Uitspraak · Burgerlijk procesrecht

Rechtbank Noord-Holland, 3 maart 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:13689Zaaknummer C/15/374340

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/15/374340
Rechtsgebied
Civiel recht, Burgerlijk procesrecht
Procedure
Kort geding
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Executiegeschil over al dan niet verbeurde dwangsommen i.v.m nakomen door moeder van omgangsregeling. Executie geschortst

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1.

schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van deze rechtbank van 1 augustus 2025, voor zover voor zover deze betrekking heeft op de door man aangezegde verbeurte van € 800,00 aan dwangsommen,

6.2.

bepaalt dat die dwangsommen niet zijn verbeurd,

6.3.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1 en 6.2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De zaak in het kort
  2. 2 De procedure
  3. 3 De feiten
  4. 4 Het geschil
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/374340 / KG ZA 26-55

Vonnis in kort geding van 3 maart 2026 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser],

te [plaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.J. van der Vlis,

procederend met toevoeging verleend door de Raad voor Rechtsbijstand met toevoegingsnummer 4RC2068,

tegen

[gedaagde],

te [plaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. S.A.S. Mattheij.

1 De zaak in het kort

Deze zaak, een executiegeschil, gaat over de vraag of de vrouw op grond van twee eerdere vonnissen in kort geding van deze rechtbank uit 2025 € 800,00 aan dwangsommen heeft verbeurd omdat de vrouw het minderjarige kind van partijen op 26 december 2025 en de dagen daarna niet aan de man heeft overgedragen. In die vonnissen is een omgangsregeling bepaald tussen de man en het kind.

De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat de vrouw de dwangsommen niet heeft verbeurd.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 5 februari 2026 met producties 1 tot en met 9- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 38- de producties van 10 en 11 van de vrouw- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van de vrouw- de pleitnota van de man.

2.2.

Uitspraak is bij vervroeging bepaald op heden.

3 De feiten

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

3.2.

Uit deze relatie is op 28 januari 2024 geboren het minderjarige kind [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]).

3.3.

Partijen hebben gezamenlijk gezag over [minderjarige 1].

3.4.

De man heeft uit een eerdere relatie twee andere minderjarige zonen: [minderjarige 2] (geboren in 2017) en [minderjarige 3] (geboren in 2019). Zij verblijven afwisselend bij hun moeder en de man.

3.5.

Bij vonnis in kort geding van 11 april 2025 (C/15/363550 /KG ZA 25-170) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank een voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] vastgesteld. De daarin genoemde overdrachtslocaties zijn een speeltuin in [plaats 3] (hierna: de speeltuin) en kinderopvang [bedrijf 1] (hierna: het kinderdagverblijf).

3.6.

Bij vonnis in kort geding van 1 augustus 2025 (C/15/367379 / KG ZA 25-460) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bepaald dat [minderjarige 1]

“In de week waarin halfbroers [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in het weekend bij de vader verblijven: op vrijdag wordt opgehaald door de vader bij kinderopvang [bedrijf 1] en hij [minderjarige 1] op

dinsdagochtend naar de kinderopvang [bedrijf 1] terugbrengt;

In de andere week: op maandag wordt opgehaald door de vader bij kinderopvang [bedrijf 1] en [minderjarige 1] op woensdagochtend weer door hem naar de kinderopvang [bedrijf 1] wordt gebracht;”

Ook heeft de voorzieningenrechter in dat vonnis de man en de vrouw veroordeelt om aan elkaar een dwangsom te betalen voor iedere dag dat zij zich niet houden aan deze zorgregeling. De door de man te betalen dwangsom is bepaald op € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan het vonnis voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt. Voor de vrouw is dat € 200,00 met een maximum van € 5.000,00.

3.7.

Bij vonnis in kort geding van 10 november 2025 (C/15/370365 /KG ZA 25-636) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank onder meer bepaald dat [minderjarige 1] “op eerste kerstdag bij de moeder verblijft en op tweede kerstdag bij vader, waarbij de overdracht van [minderjarige 1] op tweede kerstdag van de moeder naar de vader plaatsvindt om 8.30 uur onder begeleiding van bureau [bedrijf 2] op kosten van de vader;”

3.8.

Hierna is tussen advocaten van partijen overleg geweest over de overdrachtslocatie op tweede kerstdag. Daarover is toen geen overeenstemming bereikt.

3.9.

De man heeft de voorzieningenrechter op 18 november verzocht om het vonnis van 10 november aan te vullen omdat niet is beslist op het verzoek van de man dat de vrouw [minderjarige 1] op tweede kerstdag naar de man brengt en geen beslissing is genomen over de overdrachtslocatie. In de brief wordt herhaald waarom de man van mening is dat de vrouw [minderjarige 1] naar hem moet brengen: hij kan zijn twee andere kinderen niet elders onderbrengen en het is niet wenselijk als zij met de man mee zouden moeten gaan naar een overdracht op een externe locatie.

3.10.

Ook de vrouw heeft de voorzieningenrechter verzocht om duidelijkheid te verschaffen over de overdrachtslocatie. De vrouw schrijft onder meer dat en waarom dat de speeltuin moet zijn en dat en waarom zij [minderjarige 1] niet naar de woning van de man kan brengen. Zij schrijft een trauma te hebben opgelopen dat in belangrijke mate verband houdt met de woonomgeving van de man.

3.11.

De griffie van de rechtbank heeft partijen op 19 november namens de voorzieningenrechter bericht dat het vonnis geen omissie bevat.

3.12.

De advocaten van partijen hebben hierna gecorrespondeerd over de locatie waar de vrouw [minderjarige 1] op 26 december aan de man zou overdragen. Ook partijen hebben daarover met bureau [bedrijf 2] contact gehad.

3.13.

De vrouw heeft de man via bureau [bedrijf 2] naast de speeltuin ook het kinderdagverblijf als plaats van overdracht voorgesteld. De man heeft bureau [bedrijf 2] laten weten met geen van beide locaties te kunnen instemmen vanwege (de zorg voor) [minderjarige 2] en [minderjarige 3].

3.14.

Bureau [bedrijf 2] heeft zich op het standpunt gesteld dat partijen op dit punt zelf tot overeenstemming moeten komen en als dat niet lukt bureau [bedrijf 2] de overdracht van [minderjarige 1] niet kan begeleiden.

3.15.

Op 26 december heeft de vrouw de man en advocaten van partijen geschreven dat zij en [minderjarige 1] om 08.30 uur bij de speeltuin waren en dat zij [minderjarige 1] later die dag ook bij het kinderdagverblijf aan de man kan overdragen onder begeleiding van bureau [bedrijf 2].

3.16.

[minderjarige 1] heeft van 26 december tot en in de ochtend van 29 december bij de vrouw verbleven.

3.17.

Op 7 januari 2026 heeft de man bij deurwaardersexploit de vrouw aangezegd dat zij zich in de periode 26 tot en met 29 december 2025 niet heeft gehouden aan de voorlopige zorgregeling zoals vastgesteld in het vonnis van 1 augustus 2025 en dat de man daarom een bedrag van € 800,00 aan dwangsommen is verschuldigd. De vrouw is bevel gedaan om binnen twee dagen € 1.083,37 aan de man te betalen en aangezegd dat als de vrouw niet betaalt, het vonnis ten uitvoer zal worden gelegd.

3.18.

De vrouw heeft niet betaald.

3.19.

De man heeft op 30 januari 2026 voor een bedrag van € 1.430,35 executoriaal beslag gelegd onder de werkgever van de vrouw op haar loon.

4 Het geschil

4.1.

De vrouw vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 1 augustus 2025, voor zover deze betrekking heeft op de gestelde verbeurte van dwangsommen en bepaling dat geen dwangsommen zijn verbeurd, althans dat de man niet tot executie daarvan mag overgaan, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure inclusief nakosten.

4.2.

De vrouw legt aan de vordering, samengevat, het volgende ten grondslag.

In het vonnis van 10 november 2025 heeft de voorzieningenrooster geen dwangsom gekoppeld aan het niet meewerken door de vrouw aan de daarin omschreven overdracht van [minderjarige 1] op tweede kerstdag. De vrouw kan dan ook geen dwangsom zijn verbeurd. Daarnaast is het niet aan de vrouw toe te rekenen dat er geen overdracht heeft plaatsgevonden. Dit is geheel een gevolg van de opstelling van de man.

De vrouw was met [minderjarige 1] op tweede kerstdag voor de overdracht aan de man op tijd aanwezig bij de speeltuin. De man is daar niet verschenen. De vrouw mocht ervan uitgaan dat de overdracht bij de speeltuin zou plaatsvinden. De voorzieningenrechter heeft de speeltuin in april 2025 immers als plek voor de overdracht aangewezen. Bureau [bedrijf 2] heeft de overdracht daar ook vaker gefaciliteerd. Ook heeft voorzieningenrechter laten weten dat er geen sprake was van een omissie in het vonnis van 10 november 2025.

De vrouw heeft op de mondelinge behandeling voorafgaand aan het vonnis van 10 november 2025 nadrukkelijk aangegeven uitvoering te zullen geven aan de

overdracht op de door de voorzieningenrechter vastgestelde – neutrale  locatie, te weten

de speeltuin. Als de man ervoor kiest daaraan geen uitvoering te geven, is

het uitblijven van overdracht volledig het gevolg van het handelen van de man.

De vrouw heeft ook opengestaan voor een overdracht bij het kinderdagverblijf.

4.3.

De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

De man voert, samengevat, het volgende aan.

Het vonnis van 10 november 2025 is een nadere uitwerking van de overdracht tijdens de kerstdagen. De bij vonnis van 1 augustus 2025 bepaalde dwangsommen zijn hierop van

toepassing. Het gaat immers om de uitvoering van de zorgregeling. Conform die regeling zou [minderjarige 1] immers al van vrijdag 26 december na zijn verblijf op het kinderdagverblijf tot dinsdagochtend bij de man verblijven. De voorzieningenrechter heeft in het vonnis van 10 november 2025 uitsluitend een aanvullende uitspraak gedaan over de wijze waarop [minderjarige 1] vrijdag 26 december moet worden overgedragen omdat het kinderdagverblijf met kerst gesloten was.

De vrouw heeft geweigerd om [minderjarige 1] op 26 december aan de man over te dragen. Ook in de dagen daarna heeft er geen overdracht plaatsgevonden, waardoor de man [minderjarige 1] op 26, 27, 28 en (een deel van) 29 december heeft moeten missen. Pas op maandagochtend 29 december heeft de man [minderjarige 1] bij het kinderdagverblijf kunnen ophalen.

De vrouw is blijven vasthouden aan het vonnis van de voorzieningenrechter van 11 april 2025 waarbij de overdrachtslocatie was bepaald in de speeltuin. Bij het daarop volgende vonnis van 1 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter op verzoek van de vrouw deze overdrachtslocatie echter gewijzigd. Sindsdien vindt de overdracht plaats bij het kinderdagverblijf.

De vrouw is niet bereid gebleken om rekening te houden met [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Op tweede kerstdag had de man tevens de zorg over hen. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] volgen een traumabehandeling voor het huiselijk geweld dat tijdens de relatie van partijen heeft plaatsgevonden. In januari 2024 heeft er een huiselijk geweld incident plaatsgevonden bij de man thuis. Partijen hadden ruzie en de vrouw heeft de man geslagen en spullen door het huis gegooid. Daarna is de vader van de vrouw tussen beiden gekomen en heeft de man in de wurggreep gehouden waardoor een worsteling ontstond. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] waren hierbij aanwezig. Zij waren hier beiden erg van onder de indruk en dit had bij beiden effect op hun gedrag. Daarna is voor hen traumabehandeling ingeschakeld. Door de traumatherapeut is geadviseerd dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet in contact mogen komen met de vrouw omdat dit hun trauma kan versterken.

De man kon niet in de speeltuin zijn voor de overdracht, omdat hij de zorg had over [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Hij kon hen ook niet meenemen omdat de speeltuin op 200 meter ligt van de woning van de ouders van de vrouw en dit bij hen direct emoties van onveiligheid oproept.

Partijen hadden zich moeten conformeren aan het advies van bureau [bedrijf 2] om de overdracht in de nabijheid van de woning van de man te laten plaatsvinden. De voorzieningenrechter had immers bepaald dat bureau [bedrijf 2] de overdracht moest begeleiden.

Van de man kon in ieder geval niet verwacht worden dat hij voor de overdracht naar de speeltuin zou zijn gegaan, aangezien deze overdrachtslocatie eerder is komen te vervallen.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

In een executiegeschil waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een bevel tot nakoming (gebod) niet of onvoldoende is nageleefd, heeft de rechter niet tot taak de door de – in dit geval – voorzieningenrechter besliste rechtsverhouding opnieuw te beoordelen, maar dient hij zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter doel en strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9400). Daarbij dient de draagwijdte van het gebod in die zin beperkt te worden opgevat dat alleen dan een inbreuk op de veroordeling moet worden aangenomen indien een zodanige inbreuk — gelet op het belang waarvoor het is gegeven — in ernst niet kan worden betwijfeld (HR 20 mei 1994, NJ 1994, 652).

5.2.

Uitgaande van het hiervoor weergegeven toetsingskader overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

5.3.

Bij vonnis van 1 augustus 2025 is bepaald dat [minderjarige 1] met het oog op de omgang met de man door de man wordt opgehaald bij het in dat vonnis genoemde kinderdagverblijf en daar door de man na afloop van de omgang wordt teruggebracht. Aan deze veroordeling is voor beide partijen een dwangsom verbonden.

5.4.

Bij vonnis van 10 november 2025 is de zorgregeling, voor zover hier van belang, nader ingevuld voor de kerstdagen van 2025. Daarbij is bepaald dat [minderjarige 1] op eerste kerstdag bij de vrouw verblijft en op tweede kerstdag bij de man, waarbij de overdracht op tweede kerstdag van de vrouw naar de man plaatsvindt onder begeleiding van bureau [bedrijf 2] en op kosten van de man. Aan deze nadere regeling is in dit vonnis zelf geen dwangsom verbonden.

5.5.

Vast staat dat het in het vonnis van 1 augustus 2025 genoemde kinderdagverblijf gedurende de kerstdagen gesloten was. In verband daarmee heeft de man de voorzieningenrechter medio november 2025 verzocht om duidelijkheid omtrent de overdrachtslocatie. De voorzieningenrechter heeft op 19 november laten weten “dat het vonnis geen omissie bevat”. Partijen zijn vervolgens niet tot overeenstemming gekomen over een alternatieve locatie. De vrouw heeft [minderjarige 1] op 26 december niet aan de man overgedragen, en ook in de dagen daarna heeft geen overdracht plaatsgevonden, totdat de vrouw [minderjarige 1] in de ochtend van 29 december naar het kinderdagverblijf heeft gebracht waar de man [minderjarige 1] heeft opgehaald.

5.6.

De vraag is of daarmee sprake is van niet-nakoming van een veroordeling waaraan een dwangsom is verbonden. Dat is niet het geval.

5.7.

De dwangsom is verbonden aan de in het vonnis van 1 augustus 2025 omschreven wijze van overdracht, te weten via het daarin aangewezen kinderdagverblijf. Het vonnis van 10 november bevat voor de kerstdagen een afzonderlijke, nader ingevulde regeling, waarin – anders dan in het eerdere vonnis – geen specifieke (andere) overdrachtslocatie is aangewezen. De loop der gebeurtenissen heeft uitgewezen dat daardoor een probleem is ontstaan omdat de overdracht van [minderjarige 1] op de aangewezen locatie tussenkomst van het kinderopvangpersoneel veronderstelde en dat personeel vanwege de sluiting op tweede kerstdag niet aanwezig was.

5.8.

Uit de bewoordingen van het vonnis van 10 november 2025, gelezen in samenhang met het vonnis van 1 augustus 2025, blijkt niet duidelijk en ondubbelzinnig dat de eerder opgelegde dwangsom mede betrekking heeft op de in het latere vonnis geregelde overdracht op 26 december onder afwijkende omstandigheden. Evenmin volgt uit het vonnis van 10 november 2025 dat de vrouw gehouden was [minderjarige 1] over te dragen op een door bureau [bedrijf 2] voorgestelde locatie. Het vonnis specificeert ook niet wat die begeleiding moet inhouden.

5.9.

Partijen hebben via bureau [bedrijf 2] en hun advocaten overleg gevoerd om overeenstemming te bereiken over een locatie van overdracht. Dat is niet gelukt. Beide partijen hebben redenen aangevoerd waarom de door de ander voorgestelde locatie op grote bezwaren stuitte. De vrouw zou vanwege eerdere traumatische ervaringen niet nabij de woning van de man in [plaats 2] kunnen komen. Voor de man was het bezwaarlijk om zijn twee andere zoons mee te nemen naar een locatie anders dan zijn woning omdat dan de kans zou bestaan dat zij met de vrouw zouden worden geconfronteerd wat door hun traumatherapeut is afgeraden.

5.10.

Op de gegrondheid van de bezwaren de vrouw valt het een en ander af te dingen, maar dat geldt ook voor de door de man opgeworpen bezwaren tegen de door de vrouw voorgestelde locatie en doet er niet aan af dat van een met een dwangsom versterkte verplichting van de vrouw om zich aan het voorstel van de man te conformeren onder de geschetste omstandigheden geen sprake is. Voor verbeurte van een dwangsom is dat wel vereist.

5.11.

Voor zover in het betoog van de man besloten ligt dat de omstandigheden dat (1) beide vonnissen zien op een omgangsregeling tussen [minderjarige 1] en de man, (2) de omgangsregeling uit het eerste vonnis  behoudens de kerstdagen  met het tweede vonnis niet is gewijzigd en (3) aan de specifieke, in het vonnis van 10 november opgenomen regeling voor de overdracht op tweede kerstdag geen dwangsom is verbonden moeten meebrengen, althans toelaten, dat de dwangsombepaling in het vonnis van 1 augustus 2025 wordt geacht mede betrekking te hebben op de veroordeling in het vonnis van 10 november 2025, wordt het volgende opgemerkt.

5.12.

Ook indien veronderstellenderwijs zou moeten worden aangenomen dat dit het geval is, zou van niet-nakoming van de veroordeling pas sprake hebben kunnen zijn wanneer de man erop had aangedrongen dat de vrouw [minderjarige 1] op tweede kerstdag onder begeleiding van bureau [bedrijf 2] bij het (gesloten) kinderdagverblijf had overgedragen, waar de man (buiten zicht van de vrouw) klaar zou staan. Als de dwangsombepaling uit het vonnis van 1 augustus 2025 van toepassing is op het vonnis van 10 november 2025 en de daarin genoemde overdracht, moet dat bij gebrek aan een in het laatste vonnis genoemde alternatieve overdrachtslocatie, óók gelden voor de in het vonnis van 1 augustus 2025 genoemde plaats van overdracht, het kinderdagverblijf. Dat geldt temeer nu de aanleiding voor het vonnis van 10 november 2025 onder meer was gelegen in het geschil tussen partijen of [minderjarige 1] als hij door de vrouw naar het kinderdagverblijf was gebracht daar al kort daarna door de man kon worden opgehaald of dat de man dat pas aan het einde van de dag mocht doen.

5.13.

Uit de overgelegde communicatie tussen de vrouw en bureau [bedrijf 2] blijkt dat de bureau [bedrijf 2] het gebruik van de locatie van het kinderdagverblijf als overdrachtslocatie wel aan de man heeft voorgelegd, maar dat de man dit niet wilde. Ook als de man in zijn lezing zou worden gevolgd is het mislukken van de overdracht dan niet aan de vrouw te wijten.

5.14.

De slotsom van het voorgaande is dat de vordering moet worden toegewezen omdat er geen dwangsommen zijn verbeurd.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dat oordeel vindt tevens grond in de omstandigheid dat partijen door het gebrek aan duidelijkheid omtrent de samenhang tussen beide vonnissen naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid van mening konden verschillen over de precieze reikwijdte van de daaruit voortvloeiende verplichtingen.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1.

schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van deze rechtbank van 1 augustus 2025, voor zover voor zover deze betrekking heeft op de door man aangezegde verbeurte van € 800,00 aan dwangsommen,

6.2.

bepaalt dat die dwangsommen niet zijn verbeurd,

6.3.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1 en 6.2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.