Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Noord-Holland, 23 april 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:14088Zaaknummer HAA 24/7114
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 23 april 2026
- Publicatiedatum
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- HAA 24/7114
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Nadeelcompensatie - causaal verband niet aannemelijk gemaakt.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzitter, en mr. I.S. Burggraaff, en mr.dr. J.C. de Wit, leden, in aanwezigheid van mr.J.H. Bosveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.
| griffier | voorzitter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/7114
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V. en Victorie Plaza B.V., uit Schagen, eiseressen
(gemachtigde: mr. E. Hoekstra),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar
(gemachtigde: M. Blom).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseressen om nadeelcompensatie. Eiseressen zijn het hiermee niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het verzoek terecht heeft afgewezen. Eiseressen krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseressen hebben op 30 juni 2017 en 31 januari 2018 het college verzocht om planschadevergoeding en nadeelcompensatie.
De rechtbank heeft de beslissing, voor zover die betrekking heeft op (het niet beslissen op) het verzoek om nadeelcompensatie, in haar uitspraak van 24 januari 2023 vernietigd en het college opgedragen daarover alsnog een beslissing te nemen.
Het college heeft ter uitvoering van deze uitspraak Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) verzocht advies uit te brengen.
Op 28 september 2023 heeft SAOZ geadviseerd over de verzochte nadeelcompensatie.
Met het besluit van 19 september 2024 heeft het college het verzoek om nadeelcompensatie afgewezen.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiseressen hebben aanvullend – op 15 januari 2026 – een schaderapportage gedateerd 22 december 2023, een schadeberekening, een accountantsopgave en correspondentie overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiseressen, mr. [naam 3] (kantoorgenoot van gemachtigde), drs.ing. [naam 1] (werkzaam bij Victorie Plaza) en de gemachtigde van het college. Tevens heeft drs. [naam 2] (senior adviseur, verbonden aan SAOZ) online deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
3. Het verzoek om nadeelcompensatie ziet op schade die eiseressen stellen te hebben geleden als gevolg van uitvoeringshandelingen voortvloeiende uit de omgevingsvergunning van 8 december 2012. De rechtbank overweegt inleidend daartoe het volgende.
4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)) volgt dat in het bestuursrecht, voor de beantwoording van de vraag of eiseressen schade hebben geleden en zo ja, in welke omvang, zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht.[_bf6ba33c-d7ff-4dc0-bc6b-e5189371f377] Dit betekent – in onderhavige zaak – dat eiseressen de schade en het causale verband (in de zin van het condicio sine qua non-verband) dienen te stellen en, bij een gemotiveerde betwisting daarvan door het college, aannemelijk dienen te maken.
5. Wat betreft de vraag of schade is geleden dienen eiseressen slechts de feiten te stellen waaruit kan worden afgeleid dat zij schade hebben geleden.[_ca2072e0-d4ac-4820-a270-59dc5d263c72] Het causaal verband (in de zin van het condicio sine qua non-verband) dient, ook bij gestelde nadeelcompensatie, te worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen enerzijds de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan en anderzijds de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de beweerdelijk schadeveroorzakende gebeurtenis achterwege was gebleven.[_dfb51058-dafd-4233-a4d9-7f90d6e81af4]
6. Eiseressen voldoen aan hun stelplicht door alle onmisbare feitelijke elementen te benoemen en de gestelde schade en het causale verband, bij voorkeur te onderbouwen met stukken, waaronder een schaderapportage. Bij gebreke van het voldoen aan deze stelplicht kan de vordering tot nadeelcompensatie worden afgewezen. Dit geldt ook indien wel is voldaan aan de stelplicht, maar deze gemotiveerd is betwist en de feiten die ten grondslag zijn gelegd aan de vordering niet in voldoende mate zijn komen vast te staan voor de rechter.[_a8e0d6cc-78d7-4e99-af93-d67f27d63ee8] Het bewijsrisico voor het ontbreken van het causaal verband ligt bij eiseressen indien zij er niet in slagen te bewijzen dat de schade het gevolg is van de gestelde schadeoorzaak.
Werkzaamheden
7. De rechtbank overweegt, aan de hand van vorengaande, in onderhavige zaak het volgende. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de uit de omgevingsvergunning van 8 november 2012 voortvloeiende werkzaamheden bestonden uit het verrichten van aanpassingen op het aanleggen van de nieuwe (bouw)weg, het parkeerterrein, het herinrichten van het gedeelte Terborchlaan tussen de bocht en de opstelvakken, het maken van een nieuwe aansluiting van de Terborchlaan op de N512 en het opheffen van de oude aansluiting op de N512. Deze uitvoeringswerkzaamheden hebben plaatsgevonden in de periode van september 2013 tot en met juli 2016. Dat het fitnesscentrum gedurende de werkzaamheden slecht(er) bereikbaar was vindt in voldoende mate steun in de door eiseressen overgelegde notulen van de vergadering van 28 oktober 2013 en de (e-mail)correspondentie uit 2014.
8. Bovenstaande maakt nog niet dat eiseressen daarom schade hebben geleden en dat deze schade het gevolg is geweest van de uitgevoerde werkzaamheden. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Schade en causaal verband
9. Ter ondersteuning van de stelling dat eiseressen schade hebben geleden wordt verwezen naar de overgelegde schaderapportage, opgemaakt en op de zitting toegelicht door de heer [naam 1]. In de schaderapportage wordt vermeld dat het aantal leden gedurende de overlastperiode met 31,6% is gedaald en de omzet met 35,2% is afgenomen (paragraaf 2.2 uit het rapport van 22 december 2023). Het gemiddelde aantal leden daalde in 2013 naar 3.947 (een daling van 4%). In 2014 en 2015 daalde het gemiddeld aantal leden naar 3.407 (een daling van 14%), respectievelijk naar 2.983 (een daling van 12%) (paragraaf 2.4). De omzet daalde daarin mee (paragraaf 4.1). Op zichzelf zijn deze cijfers niet door het college betwist, op grond waarvan de rechtbank uitgaat van de juistheid hiervan.
10. Eiseressen hebben gesteld dat deze omzetdalingen het directe gevolg zijn van de voornoemde uitvoeringswerkzaamheden. Ter onderbouwing beroepen eiseressen zich op foto’s van de situatie op de weg en de overgelegde correspondentie tussen eiseressen en het college ten tijde van de uitvoeringsperiode. In de schaderapportage wordt gesteld dat bij een ontwikkeling van de ledenaantallen, zonder overlastperiode waarbij aansluiting is gezocht bij de gemiddelden van de fitnessbranche, de gemiddelde aantallen leden in 2013, 2014 en 2015 uit zouden komen op 4.014, respectievelijk 4.086 en 4.251 (paragraaf 3).
11. Het standpunt van eiseressen dat de gestelde schade het gevolg is van de uitvoeringswerkzaamheden is gemotiveerd betwist door het college. Op basis van de omzetcijfers van eiseressen over de jaren 2011 tot en met 2016 heeft SAOZ geconcludeerd dat al vanaf begin 2013 de omzet aanmerkelijk was gedaald ten opzichte van dezelfde periode in 2012. Deze omzetdaling kan volgens SAOZ niet worden toegeschreven aan de werkzaamheden, nu die eerst in het najaar van 2013 zijn aangevangen. Nu geen sprake is geweest van – kort gezegd – algehele wegafsluitingen kan, volgens SAOZ, de verdere daling van de omzet in 2014 en 2015 niet zonder meer worden toegeschreven aan de werkzaamheden die verband hielden met de wegverlegging. Daarnaast wordt in het door eiseressen overgelegde schaderapport geen onderscheid gemaakt tussen de overlast die het gevolg is van de uitvoering van de wegverlegging en de overlast die het gevolg is geweest van de verbouwing van De Meent, die in dezelfde periode plaatsvond en die geen onderdeel uitmaakte van de werkzaamheden vanwege de verleende omgevingsvergunning. Dat is wel relevant, omdat eiseressen stellen dat zij ook overlast hebben ondervonden van de verbouwing van De Meent.
12. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk gemaakt dat het nadeel dat is geleden het gevolg is van de uitvoeringswerkzaamheden en zijn eiseressen aldus niet geslaagd in het leveren van bewijs van de gestelde causaliteit, ook niet met wat ter zitting nog is toegelicht door de heer [naam 1]. Evenmin is de causaliteit op grond van de overgelegde foto’s en correspondentie vast te stellen. Dit maakt dat de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten niet in voldoende mate zijn komen vast te staan en dat het beroep gericht tegen het besluit waarbij het verzoek tot nadeelcompensatie is afgewezen, niet slaagt.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseressen krijgen het betaalde griffierecht niet terug en evenmin is aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzitter, en mr. I.S. Burggraaff, en mr.dr. J.C. de Wit, leden, in aanwezigheid van mr.J.H. Bosveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.
| griffier | voorzitter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Vgl. ABRvS van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2421.
- Vgl. HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5211.
- Vgl. ABRvS van 30 november 2022, ECLI:RVS:2022:3510.
- Vgl. HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:182.
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.