Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Noord-Holland, 12 oktober 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:14128Zaaknummer HAA 26/4564

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Publicatiedatum
20 oktober 2026
Zaaknummer
HAA 26/4564
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

RooO vovo. Overplaatsing moeder met zoon. (Groot)moeder blijft achter in oude kamer met nieuwe kamergenoot. Het college kon in redelijkheid tot overplaatsing komen. Het is niet gebleken dat de aangeboden opvangplek niet voldoet aan de voorwaarden van Richtlijn 2001/55/EG en artikel 5 van de RooO. Het college heeft er belang bij dat een opvanglocatie niet wordt gesloten wegens strijd met de omgevingsvergunning.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoekster] , uit Velsen-Zuid, verzoekster
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 26/4564

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 oktober 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit Velsen-Zuid, verzoekster

(gemachtigde: mr. R.M. Rensing),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen

(gemachtigden: Y. el Abdellaoui en J. Visser).

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 22 september 2026 heeft het college besloten verzoeker per 29 september 2026 over te plaatsen van de opvanglocatie op [opvanglocatie 1] kamer [nummer] naar de opvanglocatie op [opvanglocatie 2]. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

1.1.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door haar zoon, zus en moeder, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het college, bijgestaan door twee collega’s.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat aan het bestreden besluit voorafging

2. Op 17 september 2026 heeft het college een voornemen naar verzoekster (en haar minderjarige zoon) gestuurd waaruit blijkt dat het college voornemens is verzoekster en haar zoon per 24 september 2026 te verplaatsen naar een nieuwe opvanglocatie vanwege herverdeling van de opvangplekken. Verzoekster wordt in de gelegenheid gesteld om persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen voordat een definitief besluit wordt genomen. Verzoekster heeft per e-mail op het voornemen gereageerd. Zij geeft aan dat een verhuizing de belangrijke familiestructuur zal verstoren en het voor verzoekster en haar zoon moeilijk zal zijn om voor haar moeder (verder: (groot)moeder) te zorgen. Daarnaast maakt verhuizing naar de andere locatie de mogelijkheid om (groot)moeder te ondersteunen beperkt omdat er ook sprake is van grote reistijd naar studie en werk (in Utrecht). Verzoekster vraagt daarom van de overplaatsing af te zien.

2.1.

Bij besluit van 22 september 2026 heeft het college aan verzoekster meegedeeld dat zij en haar zoon overgeplaatst zullen worden naar een andere opvanglocatie ( [opvanglocatie 2] ).

Verzoek

3. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij samen met (groot)moeder en haar zoon feitelijk één huishouden vormen en dat zij elkaar dagelijks steunen. Bij de voorgenomen verhuizing worden zij en haar zoon gescheiden van (groot)moeder. Het is daarbij voor verzoekster volstrekt onduidelijk wat met (groot)moeder zal gebeuren. Zo is niet duidelijk waar en met wie zij komt te wonen. Daarnaast stelt verzoekster dat haar niet duidelijk is uitgelegd waarom juist zij samen met haar zoon moet verhuizen. Ten slotte heeft verzoekster zorgen over de geschiktheid van de nieuwe opvanglocatie, onder andere over de ventilatie en over een eerdere bewoner met open TBC. Zij verzoekt daarom om uitstel van de overplaatsing tot op haar bezwaar is beslist.

Spoedeisend belang

4. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Onverwijlde spoed wil zeggen dat er onomkeerbare gevolgen kunnen intreden waardoor de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.

4.1.

De voorzieningenrechter ziet in het besluit tot overplaatsing van verzoekster en haar zoon aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen omdat de overplaatsing op korte termijn zal plaatsvinden.

Beoordeling van het verzoek

5. De voorzieningenrechter weegt de belangen van betrokken partijen en treft al dan niet op basis van deze belangenafweging een voorlopige voorziening. Onderdeel van die belangenafweging kan een inschatting over de rechtmatigheid van het besluit zijn, maar dit is niet noodzakelijk. De beoordeling door de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet.

5.1.

Op dit moment wordt verzoekster met haar zoon en haar (groot)moeder opgevangen in een tweepersoonskamer in de [opvanglocatie 1]. Het college heeft ter zitting toegelicht, dat op die locatie, gelet op de omgevingsvergunning, te veel mensen worden opgevangen. Daarbij is verklaard dat niet alleen verzoekster bericht heeft gekregen over een overplaatsing als bedoeld in artikel 9 van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (de RooO).

5.2.

Het college heeft verzoekster en haar zoon een tweepersoonskamer aangeboden op een andere locatie in de gemeente ( [opvanglocatie 2]) en aangegeven dat deze plek mede is ingegeven door het vertrek van iemand aldaar en de bereidheid van de overgebleven bewoonster in die tweepersoonskamer om een kamer te gaan delen met (groot)moeder in de [opvanglocatie 1]. Daarnaast heeft het college betrokken dat verzoekster op 7 juli 2026 een verzoek heeft gedaan om met haar zoon te worden opgevangen in Utrecht in verband met werk en opleiding, waarbij in het verzoek was vermeld “Mijn moeder blijft op haar huidige locatie in [plaats] wonen. Dit verzoek betreft uitsluitend mijn zoon en mij”.

Het college stelt dat met de overplaatsing wordt voldaan aan het verminderen van het aantal mensen op de huidige opvanglocatie (de [opvanglocatie 1]) in verband met de omgevingsvergunning, en dat de kamers dan conform zijn bezet. Voor zover (groot)moeder niet met de bewuste dame een kamer zou willen delen, kan bekeken worden of de andere dochter die op dezelfde locatie op de [opvanglocatie 1] in een eenpersoonskamer verblijft, de huidige tweepersoonskamer met (groot)moeder kan delen. Ondertussen zal bekeken worden of er opvang vrijkomt in Utrecht, zoals verzocht door verzoekster op 7 juli 2026. Gelet op de hoge vraag naar opvangplekken kan dat nog enige tijd duren, omdat op dit moment geen plek beschikbaar is voor verzoekster en haar zoon in Utrecht, aldus het college.

5.3.

De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat het college in redelijkheid tot overplaatsing kon komen. Het is niet gebleken dat de aangeboden opvangplek niet voldoet aan de voorwaarden van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming 2001/55/EG (de Richtlijn) en artikel 5 van de RooO. Het college heeft er belang bij dat een opvanglocatie niet wordt gesloten wegens strijd met de omgevingsvergunning. Het college mocht bij de besluitvorming betrekken dat verzoekster een verzoek had ingediend voor haarzelf en haar zoon, waarbij zij heeft vermeld dat (groot)moeder op de locatie in [plaats] zou blijven. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat sprake is van een bijzondere opvangbehoefte die moet leiden tot een ander oordeel, ook niet waar het gaat om (groot)moeder. Het college heeft een zwaarwegend belang bij het kunnen blijven beschikken over zoveel mogelijk plekken voor opvang en deze plekken ook conform te vullen, gezien de druk die op de opvang bestaat. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster uitgaat van een gezinssituatie zoals zij ook in Oekraïne heeft genoten, maar in dit geval wordt door het college niet in strijd met de RooO gehandeld door (groot)moeder niet als een gezinslid aan te merken.[_c8ccbcd7-4a4a-4558-a939-276e081677ab]

5.4.

Voor zover door verzoekster is aangevoerd dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd, geldt dat het college de motivering in de bezwaarprocedure kan aanvullen. Dit leidt niet tot een ander oordeel van de voorzieningenrechter.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot schorsing van het besluit tot overplaatsing af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

  1. Gelet op de definitie uit artikel 1, aanhef en onder f, sub 3, van de RooO.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.