Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Noord-Holland, 8 oktober 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:13695Zaaknummer C/15/381242
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/15/381242
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Kort geding
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De vrouw en de man waren gehuwd en zijn in 2026 gescheiden. De voorzieningenrechter heeft op vordering van de vrouw de man op 15 juli 2025 een straat- en contactverbod opgelegd voor de duur van een jaar. De vrouw wil dat opnieuw een straat- en contactverbod wordt opgelegd, eveneens voor de duur van een jaar. De man betwist dat daarvoor enige grond bestaat. De voorzieningenrechter wijst het contactverbod op grond van een belangenafweging toe en wijst het straatverbod af.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
verbiedt de man gedurende twaalf maanden na betekening van dit vonnis – anders dan via zijn advocaat – persoonlijk, schriftelijk, telefonisch of anderszins contact op te nemen met de vrouw,
veroordeelt de man tot het betalen van een dwangsom van € 500,00 voor iedere keer dat de man het onder 5.1 genoemde verbod overtreedt met een maximum van € 5.000,00,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 en 5.2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026. |
1998
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/381242 / KG ZA 26-484
Vonnis in kort geding van 8 oktober 2026
in de zaak van
[eiser 1],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Bayraktar,
tegen
[eiser 2],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. F. Ayar.
De zaak in het kort
De vrouw en de man waren gehuwd en zijn in 2026 gescheiden. De voorzieningenrechter heeft op vordering van de vrouw de man op 15 juli 2025 een straat- en contactverbod opgelegd voor de duur van een jaar.
De vrouw wil dat opnieuw een straat- en contactverbod wordt opgelegd, eveneens voor de duur van een jaar. De man betwist dat daarvoor enige grond bestaat.
De voorzieningenrechter wijst het contactverbod op grond van een belangenafweging toe en wijst het straatverbod af.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 augustus met vijf producties- de conclusie van antwoord- de mondelinge behandeling van 30 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De vrouw en haar advocaat waren bij de mondelinge behandeling aanwezig, de advocaat van de man ook. De man was niet aanwezig in verband met werkzaamheden in Duitsland waarvan de man volgens zijn advocaat niet tijdig kon terugkeren.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
De vrouw en de man zijn op 10 oktober 2022 in [plaats 2] met elkaar getrouwd en woonden in [plaats 3].
De vrouw heeft de Nederlandse en de Turkse nationaliteit, de man heeft de Turkse nationaliteit.
De vrouw heeft in 2025 een melding gedaan over de man bij de IND en tegen de man aangifte gedaan vanwege een geweldsincident met een mes.
De IND heeft de verblijfsvergunning van de man ingetrokken; hiervoor loopt nog een procedure. De aangifte van de vrouw heeft geleid tot een strafrechtelijke vervolging van de man. Die procedure is nog niet geëindigd.
De vrouw heeft op 18 juni 2025 een kort geding aanhangig gemaakt en tegen de man contact- en straatverbod gevorderd. De verboden zijn op 15 juli 2025 voor de duur van een jaar toegewezen.
De vrouw is na de relatiebreuk in [plaats 1] gaan wonen.
Bij beschikking van 4 maart 2026 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 24 juni 2026 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3 Het geschil
De vrouw vordert – samengevat – dat aan de man een straat- en contactverbod wordt opgelegd voor de duur van een jaar.
De vrouw legt aan de vordering samengevat het volgende ten grondslag.
Vrijwel direct na het eindigen van het straat- en contactverbod is de man opnieuw contact met de vrouw gaan zoeken. De man begon de vrouw meerdere malen telefonisch te benaderen, waaronder gedurende de nachtelijke uren. Daarbij belde hij vanaf zijn eigen telefoonnummer. Wanneer de vrouw de telefoon opnam, zei de man niets en bleef het stil aan de andere kant van de lijn.
Tegen de achtergrond van hetgeen zich gedurende het huwelijk heeft voorgedaan, het ernstige geweldsincident in maart 2025 en de omstandigheid dat eerder een rechterlijk straat- en contactverbod noodzakelijk is gebleken, ervoer de vrouw de nachtelijke en zwijgende telefoontjes als bijzonder intimiderend. De man is enige tijd later ook daadwerkelijk in de straat verschenen waar de vrouw verbleef. Voor de vrouw was zijn aanwezigheid niettemin zeer beangstigend. Daarnaast wordt de vrouw ook via diverse sociale media en andere communicatieplatforms benaderd door familieleden van de man, waaronder neven en nichten. De vrouw vreest dan ook dat de gedragingen van de man zich zullen voortzetten en mogelijk verder zullen escaleren nu de eerder door de rechtbank opgelegde beperkingen niet langer gelden. De gebeurtenissen hebben haar gevoel
van veiligheid opnieuw ernstig aangetast.
De vrouw maakt zich ernstig zorgen over de gemoedstoestand van de
man. De man heeft in korte tijd te maken gekregen met de echtscheiding, haar aangifte, de melding bij de IND en de gevolgen die dit mogelijk voor zijn verblijfsrecht heeft gehad. Gelet op de eerdere geweldsincidenten en bedreigingen vreest de vrouw dat deze omstandigheden bij de man tot verdere boosheid en escalatie kunnen leiden. Deze vrees wordt voor haar versterkt doordat de man, nadat het eerdere straat- en contactverbod was geëindigd, vrijwel onmiddellijk opnieuw toenadering tot haar heeft gezocht.
De vrouw is inmiddels al ongeveer een jaar onder behandeling van een psycholoog
om de traumatische ervaringen die zij als gevolg van het handelen van de man heeft
opgelopen te verwerken. Zij probeert met professionele begeleiding haar gevoel van
veiligheid terug te krijgen, de gebeurtenissen een plaats te geven en haar leven
opnieuw op te bouwen. De nachtelijke telefoontjes en zijn aanwezigheid in haar woonomgeving brengen de eerdere angstgevoelens opnieuw naar boven en doorkruisen het herstel waaraan de vrouw het afgelopen jaar met behulp van haar psycholoog heeft gewerkt.
Daarbij weegt voor de vrouw zwaar dat de man haar in het verleden uitdrukkelijk heeft bedreigd en tegen haar heeft gezegd dat hij haar nooit met rust zou laten. Deze bedreigingen beperkten zich niet alleen tot haarzelf, de man heeft tevens gedreigd haar familie niet met rust te zullen laten. In combinatie met de voorgeschiedenis, de eerdere bedreigingen, het geweld en de recente gedragingen van de man maakt dit dat zij ernstig vreest dat hij haar niet uit eigen beweging met rust zal laten.
De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
De man voert samengevat het volgende aan. Deze procedure is een volgende stap in een reeks van door de vrouw geïnitieerde acties tegen de man, zonder dat daarvoor een deugdelijke en actuele feitelijke grondslag bestaat. De vrouw tracht met steeds nieuwe, niet onderbouwde beschuldigingen de man in een kwaad daglicht te stellen en hem te blijven belasten, kennelijk met als doel hem te schaden, ook in verband met zijn verblijfspositie in Nederland. De man betwist met de grootst mogelijke stelligheid dat hij, na het verstrijken van het eerdere verbod, op enige wijze – direct of indirect, in persoon, telefonisch, schriftelijk, digitaal of via derden – contact heeft gezocht met vrouw. Hij betwist evenzeer, en al even nadrukkelijk, dat hij zich heeft begeven in de straat of in de directe omgeving van de woning van vrouw. De vrouw kan geen enkel concreet, verifieerbaar incident noemen dat zich na afloop van het eerdere verbod heeft voorgedaan. Er is geen enkel objectief, verifieerbaar bewijs dat de man verantwoordelijk is voor enige oproep, laat staan voor herhaald of intimiderend gedrag. De man heeft, na een lange en slepende periode van conflicten, eindelijk rust gevonden. De echtscheiding is uitgesproken. Voor de man is daarmee een nieuw hoofdstuk aangebroken. Hij heeft geen enkele behoefte aan hernieuwd contact met vrouw, wenst niet in haar nabijheid te verkeren en wil vooral met rust gelaten worden.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Het gaat om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat de eisende partij daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vorderingen van de vrouw.
Een straat- en contactverbod zoals de vrouw vordert, is een ingrijpende maatregel die inbreuk maakt op het recht op persoonlijke vrijheid, waaronder begrepen het recht dat iedereen heeft om zich vrij te verplaatsen. Een straat- en contactverbod kan (in beginsel) alleen worden toegewezen als sprake is van ernstig onrechtmatig handelen en van concreet gevaar voor herhaling daarvan. De voorzieningenrechter moet vervolgens alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking nemen en de betrokken belangen van partijen afwegen om te beoordelen of dat verbod, zoals gevorderd, kan worden gerechtvaardigd. Het is daarbij aan de vrouw om dat gevaar voor herhaling aannemelijk te maken.
De vrouw heeft niet voldoende aannemelijk weten te maken dat de man na afloop van het eerdere straat- en contactverbod medio juli van dit jaar contact met de vrouw heeft gezocht en in de straat van haar woning in [plaats 1] is geweest. De vrouw heeft niet gesteld wanneer de man precies met haar contact heeft gezocht. Zij heeft ter onderbouwing enkel een ongedateerd screenshot van haar telefoon in het geding gebracht met een oproep om 3:14 uur vanaf een mobiel telefoonnummer dat eindigt op 57 22. Volgens de advocaat van de man is dat niet het nummer van de man. De vrouw heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat de man twee telefoonnummers heeft. De advocaat van de man heeft vervolgens het door de vrouw genoemde nummer gebeld en daarbij zijn telefoon op de luidsprekerstand gezet. Er volgde een standaard voice-mailbericht waaruit niet viel op te maken dat het om een mobiel nummer van de man gaat.
De vrouw heeft ook niet concreet andere momenten genoemd waarop de man haar telefonisch zou hebben benaderd. Ook heeft zij niet gesteld waar en wanneer de man in haar straat zou zijn geweest. De advocaat van de vrouw heeft toegelicht dat de man is gezien door bekenden van de vrouw. De vrouw heeft echter geen schriftelijke verklaringen in het geding gebracht van personen uit haar omgeving die de man in de straat van de vrouw hebben gezien. Dit had wel van de vrouw mogen worden verwacht. Waar het gaat om contact door of via familieleden van de man heeft de vrouw enkel een ongedateerd screenshot in het geding gebracht van een bericht van [betrokkene] met de tekst ‘hoi [naam] hoe gaat het met je’. Dit is volgens de vrouw een nicht van de man.
De man heeft niet betwist dat [betrokkene] een nicht was hem is. Dit enkele bericht is echter op zichzelf niet voldoende om het gevorderde contactverbod te rechtvaardigen. De man heeft immers betwist dat dat hij via familieleden, vrienden of andere derden contact met de vrouw heeft laten zoeken of laten leggen. Dat [betrokkene] op verzoek van de man contact met de vrouw heeft opgenomen is niet voldoende aannemelijk geworden.
De door de vrouw gegeven onderbouwing van haar vordering is gelet op de geldende juridische maatstaf onvoldoende om het gevorderde straatverbod toe te wijzen. Dat deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.Voor het contactverbod ligt dat in dit geval anders.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter de advocaat van de man gevraagd welk belang de man heeft bij het niet toewijzen van het gevorderde contactverbod nu hij zelf ook helemaal geen contact met de vrouw wil en door haar met rust wenst te worden gelaten. De advocaat van de man heeft toen laten weten dat een dergelijke veroordeling mogelijk nadelig kan uitwerken voor de man in zijn procedure tegen de IND. De voorzieningenrechter heeft daarop geantwoord dat dat vooral zal afhangen van de voor een contactverbod gegeven motivering. De advocaat van de man heeft aangevoerd dat de man in het kader van het beschermen van de openbare orde een verblijfsvergunning kan worden geweigerd of verliezen. De voorzieningenrechter heeft de advocaat van de man daarop voorgehouden dat de (bescherming van de) openbare orde in onderhavige zaak niet speelt. De advocaat van de man heeft vervolgens toegelicht zich enkel voor wat betreft het contactverbod te willen refereren aan het oordeel van de voorzieningenrechter.
De man heeft niet weersproken dat de vrouw onder behandeling is van een psycholoog vanwege het verwerken van gebeurtenissen tijdens de relatie met de man. Voldoende aannemelijk is dat een contactverbod positief kan bijdragen aan die behandeling, omdat het kan voorkomen dat de behandeling wordt verstoord doordat de man contact met de vrouw zoekt, of de vrees dat dit gebeurt. Gezien dat belang van de vrouw en de stelling van de man dat hij geen enkele behoefte (meer) heeft aan contact met de vrouw zal de voorzieningenrechter het gevorderde contactverbod toch toewijzen, ook al is niet aannemelijk geworden dat de man na afloop van het eerdere contactverbod contact met de vrouw heeft opgenomen. De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd.
De man heeft in zijn conclusie van antwoord nog verzocht te bepalen dat vrouw de man niet langer zonder voldoende feitelijke grondslag mag belasten met beschuldigingen van contact zoeken, stalking of aanwezigheid in haar woonomgeving. Op dat verzoek wordt niet inhoudelijk beslist omdat het niet in de stukken als zelfstandige tegenvordering is aangekondigd en door beide partijen ook ter zitting niet als zodanig is benoemd.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
verbiedt de man gedurende twaalf maanden na betekening van dit vonnis – anders dan via zijn advocaat – persoonlijk, schriftelijk, telefonisch of anderszins contact op te nemen met de vrouw,
veroordeelt de man tot het betalen van een dwangsom van € 500,00 voor iedere keer dat de man het onder 5.1 genoemde verbod overtreedt met een maximum van € 5.000,00,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 en 5.2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026. |
1998
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.