Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Noord-Holland, 17 september 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:14097Zaaknummer HAA 25/3566

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17 september 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
HAA 25/3566
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

In deze mondelinge uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij haar beroep tegen de waarschuwing tot preventieve stillegging die de minister aan haar heeft gegeven. De waarschuwing had een looptijd van vijf jaar en is inmiddels verlopen. Gelet daarop is al bereikt wat eiseres met deze procedure had willen bereiken. De rechtbank volgt eiseres niet in het standpunt dat zij procesbelang heeft vanwege de kosten die zij heeft moeten maken om de schade van een eventuele stillegging te ondervangen. Volgens de rechtbank is er evident geen causaal verband tussen deze kosten en de waarschuwing nu de waarschuwing geen stillegging inhoudt. Daarvoor is eerst vereist dat eiseres nogmaals een overtreding begaat. Eiseres heeft ook geen procesbelang in verband met mogelijke toekomstige procedures omdat niet aannemelijk is dat de waarschuwing in die procedures nog een zelfstandige betekenis kan hebben. Dit omdat de waarschuwing is gegeven naar aanleiding van overtredingen waarvoor eiseres ook is beboet en die boetes inmiddels in rechte vaststaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Gronden van de beslissing

1. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk wegens het gebrek aan procesbelang bij eiseres.

2. Om procesbelang aan te kunnen nemen, moet eiseres feitelijk iets kunnen bereiken met de onderhavige beroepsprocedure. De rechtbank stelt vast dat de waarschuwing een looptijd had van vijf jaar en daarom na 31 augustus 2026 is komen te vervallen. Gelet daarop is al bereikt wat eiseres met deze procedure had willen bereiken, namelijk dat de waarschuwing niet meer van kracht is.

3. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank geen redenen om toch procesbelang aan te nemen. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij kosten heeft moeten maken om de schade van een eventuele stillegging te ondervangen. Aangezien de waarschuwing de mogelijkheid tot stillegging ontsluit, stelt eiseres dat zij genoodzaakt was om extra kosten te maken ter voorbereiding op een stillegging, die zij niet had hoeven maken als de waarschuwing niet was gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is er echter evident geen causaal verband tussen deze kosten en de waarschuwing. De waarschuwing brengt immers nog geen stillegging mee. Voordat de minister daadwerkelijk kan overgaan tot een stillegging is eerst vereist dat er een nieuwe overtreding wordt geconstateerd. Bij naleving van de Wav hoeven dus geen kosten in verband met een bevel tot stillegging te worden gemaakt.

4. Verder is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is dat de inmiddels verlopen waarschuwing nog relevantie heeft voor toekomstige procedures. Eiseres heeft daarbij onder andere gewezen op toekomstige aanbestedingen of beoordelingen in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. De rechtbank is van oordeel dat de waarschuwing in zulke procedures geen zelfstandige betekenis kan hebben, aangezien de waarschuwing is gegeven naar aanleiding van overtredingen waarvoor eiseres ook is beboet. Deze overtredingen en de daarvoor opgelegde boete staan gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024 bovendien in rechte vast.

5. Eiseres heeft ook aangevoerd dat zij belang heeft bij een oordeel over de conclusies van de minister over de inspectie die in de nacht van 3 op 4 april 2025 bij haar is verricht. De bevindingen van die inspectie hebben op zichzelf niet tot een sanctie geleid, maar zijn mede ten grondslag gelegd aan het nieuwe besluit op bezwaar in deze zaak. Eiseres vreest dat deze bevindingen in toekomstige handhavingstrajecten aan haar tegengeworpen kunnen worden. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres hieraan geen procesbelang ontlenen, aangezien eventuele nieuwe handhavingstrajecten een onzekere toekomstige omstandigheid vormen, die pas aan de orde kunnen zijn als opnieuw overtredingen van de Wav worden geconstateerd bij eiseres. Voor procesbelang is vereist dat sprake is van een actueel en reëel belang. Als de inspectie van april 2025 ten grondslag wordt gelegd aan een toekomstig handhavingsbesluit, dan kunnen de bevindingen van de inspectie bovendien worden bestreden in een procedure tegen dat besluit.

6. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026 door mr. drs. J. de Vries, voorzitter, en mr. M. Jurgens en mr. R. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier.

griffiervoorzitter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] , uit [plaats] , eiseres
  2. Inleiding
  3. Beslissing
  4. Gronden van de beslissing
  5. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/3566

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 17 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigden: mr. J.R. van Angeren en mr. F.T. Ribeiro Bártolo),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

(gemachtigde: mr. J. Boogaard-Zeebregts).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over de waarschuwing tot preventieve stillegging die de minister aan eiseres heeft gegeven wegens het overtreden van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).

Op 30 oktober 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep van eiseres ten aanzien van deze waarschuwing gegrond verklaard en het besluit van de minister van 7 april 2022 op het bezwaar van eiseres tegen de waarschuwing vernietigd.[_ad4ed7d6-8a51-40e3-8883-2c3f907a3b82]

Op 1 juli 2025 heeft de minister opnieuw beslist op het bezwaar. De minister heeft het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en daarbij een aanvullende motivering gegeven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De minister en eiseres hebben nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres, vergezeld door [naam], en de gemachtigde van de minister.

Ter zitting heeft de rechtbank partijen erop gewezen dat op grond van artikel 8:7, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtbank Den Haag bevoegd is ten aanzien van andere Wav-besluiten dan de oplegging van een boete. Partijen hebben desgevraagd aangegeven geen bezwaar te hebben tegen behandeling van dit beroep door de rechtbank Noord-Holland.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan en daarbij meegedeeld binnen welke termijn en bij welke instantie hoger beroep kan worden ingesteld.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Gronden van de beslissing

1. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk wegens het gebrek aan procesbelang bij eiseres.

2. Om procesbelang aan te kunnen nemen, moet eiseres feitelijk iets kunnen bereiken met de onderhavige beroepsprocedure. De rechtbank stelt vast dat de waarschuwing een looptijd had van vijf jaar en daarom na 31 augustus 2026 is komen te vervallen. Gelet daarop is al bereikt wat eiseres met deze procedure had willen bereiken, namelijk dat de waarschuwing niet meer van kracht is.

3. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank geen redenen om toch procesbelang aan te nemen. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij kosten heeft moeten maken om de schade van een eventuele stillegging te ondervangen. Aangezien de waarschuwing de mogelijkheid tot stillegging ontsluit, stelt eiseres dat zij genoodzaakt was om extra kosten te maken ter voorbereiding op een stillegging, die zij niet had hoeven maken als de waarschuwing niet was gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is er echter evident geen causaal verband tussen deze kosten en de waarschuwing. De waarschuwing brengt immers nog geen stillegging mee. Voordat de minister daadwerkelijk kan overgaan tot een stillegging is eerst vereist dat er een nieuwe overtreding wordt geconstateerd. Bij naleving van de Wav hoeven dus geen kosten in verband met een bevel tot stillegging te worden gemaakt.

4. Verder is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is dat de inmiddels verlopen waarschuwing nog relevantie heeft voor toekomstige procedures. Eiseres heeft daarbij onder andere gewezen op toekomstige aanbestedingen of beoordelingen in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. De rechtbank is van oordeel dat de waarschuwing in zulke procedures geen zelfstandige betekenis kan hebben, aangezien de waarschuwing is gegeven naar aanleiding van overtredingen waarvoor eiseres ook is beboet. Deze overtredingen en de daarvoor opgelegde boete staan gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024 bovendien in rechte vast.

5. Eiseres heeft ook aangevoerd dat zij belang heeft bij een oordeel over de conclusies van de minister over de inspectie die in de nacht van 3 op 4 april 2025 bij haar is verricht. De bevindingen van die inspectie hebben op zichzelf niet tot een sanctie geleid, maar zijn mede ten grondslag gelegd aan het nieuwe besluit op bezwaar in deze zaak. Eiseres vreest dat deze bevindingen in toekomstige handhavingstrajecten aan haar tegengeworpen kunnen worden. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres hieraan geen procesbelang ontlenen, aangezien eventuele nieuwe handhavingstrajecten een onzekere toekomstige omstandigheid vormen, die pas aan de orde kunnen zijn als opnieuw overtredingen van de Wav worden geconstateerd bij eiseres. Voor procesbelang is vereist dat sprake is van een actueel en reëel belang. Als de inspectie van april 2025 ten grondslag wordt gelegd aan een toekomstig handhavingsbesluit, dan kunnen de bevindingen van de inspectie bovendien worden bestreden in een procedure tegen dat besluit.

6. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026 door mr. drs. J. de Vries, voorzitter, en mr. M. Jurgens en mr. R. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier.

griffiervoorzitter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.