Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Noord-Holland, 26 mei 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:12795Zaaknummer C/15/374002

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/15/374002
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Alkmaar
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoeker is nadat hij na een bedrijfsuitje naar huis fietste, geraakt door een dalende slagboom. Hij heeft door dit ongeval ernstig letsel opgelopen. In dit deelgeschil verzoekt hij een verklaring voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade die verzoeker door het ongeval heeft geleden en nog zal lijden. De rechtbank oordeelt dat de Gemeente aansprakelijk is en wijst het verzoek toe.

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het [verzoeker] overkomen ongeval op 4 juli 2025,

5.2.

begroot de kosten van [verzoeker] van dit deelgeschil op € 5.553,90 inclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 341,- en veroordeelt de Gemeente tot betaling daarvan aan [verzoeker],

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. N. Boots, rechter, bijgestaan door mr. C.J. Hankel-Luder, griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.

CHL/NB

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek en het verweer
  4. 4 Beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer / rekestnummer: C/15/374002 / HA RK 26-14

Beschikking van 26 mei 2026

in de zaak van

[verzoeker],

te [woonplaats],

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoeker],

advocaat: mr. E.H. Copini,

tegen

GEMEENTE BEVERWIJK,

te Beverwijk,

verwerende partij,

hierna te noemen: de Gemeente,

advocaat: mr. T.J.M. de Niet.

De zaak in het kort

Op 4 juli 2025 is [verzoeker] terwijl hij in Wijk aan Zee fietste, geraakt door een dalende slagboom. [verzoeker] heeft door dit ongeval ernstig letsel opgelopen. In dit deelgeschil verzoekt [verzoeker] een verklaring voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade die hij door het ongeval heeft geleden en nog zal lijden. De rechtbank oordeelt dat de Gemeente aansprakelijk is en wijst het verzoek van [verzoeker] toe.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met 11 producties, ter griffie ingekomen op 28 januari 2026;

- het verweerschrift, met 3 producties;

- de brief van mr. Copini van 9 april 2026, met productie 12;

- de brief van mr. Copini van 10 april 2026, met productie 13;

- de brief van mr. Copini van 13 april 2026, met productie 14;

- de mondelinge behandeling van 14 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. [verzoeker] is verschenen met zijn partner, met de heer [naam] (Letselschadebureau [naam]) en met mr. Copini. Namens de Gemeente zijn verschenen [teammanager] (Teammanager Openbare ruimte bij de Gemeente), [adviseur] (Verzekerings- en Schadeadviseur bij de Gemeente), mr. De Niet en mr. M. Witting. De advocaten hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.

1.2.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Op 4 juli 2025 had [verzoeker] op het strand van Wijk aan Zee een bedrijfsuitje van zijn werkgever Tata Steel. Omstreeks 23.00 uur vertrok [verzoeker] naar huis. Hij fietste de strandopgang af richting het centrum van Wijk aan Zee, over de Zwaanstraat.

2.2.

Enkele meters voor de kruising van de Zwaanstraat met de Van Ogtropweg en de Rijckert Aertszweg staat een slagboom. Bij de slagboom staat een verkeersbord met daarop de volgende tekst: “Let Op! Slagboom sluit na elk voertuig”. Vanwege een evenement, de “Zeepkistenrace”, stond deze slagboom op 4 juli 2025 vanaf die middag continu omhoog. De Gemeente had ingesteld dat de slagboom om 23.00 uur naar beneden zou gaan.

2.3.

Toen [verzoeker] onder de slagboom door wilde fietsen, is deze om 23.00 uur gedaald. [verzoeker] werd door de slagboom geraakt en is van zijn fiets gevallen.

2.4.

[verzoeker] heeft als gevolg van dit ongeval ernstig letsel opgelopen, bestaande uit gebitsschade, gecompliceerde kaakfracturen, scheefstand van de neus, een gat tussen neus en mond, een hersenschudding, een wond aan het achterhoofd, en pijn aan de rug, schouder, heup en nek.

2.5.

Bij brief van 9 juli 2025 heeft [verzoeker] de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval.

2.6.

Bij brief van 6 januari 2026 heeft Melior Verzekeringen namens de Gemeente inhoudelijk gereageerd, waarbij zij de gestelde aansprakelijkheid heeft betwist.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt dat de rechtbank – samengevat – bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:

I. voor recht verklaart dat de Gemeente aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het [verzoeker] overkomen ongeval op 4 juli 2025;

II. de kosten van [verzoeker] conform artikel 1019aa Rv vaststelt conform zijn opgave en de Gemeente veroordeelt deze kosten aan hem te betalen.

3.2.

[verzoeker] legt primair aan zijn verzoek ten grondslag dat de Gemeente een uitzonderlijk gevaarlijke situatie heeft gecreëerd door de slagboom, terwijl deze lange tijd continu open had gestaan, plotseling zonder enige waarschuwing te laten dalen. Hiermee heeft de Gemeente jegens [verzoeker] onrechtmatig gehandeld in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Subsidiair stelt [verzoeker] dat de slagboom is aan te merken als een gebrekkige opstal en dat de Gemeente als bezitter daarvan op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk is voor de schade van [verzoeker].

3.3.

De Gemeente verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Zij voert daartoe samengevat het volgende aan. De Gemeente heeft niet gevaarzettend gehandeld en de slagboom is niet aan te merken als een gebrekkige opstal, omdat (i) het aantal te verwachten verkeersdeelnemers op 4 juli 2025 (zeer) beperkt was, (ii) er een geringe kans op ongevallen bestond, (iii) de door de Gemeente getroffen veiligheids- en waarschuwingsmaatregelen adequaat waren.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 Beoordeling

4.1.

In dit deelgeschil moet de rechtbank beoordelen of de Gemeente aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] heeft geleden en nog zal lijden door het ongeval. De rechtbank is van oordeel dat de Gemeente hiervoor aansprakelijk is. Zij licht dit hierna toe.

Aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW

4.2.

[verzoeker] baseert zijn verzoek primair op aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. De Gemeente heeft volgens [verzoeker] de op haar rustende maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm geschonden door een gevaarlijke situatie in het leven te roepen.

4.3.

Vast staat dat de Gemeente de bezitter is van de slagboom en in zoverre dus verantwoordelijk is voor de slagboom. Of sprake is van gevaarzetting op grond van artikel 6:162 BW moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval en de criteria die zijn gegeven in het Kelderluik-arrest, de zogenoemde Kelderluikcriteria. Deze houden in dat in het licht van de omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld in hoeverre iemand die een situatie in het leven roept die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, rekening dient te houden met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet in acht zullen worden genomen en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen dient te treffen. Daarbij gaat het er met name om (i) in hoeverre niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid waarschijnlijk is, (ii) hoe groot de kans is dat daaruit ongevallen ontstaan, (iii) hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn, en (iv) in hoeverre het nemen van veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk is.[_7c7cccf2-3d42-4814-b7e9-f0796b0f813f]

(i) Waarschijnlijkheid niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid

4.4.

In dit geval komt dit criterium neer op de vraag hoe waarschijnlijk het is dat een naderende verkeersdeelnemer de dalende slagboom niet (tijdig) ziet.

4.5.

Bij de beoordeling hiervan stelt de rechtbank voorop dat, anders dan de Gemeente betoogt, in de specifieke situatie die zich voordeed op de avond van het ongeval, verkeersdeelnemers in principe niet bedacht zullen zijn op het dalen van de slagboom. De omstandigheid dat de openstaande slagboom (volgens de Gemeente) ook in het donker zichtbaar was (door de verlichting door aanwezige lantaarnpalen, de opvallende rode-witte kleuren van de slagboom en de aanwezigheid van reflectoren) maakt dat niet anders. Partijen zijn het namelijk erover eens dat de slagboom voorafgaand aan het ongeval al urenlang continu openstond en dat deze om 23.00 uur is gedaald, zonder dat daarvoor een voor de verkeersdeelnemers zichtbare aanleiding bestond. Die situatie was bovendien niet in overeenstemming met de tekst op het waarschuwingsbord naast de slagboom, waarop stond vermeld dat de slagboom na ieder voertuig sluit. In zoverre is het dus waarschijnlijk dat verkeersdeelnemers in deze specifieke situatie niet de vereiste oplettendheid in acht nemen, omdat zij geen rekening houden met de mogelijkheid dat de slagboom gaat sluiten op het moment dat zij deze willen passeren.

4.6.

Volgens de Gemeente zijn er voorafgaand aan het dalen van de slagboom indringende waarschuwingssignalen gegeven, in de vorm van knipperende rode waarschuwingslichten en een waarschuwingsgeluid. Hierdoor mag worden verwacht dat verkeersdeelnemers de slagboom opmerken en zich realiseren dat de slagboom op enig moment naar beneden zou komen, aldus de Gemeente. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat de waarschuwingslichten en het waarschuwingsgeluid ten tijde van het ongeval niet functioneerden. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij zeker weet dat de waarschuwingslichten van de slagboom op het moment van het ongeval niet hebben gebrand en dat ook geen waarschuwingsgeluid heeft geklonken.

4.7.

Op de door de Gemeente in het geding gebrachte video is zichtbaar dat de slagboom is voorzien van drie rode waarschuwingslichten, waarvan er één doorlopend brandt en er twee afwisselend knipperen. Dit gebeurt op de video enkele seconden voorafgaand aan het dalen van de slagboom (volgens de Gemeente: twaalf seconden) en tijdens het dalen van de slagboom (wat volgens de Gemeente negen seconden duurt).

4.8.

De video is niet gemaakt op het moment van het ongeval, maar pas later in verband met deze procedure. Dat deze waarschuwingslichten functioneerden tijdens het ongeval wordt niet bevestigd door de verklaring van getuige [getuige 1], de enige getuige die het ongeval heeft zien gebeuren (behalve [verzoeker] zelf). Zij heeft hierover verklaard: “Ik kan mij niet herinneren of de lichten van de slagboom aan gingen. Het ging allemaal zo ontzettend snel en de slagboom kwam heel snel naar beneden.” Getuige [getuige 2], die in dezelfde richting liep als [verzoeker] en enkele meters vóór [verzoeker] liep toen het ongeval gebeurde, heeft hierover verklaard “Op 4 juli liep ik rond 23.00u de strandafgang af vanaf zee naar het dorp Wijk aan Zee. Ik kwam net van het TSN volleybal toernooi en was onderweg naar mijn auto. Ik liep over het midden van de strandafgang en heb geen knipperende lichten of lampen gezien. Onderaan de weg- ter hoogte van het café op de hoek, hoorde ik ineens een doffe klap. Ik keek om en achter mij, op ongeveer 5 meter afstand lag een man op de grond. (…)”.

4.9.

Het is de rechtbank niet duidelijk geworden of de waarschuwingslichten ten tijde van het ongeval hebben gefunctioneerd. Dat [verzoeker] en de getuigen geen waarschuwingslichten hebben gezien of zich dat niet kunnen herinneren, betekent niet zonder meer dat deze niet functioneerden. Zo heeft [verzoeker] tijdens de zitting verklaard dat hij bij het naderen van de slagboom (ook) naar links keek, naar het terras van hotel Sonnevanck waar mensen zaten. Het kan dus zo zijn dat als de waarschuwingslichten op de slagboom (aan de rechterkant van de weg) het wel deden, hij deze niet heeft opgemerkt. Met een dergelijke (mogelijke) onoplettendheid van verkeersdeelnemers moet de Gemeente rekening houden, temeer omdat de slagboom zich ter hoogte van een terras van een hotel bevindt, wat de aandacht van verkeersdeelnemers kan trekken.

4.10.

Volgens de Gemeente worden verkeersdeelnemers ook alert gemaakt op de aanwezigheid van de slagboom en het moment van neerdalen daarvan door een geluidssignaal. Op de door de Gemeente zelf in het geding gebrachte video is echter geen geluidssignaal te horen, terwijl op de video wel andere (omgevings)geluiden hoorbaar zijn. Dit betekent dat uit de video (zelfs) niet blijkt dat ten tijde van het maken daarvan het geluidssignaal (voldoende duidelijk) functioneerde. Uit niets blijkt dat dat geluidssignaal er wél was ten tijde van het ongeval. Ook op vragen van de rechtbank ter zitting over de precieze werking van het geluidssignaal heeft de Gemeente geen duidelijke antwoorden gegeven. Als het zou gaan om een geluidssignaal dat qua toon en volume vergelijkbaar is met het signaal dat klinkt bij neergaande spoorbomen, zoals is verklaard, wekt het verbazing dat dit op de overgelegde video niet is te horen en dat geen van de getuigen daarover heeft verklaard.

4.11.

De stelplicht ten aanzien van de stelling dat het geluidssignaal ten onrechte niet functioneerde tijdens het ongeluk, rust bij [verzoeker]. Bij deze stand van zaken had het echter op de weg van de Gemeente gelegen om haar betwisting van die stelling nader te onderbouwen. De Gemeente heeft, behalve het overleggen van de video waarop het geluidssignaal niet hoorbaar is, volstaan met een algemene beschrijving van de werking van de slagboom. De Gemeente heeft daarmee het betoog van [verzoeker] onvoldoende gemotiveerd betwist. Bijvoorbeeld had van de Gemeente mogen worden verwacht dat zij onderzoek zou doen naar de werking van (het geluidssignaal van) de slagboom op het moment van het ongeval en/of dat zij de loggegevens van de slagboom, waarover de Gemeente zelf zegt te beschikken, in het geding zou brengen (zodat [verzoeker] dit onderzoek zelf zou kunnen doen). Omdat de Gemeente dat niet heeft gedaan, gaat de rechtbank ervan uit dat hoewel de slagboom beschikte over een waarschuwingsgeluid, dit signaal niet functioneerde ten tijde van het ongeval.

4.12.

Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat, hoewel de slagboom ten tijde van het ongeval (mogelijk) was voorzien van knipperende waarschuwingslichten, de rechtbank het waarschijnlijk vindt dat een - mogelijk onoplettende - naderende verkeersdeelnemer in de gegeven omstandigheden de dalende slagboom niet (tijdig) opmerkt, omdat ten tijde van ongeval geen waarschuwingsgeluid heeft geklonken.

4.13.

De Gemeente heeft ter zitting nog het scenario geschetst dat [verzoeker] de dalende slagboom wel heeft opgemerkt, maar dacht dat hij nog snel onder de slagboom door kon rijden, voordat deze zou sluiten, en/of dat de slagboom zich al in de liggende positie bevond toen [verzoeker] er tegenaan fietste. [verzoeker] heeft dit echter met klem weersproken en voor dit scenario heeft de Gemeente geen enkel aanknopingspunt gegeven. De geschetste situatie is bovendien op geen enkele manier te rijmen met het letsel dat [verzoeker] heeft opgelopen aan zijn gezicht (omdat zijn gezicht zich op een veel hogere positie bevond dan een liggende slagboom). Aan dit betoog van de Gemeente gaat de rechtbank daarom verder voorbij.

(ii) Kans op ongevallen

4.14.

Vervolgens komt de rechtbank toe aan de vraag hoe groot de kans is dat een verkeersdeelnemer de dalende slagboom over het hoofd zou zien, er werkelijk door geraakt wordt en letsel oploopt.

4.15.

Hoewel in algemene zin de kans klein is dat iemand die dag precies om 23.00 uur onder de slagboom door zou rijden of lopen, staat als onbetwist vast dat de Gemeente ervan op de hoogte was dat op 4 juli 2025 een evenement van Tata Steel werd gehouden, dat daarbij meer dan 1.300 mensen aanwezig waren, en dat dit evenement tot 1.30 uur duurde. Gebleken is verder dat sprake was van een zomerse avond en dat de nabijgelegen terrassen om 00.00 uur sluiten. Voorzienbaar was dan ook dat er om 23.00 uur nog veel mensen op en rondom het strand, de Zwaanstraat en de slagboom aanwezig waren. Desondanks heeft de Gemeente er kennelijk bewust voor gekozen om de slagboom zodanig te programmeren dat deze om 23.00 uur zou dalen. De Gemeente had er naar het oordeel van de rechtbank rekening mee moeten houden dat zij hiermee een niet verwaarloosbare kans op ongevallen creëerde.

(iii) Ernst van de mogelijke gevolgen

4.16.

Door het dalen van de slagboom kan zeer ernstig lichamelijk letsel ontstaan voor verkeerdeelnemers die op dat moment de slagboom naderen, zoals [verzoeker] daadwerkelijk is overkomen. [verzoeker] heeft in dit verband terecht en onweersproken gesteld dat ter plaatse van het ongeval mag worden gefietst (en dat dit ook veelvuldig gebeurt, omdat zich achter de slagboom een fietsenstalling bevindt), dat fietsers onbeschermd zijn, terwijl de slagboom zwaar is, waardoor de mogelijke gevolgen van een ongeval met de slagboom als (zeer) ernstig moeten worden aangemerkt.

(iv) Treffen veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk?

4.17.

Ten slotte moet worden beoordeeld in hoeverre het treffen van (aanvullende) veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk is.

[verzoeker] heeft gesteld dat de Gemeente veiligheidsmaatregelen had kunnen treffen die niet bezwaarlijk zijn, bijvoorbeeld het inschakelen van een BOA (buitengewoon opsporingsambtenaar) die verkeersdeelnemers om 23.00 uur bij de slagboom had kunnen tegenhouden, het plaatsen van een waarschuwingsbord of het anders programmeren van de slagboom.

4.18.

De Gemeente heeft in dit verband gesteld dat in de slagboom een beveiligingslaser aanwezig is, die detecteert dat er tijdens het dalen van de slagboom een voetganger, auto of fietser zich onder of vlak voor de slagboom bevindt. In zo’n geval gaat de slagboom weer omhoog. Desgevraagd heeft de advocaat van de Gemeente ter zitting verklaard dat deze laser op 4 juli 2025 functioneerde, omdat er geen afwijking is gevonden in de (niet overgelegde) loggegevens van de slagboom van die dag. Vast staat dat de laser, voor zover deze in de betreffende slagboom aanwezig is en functioneerde, een ongeval zoals het onderhavige ongeval niet heeft kunnen voorkomen, omdat een fietser de slagboom met relatief grote snelheid nadert en de slagboom daarop niet snel genoeg kan reageren.

4.19.

De rechtbank is van oordeel dat de Gemeente daarom niet met deze maatregel had mogen volstaan. Uit het betoog van de Gemeente volgt namelijk dat zij er welbewust voor heeft gekozen om de slagboom om 23.00 uur te sluiten, omdat er bezwaren bestaan tegen het sluiten van de slagboom op een later tijdstip. Het staat de Gemeente in beginsel vrij om die afweging te maken, maar als zij om die redenen kiest voor de sluiting van de slagboom op een tijdstip waarop er nog veel (fiets)verkeer aanwezig is, had de Gemeente zodanige maatregelen moeten treffen dat het aanwezige verkeer op een duidelijke manier zou worden gewaarschuwd dat de slagboom zou gaan sluiten. Met name had de Gemeente ervoor moeten zorgen dat het geluidssignaal waarmee de slagboom is uitgerust, zou functioneren. In beginsel zijn waarschuwende lichtsignalen in combinatie met een duidelijk hoorbaar geluidssignaal afdoende maatregelen. Dat een geluidssignaal mogelijk geluidsoverlast voor de omgeving meebrengt, betekent niet dat deze maatregel niet van de Gemeente gevergd kan worden. De slagboom wordt ’s avonds namelijk eenmalig (en alleen op voorgeprogrammeerde momenten, dus niet dagelijks) op deze manier gesloten en de geluidsoverlast van een geluidssignaal is dus zeer beperkt. Bovendien, als de Gemeente meent dat een geluidssignaal in verband met daarmee gepaard gaande geluidsoverlast niet wenselijk is, zal zij in plaats daarvan andere maatregelen moeten nemen ter inperking van het gevaar van een dalende slagboom voor verkeersdeelnemers. Dan zou zij er (bijvoorbeeld) voor moeten zorgen dat het sluiten van de slagboom handmatig of onder toezicht plaatsvindt. Anders dan de Gemeente heeft aangevoerd, acht de rechtbank het treffen van een dergelijke veiligheidsmaatregel zoals door [verzoeker] genoemd, afgewogen tegen de hiervoor beschreven gevaarlijke en mogelijk tot ernstig letsel leidende situatie, niet buitenproportioneel, ongeschikt, onverantwoord of ineffectief, en daarom niet bezwaarlijk.

Conclusie

4.20.

Het voorgaande leidt alles afwegende tot de conclusie dat de Gemeente de op haar rustende maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden door een situatie in het leven te roepen die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, terwijl de Gemeente heeft nagelaten voldoende veiligheidsmaatregelen te treffen. Daarmee heeft de Gemeente onrechtmatig gehandeld jegens [verzoeker] in de zin van artikel 6:162 BW. De Gemeente is daarom aansprakelijk voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan bespreking van de subsidiair door [verzoeker] gestelde grondslag van zijn verzoek. De door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht zal worden toegewezen.

Kosten deelgeschil

4.21.

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake. De rechtbank zal daarom de kosten van [verzoeker] begroten.

4.22.

Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij geldt de dubbele redelijkheidstoets. Dit betekent dat zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten redelijk moeten zijn.

4.23.

[verzoeker] gaat in het verzoekschrift uit van een tijdsbesteding van 9 uur en 40 minuten tot en met het opstellen van het verzoekschrift. De nog te verwachten werkzaamheden zijn in het verzoekschrift geschat op 8 uur. De in het verzoekschrift aangekondigde urenspecificatie is niet overgelegd. Mr. Copini heeft ter zitting toegelicht dat zij een half uur heeft besteed aan het bestuderen van het verweerschrift en 6 uur voor het opstellen van de pleitnota. Hierbij dient de duur van de mondelinge behandeling te worden opgeteld. [verzoeker] gaat uit van een uurtarief van € 270,- per uur exclusief btw.

4.24.

De Gemeente heeft aangevoerd dat het uurtarief aan de hoge kant is en dat de aan het deelgeschil bestede tijd aanzienlijk is, omdat sprake is van een eenvoudige en overzichtelijke kwestie, terwijl mr. Copini een ervaren en gespecialiseerd advocaat is.

4.25.

De door mr. Copini gestelde uren en het uurtarief komen de rechtbank niet onredelijk voor. Zij zal het aantal uren begroten op 17 uur. Het uurtarief van € 270,- valt binnen de bedragen die in de rechtspraak van de laatste jaren als redelijk worden beschouwd voor een ervaren letselschadeadvocaat. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zal de rechtbank dan ook begroten op 17 uren x € 270,- x 21% btw, dus op een bedrag van € 5.553,90 inclusief btw. Dit bedrag moet worden vermeerderd met het betaalde griffierecht van € 341,-, zodat de kosten van dit deelgeschil in totaal € 5.894,90 bedragen. De Gemeente zal, zoals verzocht, tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld, omdat de aansprakelijkheid is komen vast te staan.

Uitvoerbaar bij voorraadverklaring

4.26.

[verzoeker] verzoekt de beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De rechtbank zal deze beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat tegen een beschikking in een deelgeschilprocedure geen hogere voorziening openstaat.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het [verzoeker] overkomen ongeval op 4 juli 2025,

5.2.

begroot de kosten van [verzoeker] van dit deelgeschil op € 5.553,90 inclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 341,- en veroordeelt de Gemeente tot betaling daarvan aan [verzoeker],

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. N. Boots, rechter, bijgestaan door mr. C.J. Hankel-Luder, griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.

CHL/NB

Voetnoten

  1. Hoge Raad 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik)

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.