aznag).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser opgelegde last onder dwangsom in verband met prostitutie in de woning aan het [adres] in Heemskerk. Eiser is het oneens met de opgelegde last. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat de last onder dwangsom in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en procesverloop
Eiser is de huurder van de woning aan het [adres] in Heemskerk. Toezichthouders hebben op zaterdag 16 november 2024 een controle uitgevoerd in de woning, in het kader van vermoedens van niet-gereguleerde prostitutie en een advertentie op de website Kinky.nl. In de advertentie werd geadverteerd met het aanbieden van sekswerkzaamheden tegen betaling. Een toezichthouder heeft contact opgenomen om een afspraak te maken. Via een appgesprek werd verteld waar de toezichthouder naartoe moest. De toezichthouder is de woning ingegaan en heeft daar twee sekswerkers en een klant aangetroffen. Tijdens de controle kwamen meerdere klanten langs.
De burgemeester heeft naar aanleiding van het voorgaande op 13 december 2024 het voornemen kenbaar gemaakt om eiser een last onder dwangsom op te leggen, vanwege de overtreding van artikel 3:3 van de Algemene plaatselijke verordening Heemskerk 2023-II (APV). De overtreding houdt in dat zonder vergunning een seksbedrijf wordt uitgeoefend in de woning. Eiser heeft geen zienswijze ingediend op het voornemen.
Bij het primaire besluit van 20 februari 2025 heeft de burgemeester de last onder dwangsom opgelegd. Eiser is het volgende gelast:
“U moet de overtreding van artikel 3:3 van de Algemene plaatselijke verordening (Apv) Heemskerk 2023-II beëindigen en beëindigd houden. Dit kunt u doen door het gelegenheid geven tot prostitutie of tot het tegen vergoeding verrichten van seksuele handelingen voor een ander in de woning aan het [adres] te Heemskerk te staken en gestaakt te houden. Dit moet u per direct doen. Voldoet u niet, niet volledig of niet tijdig aan deze last onder dwangsom, dan verbeurt u een dwangsom van € 5.000 per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 50.000. Geen dwangsom wordt verbeurd boven het bedrag van € 50.000.”
Met het bestreden besluit van 23 juni 2025 op het bezwaar van eiser heeft de burgemeester de last onder dwangsom in stand gelaten. De burgemeester heeft daartoe overwogen dat bij een overtreding een beginselplicht tot handhaving geldt. Dat geldt niet alleen bij voortdurende overtredingen, maar ook bij incidentele overtredingen als een gevaar voor herhaling speelt. Van gevaar voor herhaling is sprake als de omstandigheden ten tijde van het opleggen van de last gelijk zijn aan de omstandigheden ten tijde van de eerdere overtreding. Daaraan is in dit geval voldaan. Er is niet onredelijk veel tijd verstreken sinds de overtreding en de houding en het gedrag van eiser zijn niet dusdanig dat gezegd kan worden dat er géén vrees voor herhaling is. De opgelegde last is in de gegeven omstandigheden ook niet onevenredig. Er kon niet worden volstaan met een minder ingrijpende maatregel. Het gaat hier om een ernstige overtreding waarbij meerdere klanten naar de woning toe kwamen. Ten minste het opleggen van een last onder dwangsom is in dit geval een voldoende prikkel om een volgende overtreding te voorkomen. Ook is niet gebleken dat eiser geen verwijt kan worden gemaakt. Eiser heeft niet geloofwaardig gesteld dat hij niets afwist van wat er in zijn woning gebeurde. Bovendien geldt weliswaar dat eiser onder bewind is gesteld, maar hij is niet handelingsonbekwaam en dus kan hij geacht worden om zijn niet-financiële beslissingen zelfstandig te nemen. Dat het opleggen van de last tot gevolg heeft dat de verhuurder stappen kan ondernemen die nadelig zijn voor eiser, maakt de last ook niet onevenwichtig. Dit gevolg komt immers voor rekening en risico van eiser. De dwangsom staat ten slotte in redelijke verhouding tot de overtreding en het financiële voordeel dat daarmee behaald kan worden.
Eiser heeft beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het besluit op het bezwaar en de beroepsgronden op 20 augustus 2025 aangevuld. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de burgemeester.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank constateert dat in beroep niet in geschil is dat een overtreding van artikel 3:3 van de APV heeft plaatsgevonden, en dat eiser overtreder is. Eiser betwist echter dat de burgemeester de last onder dwangsom in dit geval mocht opleggen, ten eerste omdat volgens eiser niet is gebleken van gevaar voor herhaling van de overtreding, en ten tweede omdat volgens eiser onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank oordeelt als volgt over de beroepsgronden.
Was de burgemeester bevoegd om een herstelsanctie ter voorkoming van herhaling op te leggen?
Eiser voert aan dat de overtreding al lang en breed (vrijwillig) was beëindigd. Volgens hem kon daarom geen last meer worden opgelegd. Een last opleggen na het beëindigen van een overtreding is weliswaar mogelijk, maar alleen indien er gevaar voor herhaling is. Uit de rechtspraak vloeit voort dat daarvoor gekeken moet worden naar drie criteria, 1) de aard van de overtreding, 2) de mate van overeenkomst met een eerdere overtreding en 3) het tijdsverloop sinds de eerdere overtreding. In dit geval is niet voldaan aan de laatste twee criteria, want er heeft nooit een eerdere overtreding plaatsgevonden. Daarom is niet te volgen waar de vrees voor herhaling op is gebaseerd. Eiser is weliswaar naïef geweest door de sekswerkers toegang te geven tot zijn woning, maar hij was tijdens de constatering meewerkend en heeft aan de toezichthouder verklaard dat hij de sekswerkers uit zijn woning zou sturen. Het had dus in de rede gelegen om een waarschuwing op te leggen. Door toch een zwaardere maatregel op te leggen maakt de burgemeester zich schuldig aan overtreding van het verbod op willekeur.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Uit vaste rechtspraak volgt dat een herstelsanctie ter voorkoming van herhaling van een eerdere overtreding kan worden opgelegd indien een overtreding heeft plaatsgevonden en gevaar voor herhaling voor de hand ligt. Om de mate van het continuïteitsrisico te kunnen bepalen, dient gekeken te worden naar de aard van de overtreding, de mate van overeenkomst met de situatie tijdens de eerdere overtreding en het tijdsverloop sinds die eerdere overtreding. Om tot de conclusie te kunnen komen dat de last strekt ter voorkoming van herhaling, is vereist dat de omstandigheden ten tijde van het opleggen van de last op één lijn kunnen worden gesteld met de omstandigheden ten tijde van de eerdere overtreding. In algemene zin is het niet mogelijk om te bepalen gedurende welke termijn na het plaatsvinden van een niet-voortdurende overtreding nog een herstelsanctie ter voorkoming van herhaling kan worden opgelegd. Deze termijn zal dan ook per overtreding moeten worden vastgesteld.[_9020ac76-b498-4be8-b959-919f9710b68b]
Eiser wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de burgemeester niet handhavend mocht optreden omdat de overtreding was beëindigd en omdat onvoldoende blijkt waarop de vrees voor herhaling is gebaseerd. Om een last op te mogen leggen ter voorkoming van herhaling, volstaat in beginsel het bestaan van een eerdere overtreding, mits herhaling daarvan voor de hand ligt. Anders dan waar eiser van uitgaat, hoeft dus niet sprake te zijn geweest van meerdere overtredingen. In de hiervoor aangehaalde rechtspraak wordt met “de eerdere overtreding” de overtreding bedoeld die de aanleiding vormt om een herstelsanctie op te leggen ter voorkoming van een nieuwe overtreding.[_5f45522b-dc68-4d49-be9d-5d4f521ae5b5] In het bestreden besluit heeft de burgemeester deugdelijk gemotiveerd dat hier sprake is van gevaar voor herhaling. Ten eerste is terecht overwogen dat in dit geval niet onredelijk veel tijd is gelegen tussen de overtreding en het moment dat handhavend werd opgetreden. Ten tweede heeft de burgemeester in het gedrag en de houding van eiser terecht geen aanleiding gezien om uit te gaan van ingrijpend gewijzigde omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode tussen de constatering en het opleggen van de last. De burgemeester wijst er terecht op dat eiser ten tijde van de constatering in eerste instantie aangaf de sekswerkers liever niet uit zijn woning te zetten. Weliswaar zou dit verklaard kunnen worden vanuit naïviteit, maar juist door die houding kan betwijfeld worden of eiser werkelijk zal zorgdragen dat herhaling uitblijft. Eiser heeft wel verklaard dat hij ervan geschrokken was dat de betrokken vrouwen als sekswerkers actief bleken te zijn. De burgemeester mocht echter daartegen inbrengen en meewegen dat eiser de vrouwen buiten zijn aanwezigheid in zijn woning heeft laten verblijven terwijl hij hen naar eigen zeggen pas de nacht ervoor voor het eerst had ontmoet. Dit betekent dat de burgemeester bevoegd was om een herstelsanctie ter voorkoming van herhaling op te leggen. Daarom komt geen betekenis toe aan eisers stelling dat het in de rede had gelegen om te volstaan met een waarschuwing en dat de burgemeester willekeurig heeft gehandeld door dit niet te doen.
Is onvoldoende rekening gehouden met eisers persoonlijke omstandigheden?
Eiser voert aan dat de last onder dwangsom niet evenredig is, niet alleen omdat de overtreding is beëindigd en geen sprake was van een eerdere overtreding, ook omdat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat hij onder bewind is gesteld en (dus) een kwetsbare burger is. Hoewel de burgemeester dit bij het primaire besluit misschien niet wist, kon en moest de burgemeester dit in bezwaar alsnog meewegen. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat deze kwetsbare positie een rol heeft gespeeld. Het bestreden besluit is dan ook gebrekkig gemotiveerd.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Volgens vaste rechtspraak moet bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, beoordeeld worden of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Er wordt eerst getoetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving, en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus vooropstaan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt, dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.[_be581c2c-0c93-4014-a91f-7b20adbc056f]
Voor zover eiser de noodzaak van de handhaving betwist omdat hij meewerkend was en omdat dit een eerste overtreding was, volgt de rechtbank dit niet. De burgemeester heeft terecht opgemerkt dat sprake is geweest van een ernstige overtreding waarbij meerdere klanten langskwamen tijdens de controle, en dat eiser blijk heeft gegeven van een gebrekkige houding ten aanzien van het voorkomen van zulke overtredingen. De overweging van de burgemeester dat ten minste het opleggen van een last onder dwangsom voldoende is om een volgende overtreding te voorkomen, is dan ook navolgbaar.
Voor zover eiser de evenwichtigheid van de last betwist, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, volgt de rechtbank dit ook niet. De burgemeester heeft bij de beoordeling betrokken dat eiser onder bewind is gesteld, maar heeft daarin geen aanleiding hoeven zien om handhavend optreden achterwege te laten. Hoewel eiser zich kennelijk in een financieel kwetsbare positie bevindt, behoeft hij slechts overtredingen van de APV na te laten om te voorkomen dat hij een dwangsom verbeurt. Bovendien volgt uit vaste rechtspraak dat de omstandigheid dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor degene ten laste van wie wordt gehandhaafd, geen grond biedt voor het oordeel dat dit optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het bestuursorgaan daarvan om die reden behoort af te zien.[_121d9541-a66a-421a-b5cd-6b210d141602] Daar komt nog bij dat eiser kan verzoeken om opheffing van de last als deze een jaar van kracht is geweest zonder dat een dwangsom is verbeurd.[_116aba3f-105f-4f7b-9a7d-9b10debe92c0] Gelet op het voorgaande is de rechtbank niet van oordeel dat de last in de gegeven omstandigheden onevenwichtig is, dan wel dat het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
6. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is dus ongegrond en de last onder dwangsom blijft in stand. Bij deze uitkomst krijgt eiser geen vergoeding voor het griffierecht of zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571.
- Zie ook de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 27 oktober 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BK1424.
- Zie de uitspraak van de ABRvS van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
- Zie de uitspraak van de ABRvS van 1 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV2414.
- Op grond van artikel 5:34, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.