Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Noord-Holland, 8 september 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:12142Zaaknummer HAA 26/923

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
8 september 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
HAA 26/923
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het bestreden besluit waarin de aanvraag van eiser voor een ZW-uitkering is afgewezen, kan in stand blijven. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek verricht door het UWV zorgvuldig was en dat het bestreden besluit deugdelijk is gemotiveerd. Er bestond geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige. De geschiktheid van de geduide functies diende niet voorgelegd te worden aan een arbeidsdeskundige.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. N.I. Heijne Makkreel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser], uit [plaats], eiser
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Totstandkoming van het bestreden besluit
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 26/923

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. S. Aarsman),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: mr. D. Brandt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het UWV om eiser een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Eiser is het niet eens met de weigering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de weigering in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 23 mei 2025 heeft het UWV vastgesteld dat eiser geen ZWuitkering krijgt. Met het bestreden besluit van 5 januari 2026 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 3 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 25 oktober 2024 is de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen. Door de verzekeringsarts zijn beperkingen aangenomen en neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) d.d. 7 oktober 2024. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat eiser niet meer zijn eigen werk kan doen, maar dat eiser wel geschikt is voor ander werk. Het arbeidsongeschiktheidspercentage werd vastgesteld op 0,00%. Vervolgens heeft eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend gekregen met ingang van 11 oktober 2024.

3.1.

Op 22 april 2025 heeft eiser zich ziekgemeld. Naar aanleiding van de ziekmelding is eiser onderzocht door een verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft in het rapport van 23 mei 2025 aangegeven dat er sprake is van beperkingen. In de FML d.d. 7 oktober 2024 opgesteld bij de WIA-beoordeling in 2024 zijn al voldoende beperkingen toegekend volgens de verzekeringsarts. Daarom wordt deze aangehouden. Voor de WIA-beoordeling in 2024 zijn functies geduid door een arbeidsdeskundige. Volgens de verzekeringsarts kan eiser geschikt geacht worden voor deze geduide functies.

3.2.

Met het primaire besluit van 23 mei 2025 is vastgesteld dat eiser geen ZWuitkering krijgt.

3.3.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Naar aanleiding van het bezwaar is eiser onderzocht door een bezwaarverzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts geeft in het rapport van 30 december 2025 aan aanleiding te zien om nog meer beperkingen aan te nemen. Ondanks de aanvullende beperkingen zijn de in 2024 geduide functies nog steeds passend volgens de bezwaarverzekeringsarts.

3.4.

Met het bestreden besluit van 5 januari 2026 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.Beoordeling door de rechtbank

Medische gronden

4. Eiser is van mening dat het medisch onderzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen, dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd en dat de medische beperkingen zijn onderschat.

Heeft de (bezwaar)verzekeringsarts zorgvuldig onderzoek verricht?

4.1.

Eiser voert aan dat de verzekeringsartsen hebben nagelaten om actuele en relevante informatie op te vragen bij de behandelend sector, met name voor de depressieve klachten. Er dient meer waarde gehecht te worden aan verklaringen van de behandelend arts dan aan een eenmalige observatie van een verzekeringsarts. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).[_8b6377d7-9517-4f72-9ec4-f86422a806ce]

Ook is volgens eiser te veel aangesloten bij een eerdere WIA-beoordeling zonder zelfstandig zorgvuldig onderzoek te verrichten. Eiser wijst daarbij op twee uitspraken van de CRvB.[_9b96d049-6ef0-4997-b7f4-920f6fdc52f8]

Eiser stelt dat de bezwaarverzekeringsarts eiser niet fysiek heeft onderzocht en geen motivering verstrekt op basis waarvan gesteld kan worden dat slechts het onderzoeken van het dossier voldoende is. Volgens eiser is dit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.[_31a5dc9d-c31e-457d-9d54-cf96a6984b3b]

5. De vereisten waaraan de besluitvorming van het Uwv moet voldoen vloeien voort uit de Algemene wet bestuursrecht en het Schattingsbesluit. Rapporten van verzekeringsartsen moeten blijk geven van een zorgvuldig onderzoek en moeten deugdelijk gemotiveerd, inzichtelijk en consistent zijn.[_de4eb9c2-260b-45a8-924f-7eeb8c9f6f4b]

5.1.

De rechtbank stelt vast dat de primaire verzekeringsarts het dossier van eiser heeft onderzocht en eiser heeft gezien op het spreekuur van 22 mei 2025. Hierbij heeft de primaire verzekeringsarts een psychisch en lichamelijk onderzoek verricht. De bezwaarverzekeringsarts heeft de dossiergegevens, waaronder het rapport van de verzekeringsarts, en de bezwaargronden bestudeerd en heeft kennisgenomen van informatie verkregen tijdens de bezwaarprocedure van de psychiater, orthopedisch chirurg en informatie over de medicatie van eiser. Uit het voorgaande volgt dat de verzekeringsartsen zich niet uitsluitend hebben gebaseerd op de WIA-beoordeling van 2024, maar dat ook eigen, zelfstandig onderzoek is verricht.

5.2.

Volgens vaste rechtspraak mag een verzekeringsarts in beginsel varen op zijn eigen oordeel. Raadpleging van de behandelend sector is aangewezen in die gevallen waarin een behandeling een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid van de betrokkene of indien de betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerde afwijkende opvatting heeft over zijn beperkingen.[_ed19b487-778e-4b66-94b8-12b24d2dbd11]De rechtbank overweegt dat van dergelijke omstandigheden niet is gebleken. Daarnaast heeft eiser medische stukken ingebracht die ook zijn betrokken bij de beoordeling.

5.3.

Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat het ontbreken van lichamelijk onderzoek in bezwaar op zichzelf niet betekent dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is.[_27f34523-9c3b-4cf0-ad67-87bbeb8580db]Welke onderzoeksactiviteiten in bezwaar moeten worden verricht is (onder meer) afhankelijk van de medische situatie van betrokkene, de gronden in bezwaar en de vraag of in de primaire fase sprake is van een gebrek dat moet worden hersteld. Bij betwisting van de medische grondslag in bezwaar is het niet (altijd) vereist dat een verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokkene onderzoekt op een spreekuur.[_1c422762-f07b-4134-a08a-eedc8d62c695]De rechtbank is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende heeft gemotiveerd waarom is afgezien van een aanvullend medisch spreekuur in het rapport van 30 december 2025. Het onderzoek van de primaire verzekeringsarts is verricht conform de Standaard Onderzoeksmethoden, het onderzoek is voldoende uitgebreid geweest en er zijn geen nieuwe medische inzichten. Eiser heeft ook niet onderbouwd welke medische informatie buiten beschouwing zou zijn gelaten.

5.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft voldoende zorgvuldig onderzoek plaatsgevonden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Heeft de (bezwaarverzekeringsarts de medische beperkingen onderschat?

6. Eiser stelt dat bij de medische beoordeling onvoldoende rekening is gehouden met het volledige samenstel van zijn lichamelijke en psychische klachten. De diagnoses van eiser zijn zowel op zichzelf staand als in samenhang bezien onvoldoende c.q. onjuist meegewogen bij de beoordeling van de belastbaarheid. Dit geldt ten eerste ten aanzien van de schouderklachten. Eind 2025 heeft een operatie plaatsgevonden die maakte dat eiser op dat moment minder belastbaar was, mede vanwege de lange revalidatie waar hij nog steeds mee kampt. Het UWV was ervan op de hoogte dat de operatie gepland stond voor eind 2025 of begin 2026, maar dit is niet tot uiting gekomen in de belastbaarheid terwijl de ZWuitkering tijdens de operatie nog van kracht zou zijn.

Ten tweede geldt dit ten aanzien van de depressieve klachten. Volgens eiser is er geen rekening gehouden met zijn depressieve episodes. Eiser slikt hier medicatie voor dus duidelijk is dat de klachten nog niet weg zijn.

Ten derde geldt dat de slaapproblemen onvoldoende zijn meegewogen. De beperkingen die slaapproblemen met zich brengen, zoals beperkingen van werktijden, zijn ten onrechte onvoldoende in kaart gebracht.

Ten vierde zijn de ADD en de daarbij vermoede taalproblemen van eiser onvoldoende betrokken. Dit kan beperkingen veroorzaken voor functies waarbij onder andere veel gelezen moet worden of waarbij eiser zich verbaal dient te uiten. Mensen met ADD hebben vaak te maken met onder andere uitstelgedrag, slordigheid en moeite met plannen.

Ten vijfde wijst eiser op zijn darmklachten. Dit is een nieuw feit dat in bezwaar nog niet aan de orde is gekomen, maar het speelt al langere tijd. Eiser is hiervoor twee keer naar de spoedeisende hulp geweest. Hoewel de bezoeken buiten de datum in geding liggen, onderschrijft het volgens eiser dat het slechter met hem gaat dan in kaart gebracht.

6.1

Eiser is van mening dat voor hem meer beperkingen aangenomen moeten worden. Eiser kan niet begrijpen hoe gekomen is tot een urenbeperking van 30 uur per week en 6 uur per dag. Door de depressie kosten handelingen hem veel energie en door de zware nachten heeft eiser meer tijd voor recuperatie nodig. Ook had de verzekeringsarts volgens eiser moeten onderzoeken of de depressieve klachten inmiddels als duurzaam kunnen worden aangemerkt.

7. Volgens vaste rechtspraak is het aan de verzekeringsarts om een vertaalslag te maken van de klachten van de betrokkene naar in de FML op te nemen beperkingen. Als de betrokkene van mening is dat hij verdergaand beperkt is dan de verzekeringsarts in de FML heeft aangenomen, moet hij de deugdelijkheid van de daaraan ten grondslag gelegde medische onderbouwing weerleggen.[_82e45020-99d1-4347-9d4d-575d512af3d3]

7.1.

De rechtbank stelt vast dat de schouderoperatie in december 2025 – acht maanden na de datum in geding (22 april 2025) – heeft plaatsgevonden. Omdat de operatie en het bijbehorende revalidatietraject ruim na de datum in geding liggen, heeft de (bezwaar)verzekeringsarts hiermee terecht geen rekening gehouden voor de beoordeling van de belastbaarheid in de onderhavige procedure.

Eiser is in 2022 gediagnosticeerd met een persisterende dysthyme stoornis. De rechtbank overweegt dat door de bezwaarverzekeringsartsen nadrukkelijk en op navolgbare wijze rekening is gehouden met de depressieve klachten van eiser. De bezwaarverzekeringsarts heeft kennisgenomen van de van de brief van 6 januari 2023 van GGZ InGeest en acht de aangenomen beperkingen in de FML d.d. 7 oktober 2024 passend voor een dysthyme stoornis, zo blijkt uit het rapport van 30 december 2025. Er zijn geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat dit een onjuiste beoordeling is geweest.

De rechtbank overweegt dat ook voldoende rekening is gehouden met de slaapproblemen van eiser. In het rapport van 23 mei 2025 geeft de primaire verzekeringsarts aan dat de slaapklachten en vermoeidheid onveranderd zijn ten opzichte van de WIA-beoordeling in 2024. Bij deze WIA-beoordeling is al rekening gehouden met de geclaimde klachten door het aannemen van een urenbeperking van 6 uur per dag en 30 uur per week. De bezwaarverzekeringsarts heeft toegelicht geen aanleiding te zien om dit aan te passen aangezien er geen nieuwe medische inzichten naar voren zijn gekomen. De rechtbank overweegt ook hierbij dat door eiser geen medische stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat een verdergaande urenbeperking passend is. Daarbij wordt nog overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts in de frequente ademstops wel aanleiding zag om een beperking aan te nemen in chaffeursfuncties, zelfstandig autorijden en een beperking in werk met verhoogd persoonlijk risico waarbij specifiek ernstig letsel kan optreden.

Dat de door eiser aangehaalde klachten van bijvoorbeeld uitstelgedrag, slordigheid en moeite met plannen, voorkomen bij mensen met ADD, betekent nog niet dat deze klachten bij eiser tot uiting komen. Eiser heeft ook hier geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat ten aanzien van de ADD bij hem meer beperkingen aangenomen dienen te worden. Hetzelfde geldt voor de geclaimde taalproblemen; uit de overlegde stukken is niet gebleken dat sprake is van taalvaardigheidsproblemen, die tot het aannemen van meer beperkingen moet leiden.

De darmklachten zijn van ruim na datum in geding. De darmklachten leiden daarom niet tot een ander oordeel per datum in geding.

De rechtbank volgt het standpunt van het UWV dat bij deze ZW-beoordeling geen beoordeling van de duurzaamheid aan de orde is.

7.2.

De rechtbank oordeelt dat met de medische onderbouwing van de bezwaarverzekeringsarts het besluit voldoende deugdelijk is gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Onafhankelijk deskundige

8. Eiser heeft verzocht om een onafhankelijk deskundige te benoemen. Eiser heeft onvoldoende middelen om zelf een contra-expertiserapport op te laten maken.

9. Het beginsel van equality of arms vergt een balans voor partijen in hun mogelijkheden om bewijsmateriaal aan te dragen, die de rechter in staat moet stellen een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven.[_4d8dd155-9f88-4822-a8ef-da25af6ff020] Eiser heeft in bezwaar en in beroep medische informatie overgelegd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische informatie ontbreekt waardoor geen goed beeld van de beperkingen van eiser gekregen kan worden. Eiser heeft voldoende de gelegenheid gehad om de medische onderbouwing van het bestreden besluit met medische stukken te weerleggen. Daarnaast bestaat er, zoals eerder overwogen, geen twijfel over de zorgvuldigheid en juistheid van de medische beoordeling van het UWV. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor de benoeming van een onafhankelijk deskundige. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Arbeidskundige gronden

10. Eiser stelt dat de conclusie van de verzekeringsarts dat de functies nog passend zijn, onvoldoende is gemotiveerd. De geschiktheid is na het aannemen van aanvullende beperkingen niet voorgelegd aan een arbeidsdeskundige.

11. In het rapport van 30 december 2025 heeft de bezwaarverzekeringsarts eiser meer beperkt geacht ten opzichte van de WIA-beoordeling in 2024. Door de bezwaarverzekeringsarts zijn ten opzichte van de FML d.d. 7 oktober 2024 ook nog beperkingen aangenomen ten aanzien van chauffeursfuncties, zelfstandig autorijden en zeer gevaarlijke werkzaamheden waarbij ernstig letsel veroorzaakt kan worden. In een dergelijke situatie waarbij betrokkene meer beperkt wordt geacht, dient te worden beoordeeld in hoeverre dat consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de WIAbeoordeling geselecteerde functies en of ten minste drie geschikte functies met drie arbeidsplaatsen resteren. Die beoordeling kan in eerste instantie worden beperkt tot de medische geschiktheid voor die functies. De geschiktheid dient ook in arbeidskundig opzicht beoordeeld te worden indien en voor zover de door een betrokkene aangevoerde bezwaar- of beroepsgronden daartoe aanleiding geven. Daarbij gaat het om gronden die zien op de opleidings- of ervaringseisen van de functies zoals die ten tijde van de WIAbeoordeling in het CBBS waren opgenomen.[_7a70de89-67bd-41f1-a501-9b216c74f735]

11.1.

In het rapport van 24 oktober 2024 zijn de functies Productiemedewerker (SBC-code 111180), Archiefmedewerker (SBC-code 315132) en Medewerker kleding en textielreiniging (SBC-code 111161) geselecteerd. De rechtbank kan de bezwaarverzekeringsarts volgen in zijn conclusie uit het rapport van 30 december 2025 dat deze drie functies geschikt blijven ondanks de nieuw aangenomen beperkingen. Het zijn functies die in een rustige en conflictvrije omgeving uitgevoerd kunnen worden, fysiek niet te belastend zijn en waarbij geen sprake is van chauffeurswerk of zelfstandig moeten rijden. Ook is geen sprake van zeer gevaarlijke werkzaamheden waarbij ernstig letsel veroorzaakt kan worden.

Eiser heeft aangevoerd dat de functie Archiefmedewerker niet geschikt is voor hem omdat hiervoor een MBO-diploma vereist is en eiser enkel beschikt over een VMBO-diploma. De rechtbank overweegt dat dit standpunt niet opgaat. Ten tijde van de WIA-beoordeling in 2024 is in het CBBS opgenomen dat voor deze functie een VMBO-diploma vereist is. Dit is destijds ook door de arbeidsdeskundige vermeld in het rapport van 24 oktober 2024.

11.2.

De gronden die eiser verder aanvoert ten aanzien van de geselecteerde functies, zijn medisch van aard. De geschiktheid van de functies diende in de onderhavige procedure dus niet voorgelegd te worden aan een arbeidsdeskundige. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. N.I. Heijne Makkreel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Voetnoten

  1. De uitspraak van de CRvB van 5 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1960.
  2. De uitspraak van de CRvB van 13 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2159 en de uitspraak van de CRvB van 4 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1040.
  3. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de CRvB van 28 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:974.
  4. CRvB 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226.
  5. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 2 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1306 en de uitspraak van de CRvB van 5 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:192.
  6. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1634.
  7. Zie de uitspraak van de CRvB van 18 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:99.
  8. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 26 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:184.
  9. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 mei 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:634.
  10. Zie de uitspraak van de CRvB van 23 december 2022, ECLI:CRVB:2022:2672.

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.