Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Noord-Holland, 13 oktober 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:14127Zaaknummer HAA 26/4397

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Publicatiedatum
20 oktober 2026
Zaaknummer
HAA 26/4397
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

RooO - vovo. Verzoek voor eigen kamer/kamer delen met echtgenoot. Mogelijk sprake van bijzondere opvangbehoeften gelet op psychische problematiek. Met het aanbod voor opvang met eigen (afsluitbare) slaapkammer is voldoende rekening gehouden met bijzondere opvangbehoeften. Grote druk op opvang, waarmee het college rekening mag houden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker] , uit Purmerend, verzoeker
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 26/4397

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 oktober 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit Purmerend, verzoeker

(gemachtigde: mr. I. Kotliar),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend

(gemachtigden: mr. L.C. Dankbaar en M. van Ophem).

Procesverloop

1. Verzoeker heeft op 25 augustus 2026 een aanvraag ingediend tot herbeoordeling van zijn huidige opvangsituatie gelet op hetgeen bepaald in artikel 15 van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO). Na een incident op 26 augustus 2026 heeft verzoeker aanvullend verzocht niet langer de huidige kamer met een derde te delen, althans met zijn echtgenote de kamer te mogen delen. Het college heeft (samengevat) op 26 augustus de verzoeken afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen op 4 september 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter op 9 september 2026 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

1.1.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit

2. Op 25 augustus 2026 heeft verzoeker het college gevraagd opnieuw te beoordelen of sprake is van bijzondere opvangbehoeften als bedoeld in artikel 15 van RooO. In dat kader heeft verzoeker aangevoerd dat hij psychische problematiek heeft waarbij verblijf en intensief contact met onbekende personen gevoelens van bedreiging en ernstige spanning kunnen oproepen. Ter onderbouwing heeft verzoeker een stuk van PsyQ van 21 augustus 2026 meegestuurd. Daarnaast stelt verzoeker ook dat zijn gezinsomstandigheden zijn gewijzigd, omdat hij inmiddels gehuwd is. Zijn echtgenote verblijft eveneens als Oekraïense ontheemde in Nederland. Gelet op het voorgaande verzoekt hij of onderzocht kan worden of gezamenlijke huisvesting met zijn echtgenote een passende oplossing kan vormen voor zijn bijzondere opvang behoeften.

2.1.

In een aanvullende e-mail van 26 augustus 2026 heeft verzoeker het college geïnformeerd over een ernstig incident dat zich heeft voorgedaan met zijn huidige kamergenoot in de [plaats]. Verzoeker geeft aan dat hij zich niet veilig voelt om met zijn huisgenoot in kamer [nummer] te verblijven en dat hij concreet risico loopt op verdere (fysieke) escalatie. Verzoeker verzoekt daarom met spoed om maatregelen om niet langer samen in kamer [nummer] te hoeven verblijven.

2.2.

Per e-mail van 26 augustus 2026 heeft het college verzoeker laten weten dat zijn huidige kamergenoot per direct een andere kamer toegewezen heeft gekregen. Verzoeker zal op termijn wel een nieuwe kamergenoot krijgen. Het is niet mogelijk om verzoeker samen met zijn partner te huisvesten. Ook kan hij geen kamer alleen krijgen.

2.3.

Vervolgens heeft het college bij brief van 10 september 2026 beide verzoeken nogmaals afgewezen en daarbij een toelichting gegeven. Daarnaast is een aanbod gedaan voor een kamer voor hem alleen op de opvanglocatie [naam opvanglocatie]. Verzoeker dient uiterlijk 11 september 2026 voor 12 uur te reageren.

2.4.

Beide partijen hebben op 11 september 2026 aanvullende stukken en reacties aan de rechtbank gezonden, waarbij onder meer een reactie op vragen door [naam] van PsyQ van 15 september 2026 is gevoegd.

Het verzoek

3. Verzoeker heeft in zijn verzoek om voorlopige voorziening aangevoerd dat hij de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan afwachten. Verzoeker vraagt – gelet op zijn psychische problematiek – om een tijdelijke maatregel waarbij bepaald wordt dat er geen nieuwe (onbekende) kamergenoot in zijn kamer wordt geplaatst. Hij heeft daarbij verwezen naar de informatie van PsyQ. Een oplossing voor dit probleem is volgens verzoeker dat hij met zijn echtgenote samen mag wonen. Zij is geen onbekende voor hem en kan in de plaats komen van een onbekende kamergenoot. Ter zitting heeft verzoeker zijn verzoek nader uiteengezet.

3.1.

De voorzieningenrechter begrijpt hieruit dat het verzoek eigenlijk uit twee delen bestaat. Allereerst wordt verzocht dat er geen nieuwe kamergenoot op de huidige kamer van verzoeker wordt geplaatst. En daarnaast wordt verzocht of verzoeker samen met zijn echtgenote op die kamer kan worden geplaatst.

Bestaat er aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen?

4. De voorzieningenrechter weegt de belangen van betrokken partijen en treft al dan niet op basis van deze belangenafweging een voorlopige voorziening. Onderdeel van die belangenafweging kan een inschatting over de rechtmatigheid van het besluit zijn, maar dit is niet noodzakelijk. De beoordeling door de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet.

4.1.

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat ter zitting door het college is bevestigd dat de e-mails van 26 augustus 2026 en 10 september 2026 kunnen worden gezien als afwijzing van de twee verzoeken en daarmee als besluiten. Uit de e-mail van 10 september 2026 blijkt daarnaast ook dat het college verzoeker een aanbod heeft gedaan voor overplaatsing naar een andere opvanglocatie ( [naam opvanglocatie] ). Gelet op de aan dit aanbod verbonden reactietermijn ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

4.2.

Het college heeft ter zitting nader uitgelegd dat aan verzoeker een aanbod is gedaan voor opvang in de [naam opvanglocatie], gelet op zijn verzoek om een eigen kamer. Dit betreft een 3 persoonsunit met een eigen (afsluitbare) slaapkamer voor verzoeker. Het college heeft bevestigd dat dit aanbod, ondanks het verstrijken van de reactietermijn op 11 september 2026, nog open staat.

Het college heeft verder aangevoerd dat op de locatie waar verzoeker op dit moment verblijft geen plaats is voor de echtgenote van verzoeker, omdat het gaat om gescheiden man/vrouw kamers. Bovendien verblijft verzoeker op dit moment alleen in een kamer die geschikt is om drie personen op te vangen en is er een ernstig tekort aan opvangplekken. Met het aanbod voor opvang op locatie [naam opvanglocatie] wordt volgens het college tegemoetgekomen aan de wens van verzoeker om een eigen kamer die kan worden afgesloten. Het college heeft daarbij verwezen naar de aanvullende reactie van PsyQ in de email van 15 september2026.

4.3.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende vast komen te staan dat de aangeboden kamer op de [naam opvanglocatie] niet kan worden aangemerkt als een fatsoenlijk onderkomen als bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming 2001/55/EG en artikel 5 van de RooO. Evenmin is gebleken dat de opvang op de [naam opvanglocatie] tot een verergering van de medische problematiek van verzoeker zal leiden. Dit volgt immers niet uit de tweede verklaring van PsyQ van 15 september 2026, meer in het bijzonder de beantwoording van PsyQ van de eerste vraag, waarin het volgende wordt vermeld.

“Het delen van een slaapkamer is zeer moeilijk voor dhr ivm zijn PTSS. Er is altijd een vorm van bedreiging in zijn systeem aanwezig. Wanneer je probeerd te slapen en je bent in een staat van bedreiging dan lukt het slapen zeer moeilijk. Dit zorgt er dan weer voor dat je daarna weer extra kwetsbaar bent. Bij het verblijven in een woonunit is dit ook moeizaam maar dan is er ook de mogelijkheid om een veilige plek op te zoeken.”

De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat met een eigen afsluitbare slaapkamer zoals aangeboden op de [naam opvanglocatie], vooralsnog voldoende rekening wordt gehouden met de bijzondere opvangbehoeften van verzoeker.

Daarbij komt, in het geval dat verzoeker naar de [naam opvanglocatie] gaat, op de huidige kamer van verzoeker (locatie [plaats]) plaats vrij voor drie personen. Nu verblijft verzoeker nog alleen op deze kamer. Gezien de hoge druk op de opvang is dat een zwaarwegend belang waarmee het college rekening mag houden.

4.4.

Het college erkent het belang van gezinshereniging. Op dit moment heeft de echtgenote van verzoeker, met wie hij recent in het huwelijk is getreden, een eigen opvangplek. Het college heeft verklaard dat er op dit moment geen opvangplek beschikbaar is voor verzoeker en zijn echtgenote samen, en dat een dergelijke plek dus niet kan worden aangeboden. Daarbij is door het college toegelicht dat de vraag naar opvangplekken hoog blijft en daarom iedere beschikbare plek gevuld moet worden. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het college daarmee een keuze heeft gemaakt die strijdig is met de RooO of andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4.5.

Voor zover verzoeker heeft aangevoerd dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is, geldt dat het college de motivering in de bezwaarprocedure kan aanvullen. Dit leidt niet tot een ander oordeel van de voorzieningenrechter.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.