Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Holland, 30 september 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:13485Zaaknummer K/4102/12108418

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30 september 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
K/4102/12108418
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Huur woonruimte. Beroep op dringend eigen gebruik onvoldoende aannemelijk.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en in het openbaar uitgesproken op

30 september 2026.

De griffier De kantonrechter

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: 12108418 \ CV EXPL 26-1056

Vonnis van 30 september 2026

in de zaak van

[eiser],

te [plaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. M.N. Mense,

tegen

[gedaagde],

te [plaats 1],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: [gemachtigde].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 17 februari 2026 met 4 producties,

- de conclusie van antwoord van 25 maart 2026 met 4 producties,

- het tussenvonnis van 22 april 2026;

- de mondelinge behandeling van 7 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan het adres [adres] te ( [postcode]) [plaats 1].

2.2.

[eiser] heeft dit pand gesplitst in drie zelfstandige woonruimtes: [adres] ( [toevoeging 1] ), [adres] ( [toevoeging 2]) en [adres] ( [toevoeging 3] ).

2.3.

De partner van [eiser], [betrokkene], heeft in 2020 een incomplete dwarslaesie opgelopen.

2.4.

Met ingang van 13 mei 2022 huurt [gedaagde] van [eiser] de woning op de eerste verdieping aan de [adres] ( [toevoeging 2]) tegen een aanvangshuurprijs van € 950,- en € 150,- aan voorschot servicekosten. Er is sprake van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd.

2.5.

Begin augustus 2025 heeft [eiser] zijn intrek genomen in de woning aan de [adres] ( [toevoeging 1] ). In oktober 2025 kwam ook de woning aan de [adres] ( [toevoeging 3]) vrij.

2.6.

[gedaagde] heeft bij e-mail van 26 augustus 2025 een lagere huurprijs voorgesteld, welk voorstel [eiser] heeft afgewezen. [eiser] heeft [gedaagde] in zijn reactie ook meegedeeld de huurovereenkomst te willen opzeggen wegens dringend eigen gebruik.

2.7.

[eiser] heeft bij brief van 29 augustus 2025 de huur met [gedaagde] tegen 30 november 2025 opgezegd wegens dringend eigen gebruik.

2.8.

Namens [gedaagde] heeft [gemachtigde] [eiser] telefonisch medegedeeld dat [gedaagde] niet met de opzegging instemt.

2.9.

[gedaagde] heeft op 9 september 2025 bij de Huurcommissie een verzoekschrift huurverlaging ingediend.

2.10.

[eiser] heeft [gedaagde] op 15 december 2025 een brief gestuurd omdat [gedaagde] in strijd met de huurovereenkomst een tweede persoon in het gehuurde laat verblijven.

2.11.

De Huurcommissie heeft, na een onderzoek ter plaatse op 8 oktober 2025, in haar uitspraak van 25 december 2025 de huurprijs met ingang van 1 november 2025 verlaagd tot € 277,64 per maand en het voorschotbedrag voor de servicekosten vastgesteld op € 251,25 per maand.

2.12.

[eiser] heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert ontbinding van de huurovereenkomst met betrekking tot de aan [gedaagde] verhuurde woonruimte, ontruiming van het gehuurde en veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik als bedoeld in artikel 7:274 lid1 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW).

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Geen dringend eigen gebruik

4.1.

De vraag die in deze procedure beantwoord moet worden is of [eiser] aannemelijk heeft gemaakt dat hij de woonruimte aan de [adres] ( [toevoeging 2] ), die [gedaagde] en zijn partner huren, [toevoeging 3] dringend nodig heeft voor eigen gebruik dat van hem niet kan worden gevergd de huurovereenkomst met [gedaagde] te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling de belangen van partijen tegen elkaar afwegen. Verder moet blijken dat [gedaagde] (en zijn partner) andere passende woonruimte kunnen krijgen.[_2894fb48-ee46-45cf-b711-559bd5f4733a]

4.2.

[eiser] heeft aangevoerd het gehuurde dringend nodig te hebben voor eigen gebruik vanwege het volgende. [eiser] is in juni 2024 in de nabijheid van zijn woning slachtoffer geworden van een geweldsmisdrijf en vreest dat zijn adres bij de dader bekend zal worden. [eiser] is daarom eind 2025 naar de [adres] ( [toevoeging 1]) verhuisd en wil daar nu gaan wonen met [betrokkene] en hun kind. Dat is op dit moment niet mogelijk, omdat [gedaagde] daar woont en de woning daardoor te klein is. Daarnaast is het voor [betrokkene] vanwege haar dwarslaesie moeilijk om vanuit haar huidige woning in [plaats 2] naar [plaats 1] te reizen voor haar werk. Haar werk zou vanaf het gehuurde binnen 5 minuten op de fiets te bereiken zijn. Ook ondervindt [betrokkene] in verband met haar nachtdiensten last van het vliegverkeer van Schiphol in haar woning in [plaats 2]. [gedaagde] heeft betwist dat sprake is van dringend eigen gebruik.

4.3.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] het dringend eigen gebruik onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. [toevoeging 3] strookt de door [eiser] gestelde vrees voor zijn veiligheid naar aanleiding van het gestelde geweldsmisdrijf in 2024 niet met zijn feitelijke woonsituatie. Vast staat dat [eiser] na het incident nog tot eind augustus 2025 in [plaats 2] is blijven wonen. Bovendien heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij ook op dit moment de helft van de tijd daar verblijft. Zonder nadere toelichting en feitelijke onderbouwing – die ontbreken – valt niet in te zien waarom het verblijf van [eiser] in [plaats 2] op dit moment tot veiligheidsproblemen leidt.

4.4.

Ook de gestelde toenemende geluidsoverlast van Schiphol en de impact daarvan op de nachtrust en gezondheid van [betrokkene] is onvoldoende komen vast te staan. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling verwezen naar een krantenartikel, waarin wordt vermeld dat de geluidsoverlast sinds 2018 juist is afgenomen, omdat de regering een limiet heeft gesteld aan het aantal vliegtuigen dat gebruik maakt van Schiphol en de lawaaierige vliegtuigen zijn vervangen door stillere toestellen. [eiser] heeft deze betwisting van [gedaagde] onweersproken gelaten. De stelling dat de gezondheid van [betrokkene] achteruitgaat als gevolg van de geluidsoverlast en het reizen naar haar werk vanuit [plaats 2], is op geen enkele wijze met (medische) stukken of een artsenverklaring onderbouwd. Aan het door [eiser] gedane bewijsaanbod gaat de kantonrechter voorbij, omdat dit aanbod onvoldoende is gespecificeerd en ieder begin van bewijs ontbreekt.

Conclusie

4.5.

De conclusie is dat de door [eiser] aangevoerde gronden naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aannemelijk zijn geworden voor het vereiste dringend eigen gebruik. Dit betekent dat een afweging van de belangen achterwege kan blijven en ook de vraag of [gedaagde] andere passende woonruimte kan krijgen geen beantwoording behoeft. De vorderingen van [eiser] worden dan ook afgewezen.

Proceskosten

4.6.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde€576,00(2 punten × € 288,00)
- nakosten€144,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€720,00

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en in het openbaar uitgesproken op

30 september 2026.

De griffier De kantonrechter

Voetnoten

  1. artikel 7:274 lid 1 onder c BW.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.