Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Noord-Holland, 9 september 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:11634Zaaknummer K/4101/12120070
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 9 september 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- K/4101/12120070
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Alkmaar
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
In deze zaak draait het om de vraag of een garagebedrijf dwangsommen heeft verbeurd, omdat niet aan een veroordelend vonnis zou zijn voldaan. De kantonrechter is van oordeel dat het garagebedrijf geen dwangsommen heeft verbeurd. Daarnaast ziet de kantonrechter geen aanleiding om het garagebedrijf te veroordelen om de auto van gedaagde af te geven.
6 De beslissing
De kantonrechter
in de hoofdzaak
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de incidenten (voorlopige voorzieningen)
wijst de vorderingen van partijen af,
| 6.5. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 12120070 \ CV EXPL 26-940 WD
Vonnis van 9 september 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: S. Baldinger,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [naam],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. C.H.A. van de Wiel.
De zaak in het kort
In deze zaak draait het om de vraag of een garagebedrijf dwangsommen heeft verbeurd, omdat niet aan een veroordelend vonnis zou zijn voldaan. De kantonrechter is van oordeel dat het garagebedrijf geen dwangsommen heeft verbeurd. Daarnaast ziet de kantonrechter geen aanleiding om het garagebedrijf te veroordelen om de auto van gedaagde af te geven.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met vijf producties;
- het verzoek van [eiser] tot het treffen van een voorlopige voorziening;- de conclusie van antwoord tevens verweerschrift tegen het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, met drie producties;
- het tussenvonnis van 1 juli 2026;
- het verzoek van [gedaagde] tot schorsing van de executie, met twee producties (genummerd: 4 en 5);- de door [eiser] op 24 augustus 2026 ingediende producties;
- de mondelinge behandeling van 31 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waar partijen het woord hebben doen voeren aan de hand van pleitnota’s die zijn overgelegd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiser] is eigenaar van een Renault Clio Williams Swiss Champignon uit 1996 (hierna: de auto)
[eiser] heeft op 15 maart 2025 de auto bij [gedaagde] gebracht voor het uitvoeren van herstel/ restauratiewerkzaamheden. Over de uitvoering van deze opdracht is tussen partijen een geschil ontstaan.
Bij vonnis van 24 december 2025 is [gedaagde] veroordeeld om binnen twee maanden na betekening van dat vonnis de restauratiewerkzaamheden die waren omschreven in de door [gedaagde] opgestelde pro forma factuur uit te voeren op straffe van een dwangsom. In dit vonnis is voorts bepaald dat partijen voor de werkzaamheden een bedrag van € 8.747,42 zijn overeengekomen.
Geen van partijen heeft beroep tegen dit vonnis aangetekend.
Op 31 december 2025 heeft [eiser] voornoemd vonnis aan [gedaagde] betekend.
Bij e-mail van 23 februari 2026 om 16:31 uur heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven dat de auto op 28 februari 2026 bij [gedaagde] kan worden opgehaald.
Partijen hebben in de periode daarna gecorrespondeerd over afgifte van de auto, de betaling van het bedrag van € 8.747,42 en de door een deskundige uit te voeren keuring van de werkzaamheden.
Partijen zijn het over één en ander niet eens geworden. De auto staat nog steeds bij [gedaagde]. Het genoemde bedrag is niet door [eiser] aan [gedaagde] betaald.
3 Het geschil in de hoofdzaak
[eiser] vordert - samengevat – dat de kantonrechter:(i) [gedaagde] op straffe van een dwangsom veroordeelt om de auto aan [eiser] af te geven;(ii) verklaart voor recht dat [gedaagde] op grond van het vonnis van 24 december 2025 een bedrag van € 25.000,00 aan dwangsommen heeft verbeurd.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De geschillen in het incident
het verzoek van [eiser] tot het treffen van een voorlopige voorziening
[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] op straffe van veroordeelt tot afgifte van de auto aan [eiser].
[gedaagde] voert verweer.
het verzoek van [gedaagde] tot het schorsen van de executie
[gedaagde] vordert dat de kantonrechter voor de executie door [eiser] van de dwangsommen voor de duur van het geding schorst.
[eiser] voert verweer.
5 De beoordeling
in de hoofdzaak
De kantonrechter ziet aanleiding om eerst in te gaan op de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht.
In deze zaak draait het – onder andere – om de vraag of [gedaagde] dwangsommen heeft verbeurd, omdat hij de veroordelingen uit het vonnis van 24 december 2025 niet, niet tijdig of onvoldoende is nagekomen. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] na betekening van het vonnis tot 1 maart 2026 de gelegenheid heeft gehad om de overeengekomen restauratiewerkzaamheden uit te voeren en dat hij vanaf die datum eventueel dwangsommen zou verbeuren.
De stelplicht en bewijslast dat dwangsommen zijn verbeurd, rusten – volgens vaste rechtspraak– in de executiefase op de executerende partij, in dit geval dus op [eiser]. Het is dus [eiser] die in deze procedure moet stellen en bij voldoende gemotiveerde betwisting moet bewijzen dat [gedaagde] niet aan het vonnis heeft voldaan en om die reden dwangsommen heeft verbeurd. Afhankelijk van de wijze waarop de executerende partij ( [eiser]) invulling geeft aan de op hem rustende stelplicht, kan op diens wederpartij ( [gedaagde]) eventueel een verzwaarde motiveringsplicht komen te rusten.
Ter onderbouwing van zijn stelling dat [gedaagde] dwangsommen heeft verbeurd, voert [eiser] het volgende aan:(i) [gedaagde] heeft ondanks toezegging [eiser] niet op de hoogte gehouden van de voortgang van de uitvoering van de werkzaamheden;(ii) [eiser] heeft een gerechtsdeurwaarder ter plaatse foto’s laten maken. Uit deze foto’s blijkt slechts dat [gedaagde] de auto uit elkaar heeft gehaald. Onduidelijk is echter welke werkzaamheden [gedaagde] destijds aan de auto heeft verricht en of dit deugdelijk is gebeurd, aldus [eiser].
(iii) Tot slot heeft [eiser] gewezen op het tijdsverloop in deze zaak.
[gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn betwisting gewezen op de door hem na voltooiing van de werkzaamheden gemaakte foto’s en op de inhoud van het op 20 februari 2026 opgestelde APK-keuringsrapport.
De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] niet (tijdig) heeft voldaan aan het vonnis van 24 december 2025. De door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden bevatten daarvoor geen aanknopingspunten. Dat [gedaagde] [eiser] van de voortgang niet op de hoogte zou hebben gehouden, vindt de kantonrechter niet relevant. Dit geldt ook voor de niet nader gemotiveerde verwijzing door [eiser] naar het tijdsverloop sedert 15 maart 2025.Wat betreft de door [eiser] overgelegde foto’s merkt de kantonrechter op dat deze uiterlijk 28 januari 2026 zijn genomen, dus vier weken voor het einde van de aan [gedaagde] gegunde termijn. Alleen al om die reden kan aan deze foto’s geen waarde worden toegekend.
Hiertegenover staat de onderbouwde en met relevante stukken (eigen foto’s van [gedaagde] en APK-keuringsrapport) gestaafde betwisting van [gedaagde]. Al met al kan de kantonrechter op basis van de op dit moment beschikbare informatie niet vaststellen dat [gedaagde] niet aan het vonnis zou hebben voldaan.
De kantonrechter heeft er nota van genomen dat [gedaagde] als uitvoerende partij bij uitstek degene is die inlichtingen kan geven over de uitvoering van werkzaamheden, reden waarom op hem een verzwaarde motiveringsplicht kan rusten. Deze verzwaarde motiveringsplicht wordt echter pas actueel, indien [eiser] als eisende partij aan zijn stelplicht heeft voldaan. Dit is, zoals uit het voorgaande blijkt, niet het geval. Nog afgezien daarvan is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] zijn betwisting zodanig heeft gemotiveerd en onderbouwd dat aan deze verplichting is voldaan.
De kantonrechter zal geen deskundige benoemen voor het uitvoeren van een onderzoek en [eiser] evenmin gelegenheid bieden tot het leveren van bewijs. Gelet op de onvoldoende feitelijke onderbouwing van [eiser], bestaat daarvoor geen aanleiding.
Over de door [eiser] gevorderde afgifte van de auto overweegt de kantonrechter als volgt.
[eiser] is van mening dat hij recht heeft op afgifte van de auto. [gedaagde] voert aan dat hij slechts tot afgifte van de auto is gehouden als [eiser] tegelijkertijd het voor de werkzaamheden overeengekomen bedrag van € 8.747,42 betaalt. Omdat [eiser] hiertoe niet bereid is, is [gedaagde] vooralsnog gehouden de auto onder zich te houden op grond van een aan hem toekomend retentierecht, aldus [gedaagde] .[eiser] brengt daar tegenin dat hij slechts tot betaling gehouden is, als hij na afgifte van de auto aan hem de auto heeft kunnen keuren.
De kantonrechter overweegt als volgt. Bij gebrek aan concrete partijafspraken over het tijdstip van aflevering en betaling of hierop ziende beslissingen in het vonnis van 24 december 2025, is het uitgangspunt dat er sprake moet zijn van gelijk oversteken. Dat houdt in dat het moment van afgifte van de auto en betaling van de verschuldigde som (nagenoeg) samenvalt. De kantonrechter ziet niet in waarom [gedaagde] gehouden zou zijn de auto zonder gelijktijdige betaling aan [eiser] te verstrekken. Zonder betaling mocht [gedaagde] de auto op grond van een aan hem toekomend retentierecht onder zich houden[_4f41a65d-5a99-402c-a093-2a989456696d].
De kantonrechter stelt voorts vast dat [gedaagde] zich in de medio februari 2026 gevoerde correspondentie bereid heeft getoond om de auto bij gelijktijdige betaling door [eiser] aan [eiser] af te geven, één en ander op de bedrijfslocatie van [gedaagde], wat gebruikelijk is. Dat [eiser] hierop niet is ingegaan, komt voor zijn risico. Gezien het voorgaande ziet de kantonrechter geen aanleiding om [gedaagde] op straffe van een dwangsom tot afgifte van de auto te veroordelen.
De kantonrechter zal de vorderingen van [eiser] afwijzen. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
| - salaris gemachtigde | € | 720,00 | (2 punten × € 360,00) |
| - nakosten | € | 144,00 | (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 864,00 |
De kantonrechter is bij de begroting uitgegaan van het liquidatietarief. Weliswaar maakt [gedaagde] aanspraak op vergoeding van werkelijke proceskosten, maar hiervoor bestaat slechts aanleiding in de uitzonderlijke omstandigheid dat [eiser] zich schuldig maakt aan misbruik van procesrecht. De lat om dit aan te nemen is hoog en de kantonrechter is niet van oordeel dat hieraan in dit geval is voldaan.Bij de toepassing van het liquidatietarief heeft de kantonrechter aangeknoopt bij de hoogte van de door [eiser] aan [gedaagde] te betalen vergoeding voor de werkzaamheden.
in de incidenten (voorlopige voorzieningen)
Beide door partijen ingediende vorderingen zien op het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van dit geding. Omdat de kantonrechter in de hoofdzaak een einduitspraak doet, kunnen de de gevorderde voorzieningen dus niet meer worden toegewezen. De kantonrechter zal de door partijen over en weer ingestelde vorderingen afwijzen.
Nu de vorderingen van beide partijen zijn afgewezen, zijn beide partijen over en weer in het ongelijk gesteld. De kantonrechter zal de proceskosten van partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6 De beslissing
De kantonrechter
in de hoofdzaak
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de incidenten (voorlopige voorzieningen)
wijst de vorderingen van partijen af,
| 6.5. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026. |
Voetnoten
- Zie artikel 3:290 van het Burgerlijk Wetboek
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.