Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Noord-Holland, 16 juli 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:12052Zaaknummer K/4104/11971470
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 16 juli 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- K/4104/11971470
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Zaanstad
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
In deze zaak vordert een aannemer dat zijn opdrachtgever zijn factuur voor verrichte schilderwerkzaamheden betaalt. Omdat de aannemer het werk niet heeft afgemaakt en hij zich ten onrechte heeft beroepen op opschorting, heeft de opdrachtgever de overeenkomst geldig ontbonden. Zij hoeft daarom de factuur van de aannemer niet te betalen. Wel moet zij een vergoeding betalen voor het werk dat de aannemer heeft uitgevoerd. De kantonrechter stelt die vergoeding in dit vonnis vast.
5 De beslissing
De kantonrechter
de vordering
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.750,-,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.053,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
de tegenvordering
verklaart voor recht dat de overeenkomst van aanneming is ontbonden,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten tot deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bruin en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11971470 \ CV EXPL 25-3432 (PA)
Vonnis van 16 juli 2026
in de zaak van
[eiser] handelend onder de naam [naam],
te Hoorn,
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: &Legal,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats],
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: Stichting Achmea Rechtsbijstand.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert een aannemer dat zijn opdrachtgever zijn factuur voor verrichte schilderwerkzaamheden betaalt.
Omdat de aannemer het werk niet heeft afgemaakt en hij zich ten onrechte heeft beroepen op opschorting, heeft de opdrachtgever de overeenkomst geldig ontbonden. Zij hoeft daarom de factuur van de aannemer niet te betalen. Wel moet zij een vergoeding betalen voor het werk dat de aannemer heeft uitgevoerd. De kantonrechter stelt die vergoeding in dit vonnis vast.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 november 2025
- de conclusie van antwoord met een tegenvordering
- het tussenvonnis van 19 februari 2026 waarin een mondelinge behandeling is gelast
- de conclusie van antwoord over de tegenvordering, en de overgelegde producties 20 en 21 van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 12 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Op 8 februari 2025 heeft [eiser] een offerte gemaakt voor schilderwerkzaamheden aan het huis van [gedaagde] aan de binnenkant van woning, te weten de plafonds en muren op de begane grond en de eerste verdieping van de woning, het lakken van 11 deuren en deurkozijnen en het lakken van 7 raamkozijnen aan de binnenzijde van de woning. In de offerte wordt een bedrag genoemd van € 3.914,74 inclusief btw. Een dag eerder, op 7 februari 2025, stuurde [eiser] aan [gedaagde] een WhatsApp-bericht met de volgende inhoud, waarop [gedaagde] heeft geantwoord met een duim-emoticon:
“1 maal contant 3591,5
1 maal op factuur 3914,74 (inclusief btw)”
Op 17 februari 2025 is [eiser] gestart met de werkzaamheden.
Op dezelfde dag vraagt [gedaagde] aan [eiser] om een prijsopgave voor het schilderen van de boeidelen en het afdak. [eiser] deelt mee dat dit € 1.828,00 inclusief btw bedraagt. [gedaagde] reageert daarop met een duim-emoticon.
Op 26 februari 2025 stuurt [eiser] aan [gedaagde] een factuur ter hoogte van € 5.742,74.
Met een WhatsApp-bericht van 7 maart 2025 deelt [gedaagde] aan [eiser] mee dat zij de verrichte werkzaamheden zal laten beoordelen door een kennis.
Op 7 maart 2025 stopt [eiser] zijn werkzaamheden Hij stuurt een creditfactuur voor de factuur van 26 februari 2025 en stelt op dezelfde dag een nieuwe factuur op ter hoogte van € 6.712,53 inclusief btw.
Op 8 maart 2025 stelt [gedaagde] [eiser] in gebreke.
Op 9 maart 2025 meldt [gedaagde] aan [eiser] dat zij de samenwerking beëindigt.
Met een brief van 4 augustus 2025 doet [gedaagde] een beroep op ontbinding van de overeenkomst.
3 Het geschil
de vordering
[eiser] vordert primair - samengevat – betaling van € 7.423,16 met rente van [gedaagde]. Subsidiair vordert [eiser] betaling van € 6.712,53.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
de tegenvordering
[gedaagde] vordert - samengevat - een verklaring voor recht dat de overeenkomst van aanneming is ontbonden, dan wel de overeenkomst te ontbinden.
[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde].
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
de vordering en de tegenvordering
Omdat de vordering en de tegenvordering nauw met elkaar samenhangen, zal de kantonrechter deze hierna gezamenlijk behandelen.
De kantonrechter moet beoordelen of [gedaagde] de factuur van 7 maart 2025 aan [eiser] moet betalen. [eiser] legt daaraan ten grondslag dat hij met [gedaagde] een overeenkomst heeft gesloten, waarin een vaste prijs is afgesproken voor zijn schilderwerkzaamheden in de woning. Volgens [eiser] heeft hij zich (terecht) beroepen op opschorting, waardoor het werk niet is afgemaakt. [gedaagde] moet daarom betalen voor de gewerkte uren en de gebruikte materialen, die [eiser] in rekening heeft gebracht in de factuur van 7 maart 2025, aldus [eiser]. De kantonrechter geeft [eiser] hierin geen gelijk en motiveert dat als volgt.
[gedaagde] hoeft de afgesproken prijs van € 7.506,24 niet (volledig) te betalen
Vast staat dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten, waarbij [eiser] zich verplicht om schilderwerkzaamheden te verrichten in de woning van [gedaagde]. [gedaagde] is in principe verplicht de overeengekomen vergoeding te betalen.
Partijen waren het aanvankelijk niet eens over de vraag welke vergoeding partijen hebben afgesproken voor het schilderwerk in de woning. [eiser] stelt dat [gedaagde] éénmaal contant een bedrag van € 3.591,50 zou voldoen en éénmaal een bedrag van € 3.914,74 per factuur. Hij verwijst daarvoor naar zijn WhatsApp-bericht van 7 februari 2025. Volgens [gedaagde] bood [eiser] slechts de optie om de werkzaamheden zwart uit te voeren en had zij gekozen voor de optie om per factuur te betalen. Desgevraagd op de zitting heeft [gedaagde], anders dan in de conclusie van antwoord staat, bevestigd dat de door [eiser] in het WhatsApp-bericht van 7 februari 2025 genoemde bedragen bij elkaar opgeteld moeten worden. Partijen zijn dus een bedrag van in totaal € 7.506,24 overeengekomen voor het schilderwerk in de woning van [gedaagde] (exclusief het eventuele meerwerk voor het schilderwerk buiten).
Partijen zijn het er echter over eens dat [gedaagde] dit bedrag niet hellemaal hoeft te betalen, omdat [eiser] zijn werkzaamheden heeft opgeschort en het werk niet heeft afgemaakt. Volgens [gedaagde] was dat beroep op opschorting echter onterecht en hoeft zij daarom de factuur niet te betalen. De kantonrechter komt daarom toe aan de beoordeling van het beroep van [eiser] op de opschorting.
Ten onrechte opschorting door [eiser]
Op 7 maart 2025 heeft [eiser] zijn werkzaamheden opgeschort. Hij legt daaraan onder meer ten grondslag dat partijen zijn overeengekomen dat de volledige aanneemsom gedurende de werkzaamheden en in één keer in rekening gebracht mocht worden, maar dat [gedaagde] vervolgens weigerde de factuur van 26 februari 2025 volledig te betalen. De kantonrechter volgt [eiser] hierin niet en motiveert dat als volgt.
Volgens [eiser] heeft hij op 7 februari 2025 met [gedaagde] afgesproken dat de volledige aanneemsom door [gedaagde] bij vooruitbetaling zou worden voldaan, na ontvangst van de eerste factuur. [gedaagde] betwist deze afspraak. [eiser] heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit deze afspraak zou moeten volgen. Gelet daarop vindt de kantonrechter de kale en niet onderbouwde stelling van [eiser] te vaag. Te meer omdat [eiser] op de zitting heeft toegelicht dat hij in eerste instantie tegen [gedaagde] (juist) heeft gezegd dat een voorschot niet nodig was. Toen later bleek dat de planning uitliep en hij dus het werk niet op tijd af zou krijgen (terwijl zijn vrouw bovendien hoogzwanger was), heeft [eiser] aan [gedaagde] alsnog gevraagd om vooruitbetaling van de factuur. Verder weegt mee dat [eiser] op 26 februari 2025 zelf per WhatsApp-bericht aan [gedaagde] het volgende schrijft: “Ik heb nog nooit een aanbetaling van een klant gevraagd maar ik zit nu echt met nood omdat ik anders straks in de kraamweek misschien wel door moet werken.” Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat partijen bij de start van de werkzaamheden hebben afgesproken dat [gedaagde] bij vooruitbetaling moest betalen. Het enkele feit dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan het verzoek van [eiser] om de factuur van 26 februari 2025 bij vooruitbetaling te voldoen, rechtvaardigt dus niet de opschorting door [eiser].
[eiser] legt aan zijn beroep op opschorting verder ten grondslag dat hij vreesde dat [gedaagde] haar betalingsverplichtingen niet zou nakomen en dat zij de discussie over de kwaliteit van het werk aangreep om betaling uit te stellen of te vermijden.
De kantonrechter stelt voorop dat [eiser] niet zomaar mocht opschorten. Hij moest daarvoor een duidelijke en goede reden hebben. Het enkele feit dat [gedaagde] heeft gezegd dat zij afhankelijk was van haar vader voor de betaling, voldoet naar het oordeel van de kantonrechter niet aan die maatstaf. [gedaagde] heeft immers op de zitting toegelicht dat zij het schilderwerk cadeau kreeg van haar vader. Bovendien heeft de vader van [gedaagde] een aanbetaling voorgesteld, omdat [eiser] aanspraak maakte op (vooruit)betaling van het gehele bedrag terwijl partijen dat niet hadden afgesproken. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, mocht [eiser] uit het feit dat de vader van [gedaagde] het schilderwerk zou betalen, niet afleiden dat [gedaagde] niet aan haar betalingsverplichtingen zou (kunnen) voldoen. Dat [gedaagde] vraagtekens heeft geplaatst bij de kwaliteit van het werk, rechtvaardigt evenmin de opschorting. Het staat een opdrachtgever namelijk vrij om ook tijdens de uitvoering van het werk de kwaliteit daarvan te (laten) beoordelen en daarover zo nodig vragen te stellen aan de aannemer. Daaruit mocht [eiser] niet zomaar de conclusie trekken dat [gedaagde] niet voor zijn werk zou betalen. Aan de stelling van [eiser] dat hij van derden zou hebben gehoord dat [gedaagde] ook bij hen moeilijk zou hebben gedaan over de betaling, gaat de kantonrechter ook voorbij. [gedaagde] betwist dit namelijk en [eiser] heeft dit niet verder onderbouwd.
Het bovenstaande betekent dat er bestond geen gegronde vrees was dat [gedaagde] niet van plan was te betalen voor de werkzaamheden. [eiser] heeft daarom ten onrechte zijn werkzaamheden opgeschort.
[gedaagde] mocht de overeenkomst ontbinden
De vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is of [gedaagde] de overeenkomst met [eiser] buitengerechtelijk mocht ontbinden. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend.
[eiser] is tekort geschoten in de nakoming van zijn verbintenis uit de overeenkomst en in verzuim gekomen, omdat hij zijn werkzaamheden ten onrechte heeft opgeschort.[_d9098467-c230-402c-8edf-f9eaef9aea0f] [eiser] is immers zonder goede reden gestopt met het verrichten van zijn werkzaamheden. Dit betekent dat [gedaagde] de overeenkomst heeft mogen ontbinden.[_eb826a0d-8882-4ceb-8800-0b39e50952ea] De door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht wijst de kantonrechter daarom toe. De primair door [eiser] gevorderde betaling van de factuur van 7 maart 2025 ten bedrage van € 6.712,53, die is gebaseerd op nakoming van de overeenkomst, wijst de kantonrechter daarom af.
[gedaagde] moet de waarde van het verrichte werk aan [eiser] vergoeden
Omdat de overeenkomst is ontbonden, zijn partijen verplicht om alles wat zij hebben gedaan op grond van de overeenkomst, ongedaan te maken.[_5e90d133-0358-40a1-9054-a53d3473d6f8] [eiser] heeft geen betaling ontvangen van [gedaagde] en hoeft daarom niets aan [gedaagde] terug te betalen. De door [eiser] verrichte prestaties moeten ongedaan worden gemaakt. De aard van deze prestaties sluit ongedaanmaking echter uit. Daarom ontstaat een verplichting van [gedaagde] om aan [eiser] de waarde van zijn prestatie te vergoeden.[_a038f3ac-a491-4934-8d5e-136835c84dce] De rechter komt bij het vaststellen van de waardevergoeding een hoge mate van vrijheid toe.
Een waarde die gelijk is aan hetgeen [eiser] heeft gefactureerd, zoals [eiser] stelt, ligt niet voor de hand. [eiser] heeft namelijk de door hem gestelde gewerkte uren gefactureerd en het materiaal wat hij heeft gebruikt. Een waardevergoeding is iets anders, namelijk de objectieve waarde van de daadwerkelijk geleverde prestatie op het moment van ontvangst.
De vraag resteert wat de juiste waarde dan wel is die aan de door [eiser] geleverde prestaties moet worden toegekend in de zin van 6:272 BW. De kantonrechter realiseert zich dat dit in dit geval niet exact zal kunnen worden vastgesteld en dat zal moeten worden volstaan met een schatting. Bij het vaststellen daarvan weegt de kantonrechter de volgende omstandigheden mee:
- Partijen waren aanvankelijk een prijs van € 7.506,24 overeengekomen voor het schilderwerk in de woning van [gedaagde]. De kantonrechter laat hierbij het eventuele meerwerk (buiten de woning) buiten beschouwing, omdat niet is gesteld dat [eiser] een start heeft gemaakt met de uitvoering van dat meerwerk.
- Volgens [eiser] zouden de werkzaamheden in de woning 3 à 4 weken duren. [eiser] is op 17 februari 2025 gestart met de werkzaamheden en op 7 maart 2025 (dus bijna drie weken later) gestopt.
- Vast staat dat [eiser] in die periode niet elke dag werkzaamheden heeft verricht, maar wel een aanzienlijk aantal dagen, en dat hij op een deel van die dagen een collega heeft meegenomen, die hem heeft geassisteerd bij het schilderwerk. [eiser] heeft verder toegelicht dat hij een urenregistratie heeft bijgehouden, waaruit volgt dat hij zelf 74 uur heeft gewerkt en zijn assistent 54,5 uur. [gedaagde] heeft daartegen slechts aangevoerd dat [eiser] in de periode vanaf 17 februari 2025 tot en met 7 maart 2025 niet iedere dag in haar woning heeft gewerkt, maar dat is in overeenstemming met de urenregistratie van [eiser].
- Dit tijdsverloop en het geregistreerde aantal uren wijst er op dat een significant deel van de overeengekomen werkzaamheden is verricht. Volgens [eiser] was 80% van de overeengekomen werkzaamheden uitgevoerd. [gedaagde] stelt dat ongeveer 30% van de overeengekomen werkzaamheden was uitgevoerd. Dat volgens [gedaagde] 80% daarvan door haar is afgekeurd, speelt geen doorslaggevende rol, omdat zij haar standpunt over de kwaliteit van het geleverde werk in deze procedure onvoldoende heeft onderbouwd, terwijl [eiser] het betoog over de kwaliteit van het werk gemotiveerd heeft weersproken. Het enkel overleggen van foto’s door [gedaagde], zonder dat bijvoorbeeld een deskundige is gevraagd om het werk te beoordelen, volstaat daarom in dit geval niet.
- Tot slot staat vast dat [eiser] voor de door hem verrichte werkzaamheden materialen heeft gebruikt en dus hoe dan ook kosten heeft gehad.
Alle genoemde omstandigheden afwegend, acht de kantonrechter het passend om de waarde voor de door [eiser] verrichte werkzaamheden gedurende de periode 17 februari 2025 tot en met 7 maart 2025 (datum opschorting) schattenderwijs vast te stellen op de helft (50%) van het oorspronkelijke overeengekomen bedrag van € 7.506,24. Dit betekent dat [eiser] als gevolg van de ongedaanmakingsverbintenis recht heeft op betaling van afgerond € 3.750,-. De kantonrechter wijst daarom de subsidiaire vordering van [eiser] tot dat bedrag toe.
Eventuele schending informatieplichten is verdisconteerd in de waardevergoeding
De kantonrechter moet ambtshalve onderzoeken of een professionele dienstverlener (in dit geval [eiser]) jegens de consument ( [gedaagde]) heeft voldaan aan de informatieplichten zoals genoemd in de wet.
De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen valt niet onder de definities van overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte als bedoeld in artikel 6:230g lid 1 onder e en f van het BW. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen namelijk toegelicht dat zij de woning gezamenlijk hebben bezocht om de uit te voeren werkzaamheden in kaart te brengen. Pas op een later moment – nadat de offerte was uitgewisseld – hebben zij de overeenkomst gesloten. Onder die omstandigheden is sprake van een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. Daarom zijn de informatieplichten van artikel 6:230l BW van toepassing.
Onder meer was [eiser] verplicht informatie te verstrekken over de prijs van zijn werkzaamheden (artikel 6:230l sub c BW). Hoewel in de offerte van [eiser] blijkbaar niet de volledige prijs is vermeld (omdat de tweede helft van de aanneemsom ‘zwart’ zou worden betaald) en dus in zoverre sprake is van onduidelijke informatie, is op de zitting naar voren gekomen dat de informatie over de prijs duidelijk was voor [gedaagde] (en dat de afspraak over het deels ‘zwart’ betalen van de aanneemsom was vastgelegd in het WhatsApp-bericht van 7 februari 2025). Voor zover er een schending is van de informatieplicht, is deze schending daarom naar het oordeel van de kantonrechter voldoende verdisconteerd in de toewijsbare waardevergoeding. Dit betekent dat deze schending geen verdere gevolgen heeft voor de hoogte van het toegewezen bedrag.
De buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente zijn niet (subsidiair) gevorderd
In de dagvaarding wordt bij de primaire vordering een bedrag van € 710,63 genoemd aan buitengerechtelijke incassokosten en wordt de wettelijke rente gevorderd vanaf 2 april 2025, terwijl in het petitum bij de subsidiaire vordering geen rente en kosten gevorderd zijn. Omdat de primaire vordering wordt afgewezen en alleen de subsidiaire vordering deels wordt toegewezen, is er geen grond voor toewijzing van de rente en kosten. De kantonrechter kan namelijk niet meer toewijzen dan gevorderd.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen
[gedaagde] is voor het grootste deel in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 146,14 | |
| - griffierecht | € | 257,00 | |
| - salaris gemachtigde | € | 506,00 | (2 punten × € 253,00) |
| - nakosten | € | 144,00 | (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 1.053,14 |
[eiser] is ten aanzien van de tegenvordering in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat de vordering en de tegenvordering nauw met elkaar samenhangen worden de proceskosten van [gedaagde] in dit geval begroot op nihil.
5 De beslissing
De kantonrechter
de vordering
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.750,-,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.053,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
de tegenvordering
verklaart voor recht dat de overeenkomst van aanneming is ontbonden,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten tot deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bruin en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
Voetnoten
- Op grond van artikel 6:83 onder c BW. Vgl. HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610.
- Artikel 6:265 BW.
- Artikel 6:271 BW.
- Artikel 6:272 lid 1 BW.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.