Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Noord-Holland, 23 september 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:13092Zaaknummer C/15/380500 / HA ZA 26-467
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/15/380500 / HA ZA 26-467
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Alkmaar
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Incident. Afgifte stukken. Artikel 4:78 BW.
De rechtbank
in het incident
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan [eiser] te overleggen:
1. de bankafschriften van de Rabobank-rekening eindigend op -311 over de periode 2019 t/m 2024 (sub. d);
2. de bankrekeningen van de ING-rekening [rekeningnummer] over de periode 2019 t/m datum opheffing (sub e.);
3. stukken met betrekking tot de belastingaangifte 2024 ten aanzien van moeder (sub k., zie onder 5.28);
4. de bankafschriften van de Rabobank-rekening eindigend op -311 over de periode 2012 t/m heden (sub. o);
5. de bankafschriften van de ING-rekening [rekeningnummer] over de periode 2019 t/m datum opheffing (sub p.);
6. een overzicht van alle aanwezige crypto bij BLOX of e-mailverkeer met BLOX waaruit blijkt dat dit overzicht niet voorhanden is (sub r., zie onder 5.17 en 5.17.1);
7. een waardering van Administratiekantoor [eiser] op datum overlijden vader (sub s.);
wijst het meer of anders gevorderde af,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 4 november 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagden],
houdt iedere verdere beslissing aan.
| Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vrugt en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/380500 / HA ZA 26-467
Vonnis in incident van 23 september 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats],
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. S.J. Hasselaar-Veltkamp,
tegen
1. [gedaagde sub 1], in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van de heer [erflater],
te [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2], in haar hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van de heer [erflater],
te [woonplaats] ,3. [gedaagde sub 3], in haar hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van de heer [erflater],
te [woonplaats] ,4. [gedaagde sub 4], in haar hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van de heer [erflater],
te [woonplaats] ,5. [gedaagde sub 5], in haar hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van de heer [erflater],
te [woonplaats],
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: gedaagden,
advocaat: mr. L.A.C.M. Bond.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met een incidentele vordering (artikel 4:78 BW), met producties 1-10;
- de conclusie van antwoord in het incident, met producties 1-26.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De feiten
De vader en moeder van [eiser] zijn op respectievelijk 31 oktober 2025 en 29 februari 2024 overleden.
[eiser] is in de nalatenschappen van zijn beide ouders onterfd, maar heeft op 10 december 2025 in beide nalatenschappen aanspraak gemaakt op zijn legitieme portie.
Gedaagde sub 1, [gedaagde sub 1], is in de nalatenschap van vader als executeur benoemd (hierna: de executeur). Hij heeft deze benoeming aanvaard. Gedaagden sub 2 tot en met 5 zijn allen erfgenamen in de nalatenschap van vader.
3 Het geschil in de hoofdzaak
In de hoofdzaak vordert [eiser] de legitieme portie van [eiser] in de nalatenschap van moeder en vader vast te stellen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook vordert [eiser] dat gedaagden worden veroordeeld in de (werkelijke) proceskosten.
4 Het geschil in het incident
[eiser] vordert in dit incident dat de rechtbank gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ieder hoofdelijk veroordeelt om binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken:
I. in de nalatenschap van moeder:
a. een waardering van de woning aan de [adres] te Zwaagdijk-Oost per datum overlijden moeder;
b. een overzicht van de sieraden, zoals gespecificeerd onder randnummer 25 van de dagvaarding;
c. een overzicht van de Rabobank met alle bankrekeningen op naam van moeder, met de saldi op datum van overlijden;
d. de bankafschriften van de Rabobank rekening eindigend op -311 over de periode 2019 t/m 2024;
e. de bankrekeningen van de ING-rekening [rekeningnummer] over de periode 2019 t/m datum opheffing;
f. een overzicht van alle aanwezige crypto en/of andere digitale portefeuilles op datum overlijden moeder, waaronder in ieder geval doch niet uitsluitend BLOX;
g. een waardering van Administratiekantoor [eiser] op datum overlijden moeder;
h. een overzicht van alle polissen en/of verzekeringen, zoals gespecificeerd onder randnummer 32 van de dagvaarding;
i. het vennootschapscontract van Administratiekantoor [eiser], alsmede eventuele wijzigingen of aanvullende afspraken op dit contract;
j. het volledige hypotheekdossier, waaruit de hypotheekvoorwaarden en -restschuld volgt;
k. bewijs van alle op datum overlijden aanwezige schulden;
l. bewijs van de kosten van de uitvaart van moeder;
II. in de nalatenschap van vader:
m. de (ver)koopovereenkomst met het bijbehorende dossier van de verkoop van de woning aan de [adres] te Zwaagdijk-Oost;
n. een overzicht van de sieraden, zoals gespecificeerd onder randnummer 39 van de dagvaarding;
o. de bankafschriften van de Rabobank eindigend op -311 over de periode 2012 t/m heden;
p. de bankafschriften van de ING-rekening [rekeningnummer] over de periode 2019 t/m datum opheffing;
q. de bankafschriften van alle aanwezige rekeningen vanaf 1 januari 2026 t/m heden;
r. een overzicht van alle aanwezige crypto en/of andere digitale portefeuilles, waaronder in ieder geval doch niet uitsluitend BLOX;
s. een waardering van Administratiekantoor [eiser] op datum overlijden;
t. een overzicht van alle polissen en/of verzekeringen, zoals gespecificeerd onder randnummer 46 van de dagvaarding;
u. het vennootschapscontract van Administratiekantoor [eiser], alsmede eventuele wijzigingen of aanvullende afspraken op dit contract;
v. het volledige hypotheekdossier, waaruit de hypotheekvoorwaarden en -restschuld volgt;
w. het bewijs van alle op datum overlijden aanwezige schulden;
x. het bewijs van de kosten van de uitvaart;
III. zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag(deel) dat gedaagden in gebreke zijn aan het gevorderde onder I. en II. te voldoen, met een maximum van € 50.000,-.
[eiser] legt hieraan kort gezegd het volgende ten grondslag. [eiser] wil zijn legitieme portie vaststellen in de nalatenschappen van vader en moeder. De executeur heeft tot op heden niet alle benodigde informatie aan [eiser] verstrekt. Ingevolge artikel 4:78 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de legitimaris tegenover de met het beheer van de nalatenschap belaste executeur en de erfgenamen aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft.
Gedaagden hebben daartegen verweer gevoerd.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5 De beoordeling in het incident
Toetsingskader
Op grond van artikel 4:78 BW kan een legitimaris die geen erfgenaam is - zoals [eiser] - tegenover de erfgenamen en de executeur aanspraak maken op inzage en afschrift van alle bescheiden die zij voor de berekening van haar legitieme portie behoeft. Deze informatieverplichting moet ruim worden uitgelegd, met de enkele beperking dat de gegevens nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie. Op grond van artikel 4:65 BW wordt de legitieme berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a t/m c en f BW. Met de waarde van de goederen van de nalatenschap wordt bedoeld de waarde op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden (artikel 4:65 BW in samenhang met artikel 4:6 BW).
Artikel 4:78 BW houdt echter geen verplichting in tot rekening en verantwoording en schept ook geen algemeen inzagerecht. Om fishing expeditions te voorkomen, moet [eiser] voldoende concreet stellen en onderbouwen waarom de gevorderde stukken voor de berekening van de legitieme portie noodzakelijk zijn.
Voor alle weren
Gedaagden hebben zich voor alle weren op het standpunt gesteld dat [eiser] ten aanzien van de erfgenamen niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden. De nalatenschap bevindt zich in executele, zodat het aan de executeur is om de nalatenschap in kaart te brengen en daarover informatie te verschaffen.
De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de wettekst van artikel 4:78 BW volgt dat een legitimaris die geen erfgenaam is - in dit geval [eiser] - tegenover de erfgenamen en met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft. Zij verstrekken hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen. Uit het voorgaande volgt dat de legitimaris, in dit geval dus [eiser], ook ten aanzien van de erfgenamen aanspraak kan maken op bepaalde bescheiden die hij nodig acht voor de berekening van de legitieme portie. De rechtbank zal hierna de vorderingen dan ook bespreken ten aanzien van alle gedaagden.
De gevorderde bescheiden
De rechtbank zal de gevorderde bescheiden hierna achtereenvolgend behandelen en houd daarbij de nummering aan zoals weergegeven onder 4.1. Daarbij zullen de gevorderde bescheiden in de nalatenschappen van vader en moeder die (nagenoeg) overeenkomen zoveel mogelijk gezamenlijk worden behandeld.
Een waardering van de woning aan De [adres] te Zwaagdijk-Oost per datum overlijden moeder (sub a.) & de (ver)koopovereenkomst met het bijbehorende dossier van de verkoop van de woning aan de [adres] te Zwaagdijk-Oost (sub m.)
Gedaagden hebben een onderbouwing van de waarde van de woning gegeven (€ 636.800,-), gelet op de WOZ-waarde en CBS-cijfers per datum van overlijden van moeder, en in overleg met de verkopend makelaar. Daarnaast heeft de executeur in februari 2026 aan [eiser] aangeboden om zelf een afspraak in te plannen voor het laten taxeren van de woning door een onafhankelijk makelaar/taxateur. [eiser] is daar niet op ingegaan, aldus gedaagden.
De rechtbank gaat ervan uit dat de overgelegde onderbouwing in productie 6 bij conclusie van antwoord in incident voldoende is voor [eiser] om te begrijpen hoe de woningwaarde in de boedelbeschrijving tot stand is gekomen. Het had op de weg van [eiser] gelegen, als hij het niet mee eens is met die waarde, in februari 2026 al zelf een makelaar of taxateur in te schakelen. De vordering onder a. wordt daarom afgewezen.
Ten aanzien van de verkoopovereenkomst en het bijbehorende dossier van de verkoop van de woning, hebben gedaagden een kopie van de nota van afrekening van de notaris overgelegd waaruit de koopsom van € 720.000,- blijkt. Gedaagden zijn van mening dat [eiser] geen belang heeft bij het verkrijgen van een kopie van de (ver)koopovereenkomst, nu enkel de waarde in het economisch verkeer voor [eiser] van belang is. Daar komt bij dat voor berekening van de legitieme portie uitgegaan moet worden van de waarde op het moment van overlijden van vader, die volgens de executeur lager is dan de verkoopprijs.
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] voldoende informatie van gedaagden heeft ontvangen ter onderbouwing van de woningwaarde zoals deze in de boedelbeschrijving is opgenomen. [eiser] heeft geen belang bij verdere stukken over de verkoop van de woning. De gevorderde stukken onder m. worden afgewezen.
Een overzicht van de sieraden, zoals gespecificeerd onder randnummers 25 en 39 van de dagvaarding (sub b. en n.)
De executeur stelt dat het hem niet bekend is welke sieraden vader en moeder in hun bezit hadden ten tijde van hun overlijdens. Het is de executeur recent bekend geworden dat moeder de laatste jaren van haar leven geen sieraden kon dragen en dat vader een goud ringetje aan zijn zus heeft gegeven. Het is de executeur niet bekend wanneer dit is geweest noch wat daarvan de waarde is. Meer informatie heeft de executeur hierover niet.
Aangezien [eiser] niet concreet heeft gemaakt om welke sieraden het zou gaan en de executeur heeft uitgelegd dat hem niet bekend is welke sieraden vader en moeder in hun bezit hadden, wijst de rechtbank deze vordering af. De vordering is onvoldoende bepaald.
Banksaldi en -afschriften (sub c. tot en met e. en o. tot en met q.)
[eiser] vordert als eerste een overzicht van Rabobank met alle bankrekeningen op naam van moeder, met saldi op datum van overlijden (sub c.). In productie 7 van de conclusie in incident hebben gedaagden vier bankrekeningsaldi bij de Rabobank op naam van moeder gedeeld. De rechtbank gaat er hiermee vanuit dat dit alle bankrekeningen zijn die op datum overlijden van moeder op haar naam stonden, zodat [eiser] geen belang meer heeft bij deze vordering.
Verder vordert [eiser] (in sub d. en o.) de bankafschriften van de Rabobank-rekening eindigend op -311, van de periode 2019 tot en met 2024 inzake het overlijden van moeder en in de periode van 2012 tot en met heden inzake het overlijden van vader. Gedaagden hebben toegelicht dat dit een spaarrekening is en dat zij op 25 augustus 2026 een verzoek hebben ingediend bij Rabobank om de bankafschriften van 2019 tot en met 2024 op te vragen. Gedaagden konden geen inzicht krijgen in de afschriften van voor 2025 en stelden zich op het standpunt dat [eiser] de af- en bijschrijvingen op de bankrekening eindigend op -311 kan controleren door te kijken naar de bankrekeningen op de tegenrekening eindigend op -454. Toen bleek dat [eiser] toch alsnog inzicht wilde krijgen in de jaren voor 2025, heeft de executeur dus op 25 augustus 2026 een verzoek ingediend bij de Rabobank. Na ontvangst van deze bankafschriften, zal de executeur deze doen toekomen aan [eiser], aldus gedaagden.
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [eiser] de gevraagde bankafschriften binnen afzienbare tijd zal ontvangen van de executeur. De rechtbank wijst de vordering in sub d. en o. dan ook toe en draagt gedaagden op om na ontvangst van deze bankafschriften, deze zo snel mogelijk door te zetten naar [eiser]. Voor zover [eiser] de bankafschriften vordert van 2012 tot 2019, zal de rechtbank dit afwijzen. [eiser] heeft niet onderbouwd waarom hij de bankafschriften van langer dan vijf jaar voor het overlijden van moeder en langer dan zes jaar voor het overlijden van vader dient in te zien.
De gevorderde bankafschriften van ING-rekening eindigend op -394 (sub e. en p.) over de periode van 2019 tot en met datum opheffing, zijn over de periode 1 juni 2019 tot en met 31 december 2022 overgelegd door gedaagden. Gedaagden hebben verder aangevoerd dat er vanaf deze rekening op 7 maart 2024 een bedrag van circa € 49.000,- is overgemaakt naar de Rabobank betaalrekening eindigend op -454. Daarna is nog eenmaal een bedrag van € 11,17 onder vermelding van “saldo opgeheven betaalrekening” naar de Rabobank betaalrekening overgemaakt. De executeur was op dat moment niet betrokken bij de afwikkeling van de nalatenschap van moeder en kan de digitale bankafschriften verder niet opvragen. In overleg met [eiser] heeft de executeur op 25 augustus 2026 alsnog een verzoek ingediend bij ING om de bankafschriften te ontvangen van de periode 2019 tot en met opheffing van de rekening. Na ontvangst van deze afschriften, zal de executeur deze direct aan [eiser] doen toekomen.
De rechtbank zal de vordering van [eiser] onder sub e. en p. toewijzen, nu uit het voorgaande blijkt dat de bankafschriften gedeeltelijk al zijn overgelegd en dat de overige bankafschriften zijn opgevraagd. De rechtbank gaat ervan uit dat de executeur de opgevraagde bankafschriften binnen afzienbare tijd na ontvangst daarvan, zal delen met [eiser].
[eiser] heeft verder nog ten aanzien van de nalatenschap van vader gevorderd de afgifte van de bankafschriften van alle aanwezige rekeningen vanaf 1 januari 2026 t/m heden (sub q.).
De rechtbank wijst deze vordering af, gelet op het in de wet bepaalde dat voor de berekening van de waarde van de legitieme portie de waarde van de goederen van de nalatenschap onmiddellijk na het overlijden van belang is.[_0ed25d0a-8bed-49e5-8f22-90f61a640fbf] Bovendien heeft [eiser] niet toegelicht waarom hij recht heeft om deze bankafschriften te ontvangen. [eiser] heeft geen belang bij deze bankafschriften.
Crypto-rekening(en) (sub. f en r.)
Gedaagden hebben betwist dat er ten aanzien van moeder sprake is van een crypto-rekening, dan wel andere digitale portefeuilles. Het enkele feit dat op het moment van overlijden van vader sprake was van een crypto-rekening, maakt volgens hen nog niet dat dit ook ten tijde van het overlijden van moeder het geval was. De rechtbank wijst - gelet op het voorgaande - de vordering onder f. af. Daar komt bij dat [eiser] niet heeft onderbouwd dat er een crypto-rekening of digitale portefeuille aanwezig zou zijn ten tijde van het overlijden van moeder.
Ten aanzien van vordering sub r. ten aanzien van vader, oordeelt de rechtbank als volgt. De executeur heeft toegelicht dat hij na het overlijden van vader op de tablet van vader heeft ingezien dat zo’n € 200,- op de rekening van vader is gestort en belegd in crypto via BLOX. Het account is vervolgens verwijderd en de tablet is op fabrieksinstellingen teruggezet. Gedaagden kunnen daarom alleen een bankafschrift overleggen waaruit blijkt dat het resterende bedrag van € 227,63 is overgeboekt op de Rabobank betaalrekening van vader.
De rechtbank is van oordeel dat van gedaagden verwacht kan worden dat zij een overzicht bij BLOX opvragen, van de datum overlijden van vader, voor zover deze bestaat. Indien blijkt dat dit overzicht niet op te vragen is ofwel niet bestaat, dan dienen gedaagden e-mailverkeer met BLOX over te leggen aan [eiser] waaruit dit blijkt. De rechtbank zal deze vordering in deze zin hierop toespitsen en daarna toewijzen.
Waardering administratiekantoor (sub g. en s.) en het vennootschapscontract (sub i. en u.)
[eiser] vordert afgifte van een waardering van het administratiekantoor van vader en moeder ten tijde van het overlijden van moeder en ten tijde van overlijden van vader. Gedaagden hebben in productie 11 en 22 bij conclusie in incident twee kopieën van de kolommenbalans van het administratiekantoor overgelegd ter onderbouwing van de waarde van de onderneming. Daarbij hebben gedaagden medegedeeld dat er geen vennootschapscontract te vinden is in de administratie van het administratiekantoor, zodat deze niet afgegeven kan worden. Door het ontbreken van het vennootschapscontract gaat de executeur ervan uit dat het aandeel van moeder (ten tijde van haar overlijden) in de onderneming 50% bedroeg van € 83.481,62, waardoor dit uitkomt op € 41.740,81.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat [eiser] geen belang heeft bij verdere tekst en uitleg over deze waardering ten tijde van overlijden van moeder, zeker nu dit belang bovendien ook niet is toegelicht door [eiser]. Gedaagden hebben voldoende gemotiveerd hoe zij tot deze waardering zijn gekomen.
Ten aanzien van de waarde van de onderneming ten tijde van het overlijden van vader, hebben gedaagden bij hun conclusie enkel de kolommenbalans 2025 overgelegd. De rechtbank begrijpt dat [eiser] op basis van alleen dat document, zonder enige uitleg, niet kan volgen hoe de waardering van de onderneming (van € 2.894,90) op het tijdstip van overlijden van vader tot stand is gekomen. De rechtbank wijst dit gedeelte van de vordering dan ook toe (sub s.), met dien verstande dat gedaagden uitleg dienen te geven over hoe deze waardering van € 2.894,90 tot stand is gekomen.
De vordering gericht op het vennootschapscontract (sub i. en u.) wordt afgewezen. Gedaagden hebben kenbaar gemaakt dat zij deze niet hebben kunnen vinden in de administratie van de onderneming. [eiser] heeft verder ook niet het bestaan van dit vennootschapscontract onderbouwd.
Polissen en verzekeringen (sub h. en t.)
Gedaagden hebben afschriften gedeeld met [eiser] van het afkopen, stopzetten en uitkeren van begrafenispolissen in 2019 en lijfrente-, levens- en beleggingsverzekering in 2012-2019. Verder is volgens gedaagden gebleken van nog drie polissen bij de begrafenisondernemer, waarvan uitsluitend door [eiser] om uitkering kan worden verzocht.
De rechtbank is op basis van wat gedaagden hebben overgelegd aan correspondentie en informatie over de polissen en verzekeringen, van oordeel dat gedaagden hebben voldaan aan hun informatieverplichting. Er is door [eiser] geen blijk gegeven van andere polissen of verzekeringen. De vorderingen onder sub h. en t. worden om die reden afgewezen.
Hypotheekdossier (sub j. en v.)
[eiser] vordert het volledige hypotheekdossier, waaruit de hypotheekvoorwaarden en -restschuld zou volgen. Gedaagden hebben een kopie van een hypotheekoverzicht overgelegd, waaruit blijkt dat de resterende hypotheek op 1 januari 2025 en 31 december 2025 € 264.000,- bedroeg, en de nota van afrekening van 31 juli 2026 bij verkoop van de woning. Op dat moment was de nog af te lossen hypotheek € 265.052,70.
De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af, nu hij heeft nagelaten te onderbouwen wat zijn belang is bij het verkrijgen van het volledige hypotheekdossier met daarin ook de hypotheekvoorwaarden. Inmiddels heeft hij beschikking gekregen over de hypotheekrestschuld. De rechtbank ziet daarom niet in waarom gedaagden het volledige hypotheekdossier met hem zouden moeten delen.
Aanwezige schulden (sub k. en w.)
[eiser] stelt dat het bewijs van overige schulden (belastingen en infomedics) op datum overlijden moeder en het bewijs van de overige schulden (apotheek) op datum overlijden vader ontbreken. Deze schulden zijn in de voorlopige boedeloverzichten opgenomen.
Gedaagden hebben de factuur van infomedics en de factuur van de apotheek overgelegd, zodat [eiser] geen belang meer heeft bij deze gevorderde stukken.
Ten aanzien van de “belastingen” in het voorlopige boedeloverzicht van moeder, hebben gedaagden toegelicht dat dit gaat om de verschuldigde inkomstenbelasting 2024, in welk jaar moeder twee maanden heeft geleefd. Daardoor is de belasting naar rato berekend. Het totale belastingbedrag over 2024 was € 19.911,-, over de periode van twee maanden is dit 2/12e deel daarvan, te weten € 1.659,25. Dit laatste is het bedrag dat ook in het voorlopige boedeloverzicht van moeder is opgenomen. Gedaagden verwijzen hiervoor naar productie 9 bij conclusie in incident en de door de executeur aan [eiser] gestuurde brief van 29 juli 2026. De rechtbank kan uit deze stukken niet afleiden dat er een bedrag van € 19.911,- is betaald aan inkomstenbelasting over het jaar 2024. De rechtbank zal gedaagden daarom opdragen om hier verdere inzage in te geven, bijvoorbeeld door middel van afgifte van een betalingsbewijs/bankafschrift.
Kosten uitvaart (sub l. en x.)
Ten aanzien van de kosten van de uitvaart van moeder hebben gedaagden een kopie van de factuur van de notaris overgelegd, waaruit blijkt dat € 850,90 is betaald, en zijn een raamwerkfactuur en een uiteindelijke bankoverschrijving van € 6.572,16 aan een uitvaartzorgcentrum overgelegd. De rechtbank wijst de vordering van [eiser] onder sub l. af gelet op deze overgelegde bescheiden.
Ten aanzien van de uitvaartkosten van vader hebben gedaagden een kopie van facturen en bonnetjes ter onderbouwing van de uitvaartkosten van € 9.945,71 overgelegd en de factuur van de notaris. De rechtbank wijst gelet hierop ook de vordering van [eiser] onder sub x. af, omdat gedaagden de uitvaartkosten van vader hiermee hebben onderbouwd.
Restituties
[eiser] heeft in de dagvaarding ook genoemd dat hij bewijsstukken mist van enkele vorderingen/restituties die zijn opgenomen in de voorlopige boedelbeschrijving van moeder en vader, maar heeft dit niet onder het petitum gevorderd. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
Gedaagden hebben in productie 14 en productie 23 bankafschriften overgelegd waaruit de restituties zouden moeten blijken. De rechtbank is van oordeel dat zij hiermee aan hun informatieverplichting hebben voldaan.
Conclusie
De conclusie van het voorgaande is dat gedaagden het volgende nog aan [eiser] dienen over te leggen:
- de bankafschriften van de Rabobank rekening eindigend op -311 over de periode 2019 t/m 2024 (sub. d);
- de bankrekeningen van de ING-rekening [rekeningnummer] over de periode 2019 t/m datum opheffing (sub e.);
- stukken met betrekking tot de belastingaangifte 2024 ten aanzien van moeder (sub k., zie onder 5.28);
- de bankafschriften van de Rabobank-rekening eindigend op -311 over de periode 2012 t/m heden (sub. o);
- de bankafschriften van de ING-rekening [rekeningnummer] over de periode 2019 t/m datum opheffing (sub p.);
- een overzicht van alle aanwezige crypto bij BLOX of e-mailverkeer met BLOX waaruit blijkt dat dit overzicht niet voorhanden is (sub r., zie onder 5.17 en 5.17.1);
- een waardering van Administratiekantoor [eiser] op datum overlijden vader (sub s.).
Dwangsom
[eiser] heeft gevorderd dat aan de veroordelingen een dwangsom verbonden zal worden. Gelet op de meewerkende houding van gedaagde in de conclusie in incident, ziet de rechtbank geen aanleiding om een dwangsom op te leggen aan gedaagden. De rechtbank gaat er vanuit dat gedaagden vrijwillig mee zullen werken aan de hiervoor onder 5.33 genoemde veroordelingen en zal daarom geen dwangsom aan deze veroordelingen verbinden.
Proceskosten
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6 De beslissing
De rechtbank
in het incident
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan [eiser] te overleggen:
1. de bankafschriften van de Rabobank-rekening eindigend op -311 over de periode 2019 t/m 2024 (sub. d);
2. de bankrekeningen van de ING-rekening [rekeningnummer] over de periode 2019 t/m datum opheffing (sub e.);
3. stukken met betrekking tot de belastingaangifte 2024 ten aanzien van moeder (sub k., zie onder 5.28);
4. de bankafschriften van de Rabobank-rekening eindigend op -311 over de periode 2012 t/m heden (sub. o);
5. de bankafschriften van de ING-rekening [rekeningnummer] over de periode 2019 t/m datum opheffing (sub p.);
6. een overzicht van alle aanwezige crypto bij BLOX of e-mailverkeer met BLOX waaruit blijkt dat dit overzicht niet voorhanden is (sub r., zie onder 5.17 en 5.17.1);
7. een waardering van Administratiekantoor [eiser] op datum overlijden vader (sub s.);
wijst het meer of anders gevorderde af,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 4 november 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagden],
houdt iedere verdere beslissing aan.
| Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vrugt en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026. |
Voetnoten
- Artikelen 4:6 jo 4:65 BW.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.