Uitspraak · Omgevingsrecht

Rechtbank Noord-Holland, 24 september 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:13020Zaaknummer HAA 25/4313

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24 september 2026
Publicatiedatum
5 oktober 2026
Zaaknummer
HAA 25/4313
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over een door het college verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een ondergeschikte woning op een stuk grond bij het perceel. Verschillende bestemmingen. Er is geen mogelijkheid tot het als het ware vermengen van de regels horende bij de te onderscheiden bestemmingen Agrarisch en Bedrijf. De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat het college de omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen door gebruik te maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Het beroep is daarom gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen

Beslissing

De rechtbank:- verklaart de beroepen gegrond;- vernietigt het bestreden besluit van 25 augustus 2025;- draagt het college op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaarschriften met inachtneming van deze uitspraak;

- schorst het primaire besluit met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb totdat het college een nieuw besluit op de bezwaren heeft genomen;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- in de zaak HAA 25/4313 moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres in de zaak HAA 25/4313- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- in de zaak HAA 25/4317 moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers in de zaak HAA 25/4137.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Samenvatting
  2. Procesverloop
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing
  5. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 25/4313 en 25/4317

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2026 in de zaken tussen

1. Stichting Nekkerzoomuit Zuidoostbeemster, HAA 25/4313

(gemachtigde: mr. J.E. Dijk)

2. [eiser 1] en [eiser 2], uit Zuidoostbeemster, HAA 25/4317

(gemachtigde: mr. F.C.M. Tamis)

Hierna tezamen: eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend

(gemachtigden: B.P.J. Mol en D.W.B. Poelkamp)

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [vergunninghoudster] uit Zuidoostbeemster (vergunninghoudster).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een door het college verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een ondergeschikte woning op een stuk grond bij het perceel [perceel] in de Zuidoostbeemster. Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat het college de omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen door gebruik te maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Het beroep is daarom gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen.

Procesverloop

2. Het college heeft bij het primaire besluit van 11 februari 2025 een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een ondergeschikte woning op het perceel [perceel] te Zuidoostbeemster. Met het bestreden besluit van 25 augustus 2025 op de bezwaren van eisers is het college bij dat besluit gebleven.

2.1.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft de beroepen op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens eiseres I, de gemachtigde van eiseres I, eisers II met hun gemachtigde, de gemachtigden van het college en vergunninghoudster vergezeld door haar dochter.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden en totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.

Op 3 juli 2024 heeft een keukentafelgesprek plaatsgevonden tussen vergunninghoudster en de gemeente om te bepalen welke mogelijkheden er zijn tot realisatie van een ondergeschikte woning op het achtererf van vergunninghoudster, op het perceel [perceel] te Zuidoostbeemster (hierna: het perceel).

3.2.

Vergunninghoudster heeft op 17 december 2024 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuwe ondergeschikte woning op bovengenoemd perceel. De ondergeschikte woning is bedoeld voor de dochter van vergunninghoudster.

3.3.

Door de adviescommissie omgevingskwaliteit Purmerend is op 13 januari 2025 advies uitgebracht. De commissie acht het volume van de woning voorstelbaar, maar adviseert om de woning te verschuiven om het doorzicht naar het achterliggende landschap te behouden. Ook beveelt zij aan om nog een stap te maken in de architectuur van de woning.

3.4.

Met het primaire besluit van 13 februari 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een ondergeschikte woning op het achtererf van het hoofdgebouw. Het college heeft toepassing gegeven aan de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid.

3.5.

Eiseres I maakt op 24 maart 2025 bezwaar. Eisers II maken op 13 maart 2025 bezwaar.

3.6.

Het college heeft op 14 mei 2025 op de bezwaren gereageerd met een verweerschrift. Door de adviescommissie voor bezwaarschriften is op 4 augustus 2025 advies uitgebracht.

Het bestreden besluit

4. Met het bestreden besluit van 25 augustus 2025 op de bezwaren van eisers is het college bij de vergunningverlening gebleven. Het college stelt dat het plan in strijd is met de gebruiksregels van de bestemming Agrarisch. Op grond van artikel 34, tweede lid, van het Bestemmingsplan kan binnenplans worden afgeweken van de planregels behorend bij de bestemming Agrarisch. Artikel 34 staat een ondergeschikte woning toe op gronden met de bestemming Agrarisch als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Bij het gebruiken van deze bevoegdheid gaat het om maatwerk. Op locaties met de bestemming Agrarisch of Bedrijf is vaak voldoende ruimte om een geschikte locatie te vinden voor een ondergeschikte woning. Ondergeschikt, in de zin van de bepaling, betekent dat het bouwwerk zich moet voegen binnen het cluster aan bebouwing dat reeds aanwezig is. De ondergeschikte woning moet wat betreft omvang altijd ondergeschikt zijn aan de hoofdwoning en de gebouwen moeten herkenbaar zijn als één erf. Dat de ondergeschikte woning geplaatst mag worden op gronden met de bestemming Agrarisch, heeft te maken met de vorm en mogelijkheden van het perceel. In verband met de bedrijfsvoering lag het niet voor de hand de woning direct achter het bestaande bedrijfsgebouw te plaatsen. De gekozen locatie is enerzijds een plek die niet in de weg zit bij de bedrijfsvoering van het daar gevestigde transportbedrijf, anderzijds is door de situering op die plek volgens het college duidelijk sprake van één erf. Het feit dat de grond de functie Agrarisch heeft is daaraan ondergeschikt. Het perceel heeft de hoofdfunctie Bedrijf, het achterliggende deel van het perceel bestaat uit twee naast elkaar gelegen vierkanten: één met de bestemming Bedrijf, de ander met de bestemming Agrarisch. De ondergeschikte woning is geplaatst op het deel met bestemming Agrarisch maar binnen het deel naast het vierkant met de functie Bedrijf. Daarom is het te zien als onderdeel van één erf.

Juridisch kader

5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente.[_b0564c22-a987-4166-90ef-5eb48aa87ee0] Dat omgevingsplan bestaat op dit moment onder andere uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die op 1 januari 2024 golden. Ten tijde van het bestreden besluit gold het bestemmingsplan “Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021: Regels” en het “Parapluplan Parkeernormen 2018” (hierna: het bestemmingsplan) dus als onderdeel van het omgevingsplan.

5.1.

Het perceel waar het plan op ziet heeft de enkelbestemming “Agrarisch” en dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie”. Het gevraagde plan is in strijd met de gebruiksregels van de bestemming Agrarisch.

5.2.

Artikel 34.2 Ondergeschikt wonen

a. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in artikel 1.45, 1.92 en 1.93 voor het huisvesten van één extra huishouden in het hoofdgebouw, dan wel in een bestaand, al dan niet vrijstaand, bedrijfsgebouw of bijgebouw, mits:

1. er binnen het bouwperceel al een (bedrijfs)woning aanwezig is die huisvesting biedt en blijft bieden aan het huishouden van de hoofdbewoner;

2. de hoofdfunctie van het perceel behouden blijft;

3. deze afwijkingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast voor de huisvesting van één huishouden van eerste/tweede/derdegraads familieleden van de hoofdbewoner dan wel van één huishouden van de bedrijfsopvolger;

en tevens wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

 de ondergeschikte woning moet voldoen aan het Bouwbesluit;

 er blijft sprake van één hoofdtoegang;

 de bestaande bebouwing mag niet worden uitgebreid, tenzij sprake is van huisvesting in verband met mantelzorg en er wordt voldaan aan de hiervoor geldende wettelijke eisen;

 de splitsing in meerdere woningen van woningen als bedoeld in lid 1.93, is uitgesloten;

 er is slechts één aansluiting voor de verschillende nutsvoorzieningen (één meterkast) aanwezig;

 er wordt gebruik gemaakt van de bestaande inrit en het erf wordt niet opgedeeld;

 er is geen sprake van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;

 er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in artikel 1.45, 1.92 en 1.93 voor het huisvesten van één extra huishouden in een nieuw te bouwen gebouw, met inachtneming van de in sub a genoemde criteria en waarbij tevens wordt voldaan aan de volgende voorwaarde:

1. er moet sprake zijn van een goede landschappelijke/stedenbouwkundige inpassing die uitgevoerd en duurzaam in stand wordt gehouden;

2. de omgevingsvergunning moet door midden van een keukentafeloverleg zijn voorbereid.

4.3.

Het perceel waar de hoofdwoning staat heeft de bestemming Bedrijf.

8.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 1 Lijst van toegelaten bedrijfstypen;
  • ambachtelijke meubelmakerij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - ambachtelijke meubelmakerij';
  • delfstofwingebied, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - delfstofwingebied';
  • garagebedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf';
  • mechanisatiebedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - mechanisatiebedrijf';
  • waterschapswerf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - waterschapswerf';
  • wonen ten behoeve van het bedrijf, tenzij staat aangegeven dat een woning niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten'

alsmede voor:

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - rijksmonument' het behoud en bescherming van rijksmonumenten;

ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' het behoud en bescherming van karakteristiek bouwwerken.

4.4.

De gronden waarop de ondergeschikte woning is voorzien heeft de bestemming Agrarisch.

3.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. grondgebonden agrarische bedrijven;

b. ondergeschikte neventak in de vorm van een intensieve veehouderij, met een maximale bedrijfsvloeroppervlakte van 750 m2;

c. caravanstalling, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'caravanstalling';

d. hoveniersbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'hovenier';

e. kampeerterrein met 30 standplaatsen, waarbij voor het overige wordt voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in lid 3.5.3, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein'; (Volgerweg 86)

f. agrarisch kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kinderdagverblijf'; (Jisperweg 134)

g. erfpad met bijbehorende beplanting ter plaatse van de aanduiding 'pad';

h. fruitboomverkoop, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarsich - fruitboomverkoop'; (Noorddijk 25)

i. agrarisch hulpbedrijf ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - hulpbedrijf';

j. transportbedrijf ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - transportbedrijf';

k. delfstofwingebied, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - delfstofwingebied';

l. oorlogsmonument, ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - oorlogsmonument';

m. wonen ten behoeve van het bedrijf, tenzij staat aangegeven dat een woning niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten';

n. huisvesting van ten hoogste 30 arbeidsmigranten ten behoeve van de bedrijfsvoering van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - huisvesting arbeidsmigranten';

alsmede voor:

o. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – rijksmonument' het behoud en bescherming van rijksmonumenten;

p. ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' het behoud en bescherming van karakteristiek bouwwerken.

Bespreken van de beroepsgronden

6. Eiseres I is een Stichting die zich onder meer inzet voor het behoud van de cultuurhistorische waarden van het gebied waarin het plangebied ligt. Dit gebied maakt deel uit van het UNESCO-Werelderfgoed De Beemster.

7. Eisers II zijn woonachtig op het adres [adres] in de Zuidoostbeemster. Zij zijn de directe buren van het perceel waar het bouwplan op ziet.

Kan binnenplans worden afgeweken met toepassing van artikel 34.2. van de planregels?

8.1.

Eiseres I voert aan dat geen sprake is van een ondergeschikte woning. De bepaling in artikel 34.2 van de planregels geldt voor ondergeschikt wonen, maar voorziet niet in de mogelijkheid een woning te realiseren buiten het bouwvlak in agrarisch gebied. In artikel 3.2.1 van de planregels is bepaald dat uitsluitend ten behoeve van de agrarische bestemming mag worden gebouwen binnen de agrarisch bestemming. In artikel 3.2.2 is bepaald dat bedrijfsgebouw en bedrijfswoningen uitsluitend binnen een bouwvlak mogen worden gebouwd. Het bouwen van een ondergeschikte tweede woning is in artikel 3 niet opgenomen. Artikel 34.2 biedt niet de mogelijkheid af te wijken van het bouwen conform de agrarische bestemming. Er kan niet met toepassing van artikel 34.2 van de planregels een omgevingsvergunning worden verleend voor de bouw van een woning in agrarisch gebied buiten het bouwvlak.

8.2.

Volgens eisers II kan de vergunning pas worden verleend als aan zowel de voorwaarden onder a als b van artikel 34.2 wordt voldaan. Ter zitting voegen eisers hieraan toe dat artikel 34.2. van de planregels vereist dat op het perceel waarop wordt gebouwd al een bestaande (bedrijfs)woning aanwezig is. De bestaande bedrijfswoning van vergunninghoudster staat echter op het perceel [perceelnummer 1]. De (vergunde) ondergeschikte woning wordt op het perceel [perceelnummer 2] gebouwd. Dat is een afzonderlijk perceel met een eigen perceelnummer. Bovendien heeft dít perceel de bestemming Agrarisch, het is feitelijk altijd als weiland gebruikt en is ruimtelijk afgescheiden van de bedrijfswoning. Volgens het college hoort het stuk agrarische grond duidelijk bij het perceel [perceel], hier zijn eisers het niet mee eens. De enkele omstandigheid dat een hekwerk is geplaatst rondom een weiland, maakt daarvan nog geen erf dat visueel of functioneel onderdeel uitmaakt van het perceel waarop de bedrijfswoning staat. Nu de woning niet op hetzelfde perceel wordt gerealiseerd als het bestaande hoofdgebouw wordt niet voldaan aan de planregels. De bevoegdheid om binnenplans af te wijken ontbreekt daarmee.

8.3.

Het college stelt in het verweerschrift dat artikel 34.2 juist wél in de mogelijkheid voorziet een nieuw gebouw te realiseren ten behoeve van ondergeschikt wonen. De stelling dat dit uitsluitend ziet op bestaande bebouwing vindt geen steun in de tekst. Het bestemmingsplan bepaalt dat een hoofdgebouw binnen een bouwvlak gebouwd moet worden, dat geldt niet voor een bijgebouw. Deze mogen ook buiten het bouwvlak gerealiseerd worden. Een gebouw voor ondergeschikt wonen betreft een bijbehorend bouwwerk bij de woning en hoeft dus niet binnen een bouwvlak gebouwd te worden. Om grip te houden op de locatie van de ondergeschikte woning is bepaald dat sprake dient te zijn van een goede landschappelijke/stedenbouwkundige inpassing. Ook kan met artikel 34 van de planregels worden afgeweken van de agrarische bestemming. Dit artikel betreft de algemene afwijkingsregels en is juist bedoeld om, onder de daarin gestelde voorwaarden, afwijkingen van de geldende bestemmingen mogelijk te maken. Dit artikel is niet beperkt tot één specifieke bestemming, maar is bestemmingsonafhankelijk van toepassing. De locatie van de ondergeschikte woning betreft een stuk grond, weliswaar met agrarische bestemming, maar wel liggende naast het bedrijfsperceel en tussen andere percelen met bebouwing. Het betreft geen open terrein, maar een bedrijfsterrein behorende bij het terrein zelf. De splitsing van de kadastrale percelen maakt niet dat dit geen ruimtelijke eenheid is. Ruimtelijk en feitelijk gezien is het geheel één ruimtelijk perceel. Vanuit de lucht is ook te zien dat een stukje agrarische grond is afgekaderd met een hekwerk en duidelijk bij het perceel [perceel] hoort.

8.4.

De rechtbank overweegt als volgt. In onderdeel a van artikel 34.2 is onder meer bepaald dat er binnen het bouwperceel al een (bedrijfs)woning aanwezig dient te zijn die huisvesting biedt en blijft bieden aan het huishouden van de hoofdbewoner. Door het college is - zoals door eisers terecht opgemerkt - niet onderkend dat de hoofdwoning/bedrijfswoning van vergunninghoudster op gronden met de bestemming Bedrijf staat. De ondergeschikte woning is voorzien op gronden waarop de bestemming Agrarisch rust. Ter zitting heeft vergunninghoudster toegelicht dat het deel met de bestemming Agrarisch in gebruik is als weiland. Vergunninghoudster heeft een transportbedrijf. Het deel met de bestemming Agrarisch is niet in gebruik bij het bedrijf, noch valt het te gebruiken bij het bedrijf. Op het deel met de bestemming Agrarisch bevindt zich geen hoofdwoning, er zit überhaupt geen bouwvlak op die gronden.

Het stuk grond met de bestemming Agrarisch maakt geen deel uit van het bouwperceel van het stuk met de bestemming Bedrijf als bedoeld in artikel 1.27 van de planregels. Volgens artikel 1.27 van de planregels is een bouwperceel namelijk: “een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten”, daar is geen sprake van. Ook maakt het geen deel uit van het erf bij de bestemming Bedrijf. Dat dit door vergunninghoudster is afgekaderd met een hekwerk maakt dit niet anders. Er is sprake van twee te onderscheiden percelen met twee verschillende bestemmingen en andere regels.

Uit de toelichting op het bestemmingsplan blijkt dat in het plan een regeling is opgenomen om in de verschillende bestemmingen waar ook een woning is toegelaten (cursivering rechtbank), de ruimte te bieden voor een vorm van inwoning. Dit wordt ondergeschikt wonen genoemd. De rechtbank ziet ook hierin een aanknopingspunt dat er moet worden vastgehouden aan de bestemming. Er is geen sprake van een aaneengesloten stuk grond waarop volgens de regels zelfstandige, bij elkaar horende bebouwing is toegelaten. Gelet op de bewoordingen van artikel 34.2 van de planregels is de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid alleen mogelijk binnen dezelfde bestemming waar dezelfde regels gelden. Er is geen mogelijkheid tot het als het ware vermengen van de regels horende bij de te onderscheiden bestemmingen Agrarisch en Bedrijf. Het bouwplan voldoet daarom niet aan de eisen voor een binnenplanse afwijking. Het college heeft geen gebruik kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid.

9. Nu het beroep reeds gegrond is komt de rechtbank aan verdere bespreking van de beroepsgronden niet toe. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Omdat niet vaststaat of het college alsnog medewerking wil en kan verlenen aan de omgevingsvergunning middels een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, zal de rechtbank het college opdragen een nieuwe beslissing op de bezwaarschriften te nemen met inachtneming van de overwegingen van deze uitspraak.

10. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank voorts aanleiding om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen die er toe strekt dat de omgevingsvergunning wordt geschorst totdat het college een nieuw besluit zal hebben genomen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat het college geen gebruik kon maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid.

Het college zal moeten beoordelen of de omgevingsvergunning alsnog kan worden verleend middels de procedure voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit hetgeen kortgezegd een bestemmingswijziging van (een deel van) het perceel met de bestemming Agrarisch impliceert. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor twaalf weken. Met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb schorst de rechtbank het primaire besluit, totdat het college een nieuw besluit op de bezwaren heeft genomen.

12. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.

Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres in de zaak HAA 25/4313 een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Dat geldt ook voor de gemachtigde van eisers in de zaak HAA 25/4317, de vergoeding bedraagt € 1.868,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:- verklaart de beroepen gegrond;- vernietigt het bestreden besluit van 25 augustus 2025;- draagt het college op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaarschriften met inachtneming van deze uitspraak;

- schorst het primaire besluit met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb totdat het college een nieuw besluit op de bezwaren heeft genomen;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- in de zaak HAA 25/4313 moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres in de zaak HAA 25/4313- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- in de zaak HAA 25/4317 moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers in de zaak HAA 25/4137.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.