Uitspraak · Belastingrecht
Rechtbank Noord-Holland, 24 juli 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:11005Zaaknummer HAA 25/3761
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 24 juli 2026
- Publicatiedatum
- 8 oktober 2026
- Zaaknummer
- HAA 25/3761
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, omdat het door belanghebbende na het verstrijken van de bezwaartermijn is ingediend als gevolg van een haar niet toe te rekenen omstandigheid en belanghebbende het bezwaar tevens zo spoedig als redelijkerwijs kon worden verlangd heeft ingediend, nadat zij bekend was geworden met de inhoud van de aanslag Vpb 2019.
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op opnieuw uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 1.868, en
- gelast verweerder het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 385 aan haar te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3761
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], belanghebbende
(gemachtigde: prof.dr. A.O. Lubbers),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Breda, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan belanghebbende met dagtekening 13 mei 2023 voor het jaar 2019 een aanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 657.374. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 25.698 aan belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft hiertegen met dagtekening 12 september 2023 bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 juli 2025 het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2026 te Haarlem. Namens belanghebbende is verschenen [naam 1], bijgestaan door [naam 2], en de gemachtigde en [naam 3], kantoorgenoot van gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden [naam 4] en [naam 5].
Overwegingen
Feiten
1. Op 29 oktober 2020 heeft belanghebbende een aangifte Vpb 2019 ingediend, naar een belastbare winst van € 657.374 en een belastbaar bedrag van € 0.
2. De gemachtigde heeft zich in 2022 bij de Belastingdienst gemeld als gemachtigde van belanghebbende.
3. Verweerder heeft bij brief van 28 april 2023 aan gemachtigde kenbaar gemaakt voornemens te zijn om bij het opleggen van de aanslag Vpb 2019 af te wijken van de door belanghebbende ingediende aangifte. Een digitale kopie van de brief is door verweerder per e-mail aan gemachtigde verstuurd. Verweerder heeft in de e-mail het volgende opgemerkt:
“Vandaag heb ik de elementen van de aanslag vennootschapsbelasting ten name van [belanghebbende] BV over 2019 vastgesteld. Hierbij ben ik afgeweken van de ingediende aangifte. Ik heb de geclaimde verliesverrekening van een bedrag van € 657.374 in zijn geheel gecorrigeerd. De aanslag wordt vastgesteld naar een belastbare winst en belastbaar bedrag van € 657.374.
De verwachting is dat de aanslag een dagtekening zal hebben van uiterlijk 31 mei 2023.”
4. Gemachtigde heeft eveneens op 28 april 2023 een kopie van de bovengenoemde brief doorgestuurd aan de heer [naam 1], de bestuurder van belanghebbende. De e-mail vermeldt onder meer het volgende:
“Please find the letter attached from Mr [naam 5] regarding the CIT 2019 of [belanghebbende].
We can add this to the list of objections”
5. In reactie daarop heeft de gemachtigde op 1 mei 2023 de volgende e-mail ontvangen van mevrouw [naam 2], officemanager van het kantoor van belanghebbende:
“ [naam 1] is home recuperating from a lung inflammation. I will let him know of your message.”
6. Met dagtekening 13 mei 2023 is de aanslag Vpb 2019 vastgesteld.
7. Tot de gedingstukken behoort een door verweerder op 12 september 2023 opgemaakt rapport van de verzending van de aanslag Vpb 2019. Hieruit volgt dat de aanslag op 10 mei 2023 ter postbezorging is aangeboden aan PostNL.
8. Belanghebbende heeft het bedrag van de aanslag niet voldaan vóór de in de aanslag opgenomen uiterste betaaldatum van 24 juni 2023.
9. Gemachtigde heeft op 6 juli 2023 een e-mail aan belanghebbende verstuurd met – voor zover hier van belang – de volgende inhoud:
“A couple of weeks ago we received a letter of [naam 5] concerning the assessment VPB 2019 for [belanghebbende].
We have not received the assessment yet. Did you receive the assessment? It is important not to exceed the deadline for making an objection.”
10. In verband met het uitblijven van de betaling van de aanslag Vpb 2019 heeft de ontvanger een aanmaning met dagtekening 22 juli 2023 naar belanghebbende verstuurd. De aanmaning vermeldt - voor zover hier van belang - het betreffende aanslagnummer, het bedrag van de belastingaanslag, zijnde € 178.040, en een uiterste betaaldatum van 5 augustus 2023.
11. Per brief met dagtekening 18 juli 2023 heeft belanghebbende verweerder aangeschreven. De brief vermeldt onder meer het volgende:
“This letter is written to you to notify you that neither [bedrijf] nor we are in receipt of any correpsondence with regards to the corporate income tax of 2019. Therefore, may we request you to send it to either of us whenever the information is available..”
12. In reactie op de brief van belanghebbende stuurt verweerder per e-mail van 27 juli 2023 een kopie van de brief van 28 april 2023 en informeert verweerder belanghebbende dat de aanslag een dagtekening van 13 mei 2023 heeft.
13. Met dagtekening 14 augustus 2023 heeft de ontvanger ter zake van de betaling van de aanslag Vpb 2019 een dwangbevel naar belanghebbende gestuurd.
14. Belanghebbende reageert op 17 augustus 2023 per e-mail en per brief op de e-mail van verweerder van 27 juli 2023. Belanghebbende schrijft onder meer het volgende:
“This is written to you in response to your mail 27th July 2023 sent to [e-mailadres] .com. We also sent this via email but given some intermittent technical issues with our mail, we also send this via registered post.
[belanghebbende] never received any letters prior to the July 22 2023 reminder letter. Please be aware of this. The reminder letter is impossible to decipher or understand if we don’t have the full assessment. Our letter to you on the 18th July 2023 informs you of this. You have meanwhile, in your email, sent a letter of correspondence which is not the assessment. Normally, after this letter from April 2023, it is the the usual custom that one gets the letter of assessment from the tax authorities which leads to the amount mentioned in the reminder. Therefore, our letter of 18th July 2023 still stands where we indicate that we have not received the original full assessment for the year 2019 as normally received for all the previous years.
A reminder without the assessment is not complete and deprives the right to react.
Please kindly provide the assessment letter for 2019. We reserve all rights to respond as we have never received the assessment letter for 2019 despite our notification and request for you to provide it.
We trust that this is clear.”
15. Op 21 augustus 2023 heeft verweerder per e-mail een kopie van de aanslag verstuurd aan belanghebbende en gemachtigde.
Geschil
16. In geschil is of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding.
17. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend en stelt zich primair op het standpunt dat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt. Daartoe voert belanghebbende aan dat de zij de aanslag niet eerder dan 21 augustus 2023 heeft ontvangen en dat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt. Subsidiair stelt belanghebbende dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel door haar gemachtigde niet op te hoogte te stellen van de oplegging van de aanslag en is om die reden sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en verzoekt de rechtbank de uitspraak op bezwaar te vernietigen, het bezwaar ontvankelijk te verklaren en de zaak terug te wijzen naar verweerder voor een inhoudelijke behandeling van het bezwaar. Daarbij verzoekt belanghebbende de rechtbank om verweerder te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht.
18. Verweerder beantwoordt die vraag bevestigend en stelt zich op het standpunt dat de aanslag tijdig en op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Het bezwaar is buiten de voor de indiening van bezwaar geldende termijn ontvangen en de termijnoverschrijding van het ingediende bezwaar kan aan belanghebbende worden toegerekend. Volgens verweerder is het zorgvuldigheidsbeginsel niet geschonden, omdat het niet sturen van (een kopie van) de aanslag Vpb 2019 aan de gemachtigde, dan wel hem niet op de hoogte te brengen van
de dagtekening ervan, daarmee niet in strijd is.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
19. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. In afwijking van artikel 6:8 van de Awb vangt de termijn voor het instellen van bezwaar op grond van artikel 22j, aanhef, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking.
20. Het bezwaarschrift is ingevolge artikel 6:9 van de Awb tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, tweede lid, van de Awb).
21. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van een te late indiening achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (verschoonbare termijnoverschrijding). Bekendmaking van de aanslag geschiedt overeenkomstig artikel 3:41, eerste lid, van de Awb door toezending of uitreiking. Indien de beschikking niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, vangt de bezwaartermijn pas aan op de dag van de ontvangst door de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger van de beschikking of van een afschrift daarvan; de beschikking moet in dat geval worden geacht de voorafgaande dag aan de belanghebbende te zijn toegezonden (vergelijk Hoge Raad 15 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5141).
22. Het bezwaar is op 13 september 2023 door verweerder ontvangen. Dat is buiten de termijn van zes weken na de dagtekening van het primaire besluit van 13 mei 2023. Belanghebbende heeft echter aangevoerd dat zij de aanslag niet heeft ontvangen. Het is dan aan verweerder om aannemelijk te maken dat hij de aanslag tijdig en op de juiste wijze heeft verstuurd. Verweerder heeft een rapport van de verzending overgelegd en hieruit volgt dat de aanslag op 10 mei 2023 aan PostNL is aangeboden ter (gewone) postbezorging.
Belanghebbende heeft niet betwist dat de aanslag op 10 mei 2023 is verstuurd en dat daarbij is uitgegaan van het juiste adres van belanghebbende.
23. De verzending van de aanslag per post rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van dit stuk op het daarop vermelde adres, aangezien per post verzonden stukken in de regel op dat adres worden bezorgd. Het ligt daarom op de weg van de belanghebbende, die de ontvangst van de aanslag betwist, om dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat zij aannemelijk maakt dat het stuk niet op dat adres is ontvangen of aangeboden. Het is voldoende dat op grond van hetgeen zij aanvoert de ontvangst of de aanbieding van het besluit redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Slaagt de belanghebbende daarin, dan zal verweerder nader bewijs moeten leveren ten aanzien van die ontvangst (vgl. HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102).
24. Nu vaststaat dat de aanslag op regelmatige wijze is verstuurd ligt het op de weg van belanghebbende het gerechtvaardigde vermoeden van ontvangst te ontzenuwen. Hierin is belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
25. Belanghebbende heeft gedetailleerd uiteengezet dat er vaker problemen zijn met de postbezorging bij het bedrijfsverzamelgebouw waarin belanghebbende is gevestigd en dat de postbezorging sinds de Covid-19 pandemie minder betrouwbaar is geworden. Uit de door belanghebbende overgelegde foto’s blijkt dat aan de buitenkant van de gevel van het bedrijfsverzamelgebouw zich een groot aantal brievenbussen bevindt van verschillende bedrijven, waaronder die van belanghebbende, dat deze brievenbussen zich vlak naast en/of boven/onder elkaar bevinden, dat deze zijn afgesloten en dat ze aan de achterkant (binnenin het gebouw) met een sleutel zijn te openen. Hierdoor is voorstelbaar dat het risico bestaat dat brieven in de verkeerde brievenbus worden bezorgd en vervolgens niet worden ontvangen door de geadresseerde. Dit gebeurde ook regelmatig in het bedrijfsverzamelgebouw, zo heeft belanghebbende uitgelegd. Ook bij belanghebbende zijn regelmatig brieven voor andere geadresseerden in de brievenbus aangetroffen. In de regel worden die bij de receptie afgegeven, maar dat gaat ook niet altijd goed. Ook wijst belanghebbende erop dat het probleem van tekortschietende postbezorging in de jurisprudentie inmiddels breed is erkend (zie o.a. AG Wattel 15 maart 2024, ECLI:NL:PHR:2024:293 en ECLI:NL:PHR:2024:355) en dat de Nationale Ombudsman en de Commissie rechtseenheid bestuursrecht (Jaaroverzicht 2025, p. 4 en 5) aandacht hebben gevraagd voor de gebrekkige postbezorging door PostNL. Verweerder heeft ook erkend dat het een feit van algemene bekendheid is dat de postbezorging van PostNL soms te wensen overlaat en dat het risico van onjuiste postbezorging in specifieke omstandigheden nog wat groter is.
26. Belanghebbende heeft voorts inzicht gegeven in het verloop van de
e-mailcorrespondentie tussen gemachtigde en belanghebbende (weergegeven onder feiten). Deze correspondentie onderschrijft dat noch belanghebbende noch de gemachtigde het aanslagbiljet heeft ontvangen. Ook het door belanghebbende gestelde belang om tijdig rechtsmiddelen aan te wenden, het uit de e-mailcorrespondentie volgende voornemen om bezwaar te maken zodra de aanslag Vpb 2019 zou worden opgelegd en de samenhang van de onderhavige zaak met de bij rechtbank Zeeland West-Brabant aanhangig gemaakte procedures inzake aan belanghebbende opgelegde (navorderings)aanslagen Vpb 2006/2007 tot en met 2018, sterken de rechtbank in het vermoeden dat belanghebbende de aanslag Vpb 2019 inderdaad niet heeft ontvangen. Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat zij in de periode waarin de aanslag Vpb 2019 had moeten worden ontvangen diverse grote procedures moest voorbereiden en daarom dagelijks de brievenbus leegde en de post met zorgvuldigheid afhandelde. De bij de postverwerking van belanghebbende betrokken personen ( [naam 1] en [naam 2]) zijn ter zitting verschenen en hebben vragen van de rechtbank hierover genoegzaam kunnen beantwoorden.
27. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat niet in zijn algemeenheid kan worden aangenomen dat gebreken in de postbezorging door PostNL voldoende zijn om het vermoeden van ontvangst te ontzenuwen, acht de rechtbank gelet op de specifieke omstandigheden die belanghebbende naar voren heeft gebracht het voor redelijke twijfel vatbaar dat de aanslag Vpb 2019 is ontvangen. Dat niet kan worden uitgesloten dat belanghebbende de aanslag over het hoofd heeft gezien of is kwijtgeraakt, zoals verweerder heeft gesteld, acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden onvoldoende om de redelijke twijfel over ontvangst van de aanslag Vpb 2016 weg te nemen.
28. Nu belanghebbende het vermoeden van ontvangst heeft ontzenuwd dient verweerder te bewijzen, dat wil zeggen dat hij aannemelijk moet maken, dat belanghebbende de aanslag heeft ontvangen. Daarin is verweerder niet geslaagd.
29. Vervolgens is de vraag of belanghebbende zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kan worden verlangd bezwaar heeft gemaakt. De Hoge Raad heeft hierover in het arrest 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, het volgende overwogen:
“4.2.3 Volgens artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In geval van indiening van een beroepschrift is daarvan sprake indien:
(i) de belanghebbende pas na het verstrijken van de termijn een beroepschrift heeft ingediend als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid,
en tevens
(ii) de belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het beroepschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. [voetnoot 1: Vgl. HR 22 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0462, rechtsoverweging 3.3, en HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0078, rechtsoverweging 3.2.]
4.2.4 Voor zover het omstandigheden betreft die de belanghebbende persoonlijk betreffen, is er geen reden artikel 6:11 Awb te beperken tot de gevallen waarin de betrokkene feitelijk niet in staat is geweest het rechtsmiddel tijdig aan te wenden. Of artikel 6:11 Awb van toepassing is, zal per geval moeten worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van deze belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig beroep in te stellen. Aan de belanghebbende van wie in redelijkheid niet kan worden gevergd om dit zelf te doen, kan niet zonder meer worden tegengeworpen dat hij iemand anders had kunnen verzoeken hem hierin bij te staan of te vertegenwoordigen, of dat hij binnen de termijn had kunnen volstaan met het indienen van een beroepschrift waarin nog niet de gronden van het beroep zijn opgenomen (een zogenoemd pro-formaberoepschrift). Ook met betrekking tot zulke maatregelen komt het erop aan of zij van deze belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid konden worden gevergd. [voetnoot 2: Vgl. CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, rechtsoverweging 3.2.]
4.2.5 Verder moet ook de vraag of het beroepschrift na overschrijding van de beroepstermijn is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd, worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Eerder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat daarvoor een termijn van ten minste veertien dagen moet worden gegund.[voetnoot 3: Zie HR 22 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0462, rechtsoverweging 3.3, en HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0078, rechtsoverweging 3.2.]
De ontwikkelingen in de bestuursrechtspraak geven de Hoge Raad aanleiding nu te bepalen dat deze termijn in beginsel verstrijkt zes weken nadat de omstandigheid die het tijdig instellen van beroep verhinderde, zich niet langer voordoet. [voetnoot 4: Vgl. CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, rechtsoverweging 4.2.]”
30. De rechtbank gaat ervan uit dat de overwegingen uit dit arrest van overeenkomstige toepassing zijn voor de beoordeling van de ontvankelijkheid in bezwaar. Uit de vaststaande feiten volgt dat belanghebbende eerst op 18 juli 2023 via de aanmaning bekend is geworden met het feit dat de aanslag Vpb 2019 was opgelegd. Het bezwaar is vervolgens ingediend op 13 september 2023. Verweerder stelt dat dit te laat is gelet op de in rechtsoverweging 4.2.5 van het arrest genoemde termijn van zes weken. Verweerder is kennelijk van mening dat met de aanmaning de omstandigheid die het tijdig instellen van bezwaar verhinderde was komen te vervallen en dat genoemde termijn van zes weken onder alle omstandigheden heeft te gelden.
31. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt. In rechtsoverweging 4.2.5 van genoemd arrest is geoordeeld dat genoemde termijn in beginsel verstrijkt na zes weken. Gelet op deze bewoordingen (‘in beginsel’) kan niet worden gezegd dat overschrijding van die termijn van zes weken onder alle omstandigheden fataal is. De vraag of het bezwaarschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd, dient dan ook te worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. In dit verband is ook van belang in hoeverre met de ontvangst van de aanmaning de omstandigheid die het tijdig instellen van beroep verhinderde, was komen te vervallen. Ook in dit verband kan sprake zijn van verschoonbaarheid.
32. De rechtbank is van oordeel dat genoemde termijn van zes weken in de gegeven omstandigheden niet fataal is voor belanghebbende. Daartoe wijst de rechtbank op de volgende omstandigheden. Op de dag van ontvangst van de aanmaning en op 17 augustus 2023 – dus binnen zes weken na 18 juli 2023 – heeft belanghebbende aan verweerder te kennen gegeven dat de aanmaning onvoldoende informatie gaf over de aanslag en dat het niet mogelijk was om erop te reageren zonder nadere informatie. Daarbij heeft belanghebbende dan ook verzocht om de aanslag Vpb 2019 te verstrekken. Op 21 augustus 2023 heeft verweerder per e-mail een kopie van de aanslag verstuurd naar belanghebbende en gemachtigde. Kort na die datum is het bezwaar ingediend. Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. De stelling van verweerder dat belanghebbende na de aanmaning een pro-forma bezwaarschrift had kunnen indienen acht de rechtbank onvoldoende voor een ander oordeel, temeer daar belanghebbende pas later met de dagtekening van de aanslag bekend is geworden en hem dit gelet op bovengenoemd arrest niet kan worden tegengeworpen. Het bezwaar is dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De zaak zal worden teruggewezen voor het doen van uitspraak op bezwaar.
33. Gelet op het hiervoor overwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Proceskosten en griffierecht
34. Belanghebbende heeft verzocht om proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Omdat het beroep gegrond zal worden verklaard, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door belanghebbende gemaakte proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
35. De rechtbank zal verweerder tevens opdragen aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht van € 385 te vergoeden. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op opnieuw uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 1.868, en
- gelast verweerder het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 385 aan haar te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.