Uitspraak · Belastingrecht

Rechtbank Noord-Holland, 20 augustus 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:11169Zaaknummer AWB - 25 _ 5566

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20 augustus 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 5566
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Gehandicaptenparkeerkaart. Gehandicaptenparkeervergunning. Beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Filius, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Geschil 2. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
  5. Beslissing
  6. Rechtsmiddel

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/5566

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: M. Karseboom),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zaanstad, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 november 2025 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2026. Belanghebbende is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam].

Overwegingen

Feiten

1. Belanghebbende beschikt over een Europese gehandicaptenparkeerkaart. Op

14 oktober 2025 om 13:16 uur stond de auto van belanghebbende met het kenteken [#] (hierna: de auto) geparkeerd op een reguliere (fiscale) parkeerplaats (dus niet op een gehandicaptenparkeerplaats) aan de [straat] te Zaandam. Ter plaatse was op genoemde datum en genoemd tijdstip parkeerbelasting verschuldigd. Tijdens een controle met een scanauto is gebleken dat voor dat tijdstip geen parkeerbelasting was voldaan. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd voor een bedrag van € 81,90, bestaande uit

€ 3,10 parkeerbelasting en € 78,80 aan kosten.

Geschil 2. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

3. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Hij heeft parkeergeld betaald en hij beschikt bovendien over een gehandicaptenparkeerkaart. Belanghebbende verzoekt “seponering van deze kwestie dan wel parkeerbelasting gelet maatschappelijk belang in zijn totaliteit.”

Belanghebbende concludeert, naar de rechtbank begrijpt, tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag.

4. Verweerder stelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Er was parkeerbelasting betaald voor de periode van 12:02 uur tot 13:02 uur, maar ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag (13:16 uur) was er geen parkeerbelasting betaald. Belanghebbende beschikte niet over een gehandicaptenparkeervergunning en hij had dus parkeerbelasting moeten betalen. Belanghebbende had volgens verweerder op de hoogte kunnen zijn van de parkeerregels en verwijst naar de websites van de rijksoverheid en de gemeente Zaanstad. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

5. Op grond van artikel 225, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet kan in het kader van de parkeerregulering een belasting worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze.

6. Op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen Zaanstad 2025 (hierna: de verordening) mogen gehandicapten die in het bezit zijn van een gehandicaptenparkeervergunning, zonder daarvoor parkeerbelasting te betalen hun voertuig in parkeervakken plaatsen waarvoor niet-gehandicapten parkeerbelastingplichtig zijn. Onder een gehandicaptenparkeervergunning wordt op grond van artikel 11, eerste lid, Parkeerverordening Zaanstad 2017 verstaan een vergunning die op een daartoe strekkend verzoek wordt verleend aan de houder van een geldige gehandicaptenparkeerkaart als bedoeld in de Regeling gehandicaptenparkeerkaart.

7. Niet in geschil is dat belanghebbende op 14 oktober 2025 heeft geparkeerd op een parkeerplaats waar ten tijde van het parkeren een betaald parkeerregime gold. Belanghebbende heeft parkeerbelasting betaald voor de periode van 12:02 uur tot 13:02 uur, maar vaststaat dat er op het moment van controle (13:16 uur) geen parkeerbelasting was voldaan. Belanghebbende stond dus om 13:16 uur zonder de vereiste digitale gehandicaptenparkeervergunning en zonder parkeerbelasting te hebben betaald geparkeerd op een parkeerplaats waar ten tijde van het parkeren een betaald parkeerregime gold. Hij had alleen gratis mogen parkeren op die parkeerplaats als hij naast de gehandicaptenparkeerkaart ook beschikte over een digitale gehandicaptenparkeervergunning. Nu belanghebbende niet beschikte over deze vergunning, was er geen grond voor een ontheffing van parkeerbelasting. Belanghebbende had daarom parkeerbelasting moeten voldoen.

8. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat het onredelijk is dat aan hem een naheffingsaanslag is opgelegd, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat parkeerbelasting een zogenoemde objectieve belasting is, waarbij opzet en schuld geen rol spelen. Dat wil zeggen dat de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige in beginsel niet in de weg kunnen staan aan de heffing als aan de voorwaarden is voldaan. Dit is alleen anders in uitzonderlijke gevallen, als de belastingplichtige niet in redelijkheid de gelegenheid heeft gehad om de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen, bijvoorbeeld doordat hem na aanvang van het parkeren niet een redelijke tijd wordt gegund voor het betalen van de parkeerbelasting. Zo’n uitzonderlijk geval kan zich ook voordoen als de belastingplichtige door onvoorziene omstandigheden zoals een acute noodsituatie niet in staat is de parkeerbelasting te betalen. In dit soort gevallen brengt een redelijke wetsuitleg mee dat de regeling over de verschuldigdheid van parkeerbelasting niet wordt toegepast, en dat naheffing met kostenopslag uitblijft (vgl. Hoge Raad 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535). In alle andere gevallen biedt uitleg van de wettelijke regeling volgens de Hoge Raad geen ruimte om in een individueel geval bij het niet betalen van de parkeerbelasting rekening te houden met de mate van verwijtbaarheid van die gedraging, of met omstandigheden waardoor de hoogte van het bedrag van de kosten niet passend en geboden zou zijn. Ook het evenredigheidsbeginsel biedt geen ruimere toetsingsmogelijkheid, aldus de Hoge Raad in genoemd arrest.

9. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een uitzonderlijk geval zoals omschreven onder 8. Er is geen sprake van een acute noodsituatie of onvoorziene omstandigheden. Evenmin is sprake van een situatie waarin belanghebbende niet in redelijkheid de gelegenheid heeft gehad de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. Belanghebbende had zich moeten vergewissen van het in de gemeente Zaanstad geldende parkeerregime. Uit de website van de gemeente Zaanstad volgt dat houders van een gehandicaptenparkeerkaart in de gehele gemeente gratis mogen parkeren op gehandicaptenparkeerplaatsen, aangeduid met een rolstoelsymbool. Ook kan gratis worden geparkeerd op plaatsen waar betaald parkeren geldt. Daartoe is naast een gehandicaptenparkeerkaart tevens een digitale gehandicaptenparkeervergunning vereist. Inwoners van de gemeente Zaanstad aan wie een gehandicaptenparkeerkaart wordt toegekend krijgen automatisch een gehandicaptenparkeervergunning, maar niet-ingezetenen van de gemeente Zaanstad moeten die vergunning zelf aanvragen. Deze vergunning kan kosteloos worden aangevraagd via de website van de gemeente Zaanstad. De rechtbank begrijpt uit het verhandelde ter zitting dat de scanauto ten aanzien van niet-ingezetenen kentekenhouders die hebben geparkeerd op een betaald parkeren plaats niet kan vaststellen of deze beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart. Kennelijk wordt in zulke gevallen niet gecontroleerd of er een gehandicaptenparkeerkaart in de auto aanwezig is. De digitale gehandicaptenparkeervergunning is dus van belang in het kader van de parkeerregulering binnen de gemeente. Nu belanghebbende niet heeft voldaan aan deze vergunningsvoorwaarde concludeert de rechtbank dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

10. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Dit betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt.

Proceskosten

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Filius, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.