Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Holland, 6 oktober 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:13428Zaaknummer K/4101/12350851

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
K/4101/12350851
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Partijen hebben een relatie gehad en waren samen eigenaar van een woning. Tijdens de relatie zijn partijen een samenlevingsovereenkomst aangegaan. Na het einde van hun relatie zijn partijen tot afspraken gekomen die zijn opgenomen in een convenant. De vrouw vordert in deze zaak dat de man nog rente aan haar betaalt over haar meer-investering in de woning. De man voert gemotiveerd verweer. De kantonrechter wijst de vordring van de vrouw af.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen van de vrouw af,

5.2.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Voogd en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: 12350851 \ KG EXPL 26-132

Vonnis in kort geding van 6 oktober 2026

in de zaak van

[eiser],

te [plaats 1], gemeente [plaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: de vrouw,

gemachtigde: mr. C.J.P. Liefting,

tegen

[gedaagde],

te [plaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: de man,

gemachtigde: mr. A.N. Biersteker.

De zaak in het kort

Partijen hebben een relatie gehad en waren samen eigenaar van een woning. Tijdens de relatie zijn partijen een samenlevingsovereenkomst aangegaan. Na het einde van hun relatie zijn partijen tot afspraken gekomen die zijn opgenomen in een convenant. De vrouw vordert in deze zaak dat de man nog rente aan haar betaalt over haar meer-investering in de woning. De man voert gemotiveerd verweer. De kantonrechter wijst de vordering van de vrouw af.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 20 augustus 2026 met producties 1 tot en met 11,- de conclusie van antwoord,

- de schriftelijke reactie van de vrouw op de conclusie van antwoord,- de mondelinge behandeling van 22 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij de gemachtigde van de vrouw spreekaantekeningen heeft overgelegd.

1.2.

Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Partijen waren eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats 1] (hierna: de woning).

2.2.

Tijdens de relatie zijn partijen een samenlevingsovereenkomst aangegaan. Deze luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“FINANCIERING EN GEBRUIK VAN DE EIGEN WONING

Artikel 10

(…)

3. Partijen verklaren dat de verschenen persoon onder b. (lees: de vrouw, toevoeging rechtbank) genoemd een bedrag ad (…) (€ 344.714,67) meer in de aan de partijen gemeenschappelijk toebehorende woning (…) heeft geïnvesteerd dan de verschenen persoon onder a. genoemd. (lees: de man, toevoeging rechtbank)

Op grond van deze meerinvestering heeft de verschenen persoon onder b. genoemd een vordering op de verschenen persoon onder a. genoemd ter grootte van de helft van deze meerinbreng, te weten een bedrag ad (…) (€ 172.357,34).

Ten aanzien van deze vordering zijn partijen het navolgende overeengekomen:

(…)

- de vordering is opeisbaar bij:

a. levering van (een onverdeeld aandeel in) de (gemeenschappelijke) woning (waaronder begrepen economische eigendomsoverdracht);

b. het einde van de samenwoning;

- (…)

- gezien de aard van de rechtsverhouding tussen de partners is de vordering renteloos gedurende de samenwoning en zolang de vordering niet opeisbaar is, tenzij de partners schriftelijk een rente overeenkomen. Vanaf het opeisbaar worden van een vordering draagt de vordering een zodanige rente dat geen sprake is van een belastbare schenking. (…)

EINDE

Artikel 15

Deze overeenkomst eindigt op het tijdstip dat partijen in onderling overleg vaststellen, alsmede:

a. door opzegging door een partij, in welk geval de overeenkomst eindigt op het tijdstip dat in de opzegging is aangegeven; (…).”

2.3.

De affectieve relatie tussen partijen is in januari 2025 beëindigd. In verband hiermee heeft de vrouw op 14 januari 2025 de volgende e-mail om 12.47 uur aan de man gestuurd.

“(…) Hoewel nog onder één dak is onze relatie over en gaan we over tot afwikkeling van onze samenleving. Volgens onze samenlevingsovereenkomst dient er een ‘formeel moment’ te zijn dat geld als ‘het einde’ van de overeenkomst. Dit bericht is als zodanig bedoeld. Dit betekent dat per het moment van verzenden/door jou ontvangen daarvan onze overeenkomst geëindigd is. (…).”

2.4.

Op 1 december 2025 is de woning verkocht.

2.5.

Partijen zijn tot afspraken gekomen die zijn opgenomen in een document dat is getiteld “Convenant” (hierna: het convenant). Het convenant bevat concrete afspraken over de verkoopopbrengst, de hypotheek, de verdeling van bedragen en de betaling door de notaris.

2.6.

Partijen hebben uitvoering gegeven aan de financiële afwikkeling zoals opgenomen in het convenant.

2.7.

Op 31 maart 2026 is de woning geleverd.

2.8.

In een brief van 8 april 2026 heeft de vrouw aanspraak gemaakt op wettelijke rente over haar deel/inbreng in de woning op grond van artikel 10 lid 3 sub b van de samenleefovereenkomst. Deze brief luidt, voor zover hier van belang:

“Ik heb er bewust voor gekozen om de afwikkeling via de notaris niet te vertragen door de rentevordering daarin te betrekken. Dit laat mijn aanspraak op wettelijke rente onverkort in stand.”.

2.9.

De man betwist de rentevordering.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert – samengevat – veroordeling van de man tot betaling van € 11.672,21 aan wettelijk rente, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten van € 891,72, vermeerderd met rente en (proces)kosten.

3.2.

De vrouw legt aan de vordering ten grondslag dat partijen in de samenlevingsovereenkomst hebben afgesproken dat de vergoedingsvordering van de vrouw bij einde relatie opeisbaar was en de man ondanks meerdere aanschrijvingen weigert de wettelijke rente daarover te voldoen. De vrouw vordert daarom de wettelijke rente vanaf

14 januari 2025, zijnde de dag van beëindiging van de relatie door de opzegging van de vrouw, tot en met 31 maart 2026.

3.3.

De man voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Het toetsingskader in een kort geding

4.1.

Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom beoordelen of de vrouw ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder moet de kantonrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. De kantonrechter moet in dit verband ook een belangenafweging maken. Bovendien bestaat de vordering tot betaling van een geldsom, waardoor terughoudendheid op zijn plaats is. Bij de belangenafweging moet de kantonrechter

mede betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.

De vrouw heeft onvoldoende spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening.

4.2.

Eén van de vereisten om een vordering in een kort geding te kunnen toewijzen, is dus dat de partij die de vordering instelt voldoende spoedeisend belang heeft bij toewijzing daarvan. Het moet daarbij gaan om een situatie waarin, vanwege de feiten en omstandigheden van de zaak, het treffen van een onmiddellijke voorlopige voorziening noodzakelijk is en de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De kantonrechter is van oordeel dat de vrouw onvoldoende spoedeisend belang bij haar vordering en dat alle vorderingen alleen al om die reden moeten worden afgewezen.

4.3.

De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een zodanig spoedeisend belang heeft dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De vrouw heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Dat de vrouw facturen dient te betalen voor de verbouwing van haar nieuwe woning, leidt niet tot de conclusie dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Het enkele feit dat een bodemprocedure langer duurt dan een kortgedingprocedure levert geen spoedeisend belang op. De vrouw heeft, bijvoorbeeld, niet aangevoerd dat zij op dit moment in de financiële problemen raakt doordat zij – overigens betwiste en niet overgelegde – facturen moet betalen en bovendien op de mondelinge behandeling erkend dat zij de facturen wel kan betalen. Door de vrouw is niet inzichtelijk gemaakt dat zij niet aan haar betalingsverplichtingen vanwege de verbouwing kan voldoen. Het enkel stellen dat het vermogen van de vrouw in haar woning vast zit, is in elk geval onvoldoende.

Inhoudelijke gronden om de vorderingen af te wijzen.

4.4.

Ook als de kantonrechter tot het oordeel zou zijn gekomen dat de vrouw wel voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen had, zouden die vorderingen zijn afgewezen omdat de vrouw haar vordering onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De kantonrechter legt dit uit.

4.5.

De vrouw grondt haar vordering op de stelling dat haar inbreng in de woning op

14 januari 2025 opeisbaar is geworden door haar opzegging van de samenlevingsovereenkomst. Dat is de vraag, omdat de opeisbaarheid in de samenlevingsovereenkomst is gekoppeld aan het einde van de samenwoning en niet aan het einde van die overeenkomst. De vrouw heeft haar stellingen onvoldoende onderbouwd. Die voorgaande vraag hoeft de kantonrechter echter niet te beantwoorden Ook al zou het argument van de vrouw kloppen, dan nog is de man namelijk geen rente verschuldigd. In artikel 6:119 lid 1 BW is bepaald dat de wettelijke rente pas is verschuldigd als de schuldenaar in verzuim is. Dat sprake was van verzuim bij betaling van de inbreng is niet aannemelijk geworden. De vrouw heeft op dat punt geen ingebrekestelling overgelegd. Uit de samenlevingsovereenkomst blijkt niet dat de inbreng terstond opeisbaar was. De vrouw heeft bovendien ter zitting erkend dat zij pas bij haar brief van 8 april 2026 aanspraak heeft gemaakt op de wettelijke rente. In dit verband heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling erkend dat zij dit bewust zo heeft gedaan omdat zij anders vreesde dat de man niet tot ondertekening van het convenant zou overgaan. In het licht van deze feiten en omstandigheden had het op de weg van de vrouw gelegen verder te onderbouwen op grond waarvan zij alsnog aanspraak kan maken op de wettelijke rente over haar inbreng in de woning en op grond waarvan haar vordering opeisbaar is geworden. De vrouw heeft dit echter nagelaten zodat dit niet aannemelijk is geworden. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de man nog een rentevordering dient te betalen.

4.6.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de gevraagde voorziening wordt afgewezen.

Overige vorderingen

4.7.

De andere vorderingen (buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente) van de vrouw worden – ofwel gelet op het voorgaande, ofwel omdat de vrouw daarvoor onvoldoende grond heeft aangevoerd – afgewezen.

Proceskosten

4.8.

Partijen maken beiden aanspraak op een proceskostenverdeling. Gelet op de affectieve relatie die partijen hebben gehad is het evenwel uitgangspunt de kosten te compenseren. De kantonrechter ziet geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken en zij zal daarom de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen van de vrouw af,

5.2.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Voogd en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.