Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Noord-Holland, 7 september 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:14139Zaaknummer HAA 25/6131

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
7 september 2026
Publicatiedatum
20 oktober 2026
Zaaknummer
HAA 25/6131
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eiseres voor compensatie voor een transitievergoeding bij langdurig zieke werknemers. Eiseres is het hier niet mee eens en stelt dat het strikt hanteren van de indieningstermijn in het onderhavige geval onevenredig is. De rechtbank volgt eiseres hierin niet.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Zorge, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] B.V., uit Zwanenburg, eiseres
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Totstandkoming van het bestreden besluit
  5. Standpunt eiseres
  6. Beoordeling door de rechtbank
  7. Conclusie en gevolgen
  8. Beslissing
  9. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/6131

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit Zwanenburg, eiseres

(gemachtigden: mr. H.J. van Deventer en mr. R.B.J. de Neeling),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv

(gemachtigde: S. Meeuwsen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eiseres voor compensatie voor een transitievergoeding bij langdurig zieke werknemers. Eiseres is het hier niet mee eens en stelt dat het strikt hanteren van de indieningstermijn in het onderhavige geval onevenredig is. Sprake is van bijzondere omstandigheden die het afwijken van deze termijn rechtvaardigen. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Hierna legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.

Met de besluiten van 16 juli 2025 en 21 juli 2025 (de primaire besluiten) heeft het Uwv de aanvragen van eiseres voor compensatie van de betaalde transitievergoeding afgewezen.

2.2.

Met het besluit van 5 november 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

2.3.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben [naam 1] (HR-manager) namens eiseres en de gemachtigden van eiseres deelgenomen. De gemachtigde van het Uwv is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.

Ex-werknemers, [ex-werknemer 1], [ex-werknemer 2], [ex-werknemer 3], [ex-werknemer 4] en [ex-werknemer 5], waren in dienst bij eiseres. Na het doorlopen van een periode van 104 weken ziekte zijn zij alle ziek uit dienst getreden en is met hen een beëindigingsovereenkomst gesloten. Eiseres heeft vervolgens aan deze ex-werknemers, in de periode van 17 maart 2023 tot en met 17 mei 2024, een transitievergoeding uitbetaald.

3.2.

Op 3 en 4 juni 2025 heeft eiseres aanvragen voor een compensatie voor een transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid ingediend en verzocht om compensatie van de door haar aan deze ex-werknemers betaalde transitievergoeding. Met de primaire besluiten heeft het Uwv deze aanvragen afgewezen, omdat de aanvragen ruim na de daarvoor geldende wettelijke termijn zijn ingediend.

3.3.

In bezwaar is aangevoerd dat eiseres een nieuw HR-team had moeten aannemen en dat de taak voor het aanvragen van compensatie niet goed is belegd en het een grote kostenpost is. Met het bestreden besluit heeft het Uwv de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat, omdat eiseres de aanvragen te laat heeft ingediend, het Uwv in dat geval verplicht is om de aanvragen af te wijzen. De regels voor de aanvraagtermijn voor compensatie van de transitievergoeding zijn dwingendrechtelijk van aard. Hierdoor kan niet zonder wettelijke basis van deze regels worden afgeweken. Niet is gebleken dat sprake is van dusdanige verstrekkende en onaanvaardbare gevolgen, waardoor aanleiding bestaat om af te wijken van de dwingendrechtelijke bepaling. De door eiseres vermelde omstandigheden liggen daarbij in de eigen risicosfeer en geven daarmee geen aanleiding om anders te beslissen.

Standpunt eiseres

4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het vasthouden aan de in artikel 2, onder b, van de Regeling compensatie transitievergoeding (de Regeling) genoemde termijn in het geval van eiseres onevenredig is. De personeelswisseling van de gehele HR-afdeling in 2020 heeft een grote impact gehad op de manier waarop gewerkt werd binnen de organisatie, hoe de taken werden verdeeld en moest vervolgens de samenwerking binnen het team opnieuw worden ontdekt. Dit gebeurde eveneens in een periode waarin de organisatie onder grote organisatorische druk stond vanwege de coronacrisis. De inwerkintreding van de Regeling is, gelet hierop, over het hoofd gezien, waardoor de aanvragen te laat zijn ingediend. Deze omstandigheden vallen weliswaar niet onder een van de genoemde categorieën en voorbeelden van het beleidsdocument, maar in onderling verband bezien leidt dit evengoed tot de conclusie dat het besluit om geen compensatie toe te kennen onevenredige gevolgen heeft en coulance op zijn plaats is. Eiseres is verder van mening dat het Uwv onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan haar eigen beleid.

Beoordeling door de rechtbank

5.1.

Op grond van artikel 7:673e, zevende lid, van het Burgerlijk Wetboek verstrekt het Uwv op verzoek van de werkgever die een transitievergoeding verschuldigd is een vergoeding als – zakelijk samengevat – de arbeidsovereenkomst eindigt na de periode waarin loon wordt doorbetaald bij ziekte. In artikel 2, aanhef en onder b, van de Regeling is bepaald dat een aanvraag wordt afgewezen als deze wordt ingediend meer dan zes maanden na de dag waarop de werkgever de volledige transitievergoeding heeft betaald.

5.2.

Niet in geschil is dat in alle vijf de gevallen niet is voldaan aan de voorwaarde dat de aanvraag voor compensatie moet zijn ingediend binnen zes maanden nadat de volledige transitievergoeding aan de werknemers is betaald. Daarmee staat vast dat op grond van artikel 2, aanhef en onder b, van de Regeling de aanvragen moeten worden afgewezen.

5.3.

Het Uwv hanteert richtlijnen waarbij met toepassing van het evenredigheidsbeginsel in bijzondere situaties wordt afgeweken van de termijn welke is neergelegd in artikel 2, aanhef en onder b, van de Regeling. Volgens deze richtlijnen toetst het Uwv of de aanvrager werd belemmerd in het doen van de aanvraag of dat er andere bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van artikel 2, aanhef en onder b van de Regeling tot een onevenwichtige uitkomst zou leiden. In het bestreden besluit heeft het Uwv overwogen dat de benoemde omstandigheden rond het HR-team van eiseres in de risicosfeer van eiseres vallen en dit geen reden is voor het maken van een uitzondering. Verder overweegt het Uwv dat niet is gebleken van dusdanig verstrekkende en onaanvaardbare gevolgen voor eiseres waardoor er aanleiding is om af te wijken van de desbetreffende dwingendrechtelijke bepaling(en).

5.4.

Eiseres stelt dat het Uwv haar ten onrechte aan deze termijn heeft gehouden en heeft daarbij onder meer een beroep gedaan op het doel van de Regeling. Zoals eiseres terecht heeft opgemerkt is het doel van de Regeling dat een werkgever bij het ontbinden van de arbeidsovereenkomst van een werknemer die twee jaar arbeidsongeschikt is geweest, niet met dubbele lasten wordt geconfronteerd. De minister heeft aanleiding gezien om aan die aanvraag een termijn van zes maanden te verbinden. Daarmee wordt het doel van de Regeling nog steeds bereikt, namelijk door het tijdig indienen van een aanvraag wordt tot compensatie van de betaalde transitievergoeding overgegaan.

5.5.

Gesteld noch gebleken is dat eiseres niet in staat was om binnen zes maanden na de betaling van de respectievelijke transitievergoedingen een aanvraag in te dienen. Voor zover is verwezen naar een wijziging in het HR-team in 2020, wordt daaraan voorbijgegaan omdat de onderhavige transitievergoedingen eerst drie respectievelijk vier jaar later zijn betaald. Werkgevers kunnen op eenvoudige wijze een aanvraag indienen bij het Uwv. Omdat de Regeling uitgaat van het moment van daadwerkelijk betalen van de (volledige) transitievergoeding, is die termijn haalbaar te achten. Immers, op dat moment beschikt een werkgever over alle benodigde gegevens voor de aanvraag (zoals ook weergegeven op de Uwv-site). Dat daarvoor desondanks een langere termijn dan zes maanden na het betalen van de transitievergoeding is benodigd, is op geen enkele wijze onderbouwd. Er is sprake van een ruime overschrijding van de indieningstermijn. Het niet tijdig indienen van de aanvragen als gevolg van interne problematiek, bij een bedrijf als eiseres, leidt niet tot de conclusie dat deze afwijzing onevenredig is. Het op grond van de geldende CAO doorbetalen van loon tijdens ziekte maakt dit niet anders. Eiseres heeft verder aangegeven dat er geen onaanvaardbare financiële gevolgen voortvloeien uit de afwijzingen van de aanvragen, anders dan het mislopen van de compensatie. Andere onnodig nadelige gevolgen zijn niet aangevoerd. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan te nemen dat sprake zou zijn van onevenredige gevolgen.

5.6.

Het is de rechtbank niet duidelijk geworden op grond waarvan de termijn als neergelegd in artikel 2, aanhef en onder b van de Regeling, in strijd zou zijn met hoger recht. Van een strijd met algemene rechtsbeginselen is naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake. Voor zover is aangevoerd dat het onevenredig is dat eiseres geen ruimere termijn wordt gegund, omdat is verzuimd door haar HR-afdeling om tijdig de aanvragen in te dienen, kan zij daarin niet worden gevolgd. Het gebrek aan kennis dan wel inzicht in de eigen administratie is een factor die voor eigen risico moet blijven. Dat maakt de toepassing van de Regeling niet onevenredig. Daarbij heeft bovendien te gelden dat eiseres een professionele partij is, waarvan mag worden verwacht dat zij op de hoogte is van dergelijke regelingen. Van een bijzondere omstandigheid waarmee het Uwv rekening had moeten houden, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. 5.7. De stelling dat niet is uitgelegd door het Uwv waarom de minister heeft gekozen voor een fatale termijn van zes maanden, maakt dit oordeel niet anders. Voor zover daarmee bedoeld is een motiveringsgebrek in het besluit aan te voeren kan dit niet slagen. De minister heeft zijn keuzes en overwegingen toegelicht in de Tweede Kamer. Het is niet aan het Uwv om daar in een procedure als de onderhavige nog een nadere motivering op te geven. Het Uwv heeft beleid op grond waarvan in uitzonderingsgevallen kan worden afgeweken, welk beleid een toelichting bevat. Het is de rechtbank niet gebleken dat het beleid ziet op een situatie als de onderhavige noch dat het Uwv het beleid niet correct heeft toegepast.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Zij krijgt het griffierecht niet terug. Ook krijgen zij geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Zorge, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.