Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Noord-Holland, 13 augustus 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:10667Zaaknummer HAA 26/3093
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 13 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 20 augustus 2026
- Zaaknummer
- HAA 26/3093
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vovo urgentieverklaring. Vovo toegewezen. Hardheidsclausule toegepast. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat er in het geval van verzoekster sprake is van een noodsituatie en dat er spoedeisend belang bestaat bij het verbeteren van haar woonsituatie, ook om de effecten van de door verzoekster en haar dochter in het verleden gevolgde behandeltrajecten niet teniet te doen
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het primaire besluit;
- bepaalt dat verzoekster behandeld wordt als ware zij in het bezit van een urgentieverklaring;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/3093
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit Oudkarspel, verzoekster
(gemachtigde: mr. M. Hoefs),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dijk en Waard
(gemachtigden: M.A. Visser en mr. H.A. Kwakman).
Procesverloop
1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 1 juni 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen op 5 juni 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter op 12 juni 2026 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Aanleiding voor de en urgentieaanvraag en totstandkoming van het bestreden besluit
2. Verzoekster woont sinds 1 november 2023 met haar minderjarige dochter in de woning in Oudkarspel. Verzoekster stelt sinds een paar maanden structurele overlast te ondervinden van haar directe buurman, wat leidt tot een aanhoudend gevoel van onveiligheid voor haar en haar dochter. Onder meer beschadigt hij haar eigendommen, spuugt op de ramen, scheldt en toont zijn geslachtsdeel. Het gedrag van de buurman wordt als onvoorspelbaar omschreven in verband met drugsgebruik en psychotische episodes. Verzoekster heeft op 9 april 2026 een aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring.
Preadvies
Het college heeft op 18 mei 2026 een preadvies opgesteld. Daarin is geoordeeld dat geen sprake is van weigeringsgronden als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Huisvestingsverordening Dijk en Waard 2023-2027 (de Huisvestingsverordening). Vervolgens is geoordeeld dat de sociale problematiek, als bedoeld in artikel 22 van de Huisvestingsverordening, onvoldoende is aangetoond. Ten slotte is geoordeeld dat er wel reden is voor toepassing van de hardheidsclausule. Daartoe wordt overwogen dat de verwachting is dat bij een afwijzing van de urgentieaanvraag, de mentale gezondheid van zowel verzoekster als haar dochter verder zal verslechteren.
Advies Regionale Urgentiecommissie
Op 27 mei 2026 heeft de Regionale Urgentiecommissie een advies gegeven. In dit advies wordt, in tegenstelling tot het preadvies, geconcludeerd dat wel sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Huisvestingsverordening. Volgens de Urgentiecommissie heeft de situatie, gezien de voorgeschiedenis van trauma en de psychische kwetsbaarheid van zowel verzoekster als dochter, een direct schadelijk effect op hun mentale welzijn. Omdat de eerste aangifte echter dateert van april 2026 is de problematische situatie nog vrij recent en kan nog niet worden geconstateerd dat de situatie structureel is. De Urgentiecommissie concludeert dat verzoekster niet voldoet aan de criteria van de Huisvestingsverordening, dat onvoldoende is aangetoond dat de sociale problematiek woongerelateerd en structureel van aard is, en dat er geen aanleiding bestaat de hardheidsclausule toe te passen. De Urgentiecommissie overweegt in dat kader dat de woonproblematiek van dusdanig korte duur is dat nog niet gesproken kan worden van een onhoudbare situatie. In afwijking van het preadvies adviseert het college dan ook om de aanvraag af te wijzen.
Het besluit
Bij besluit van 1 juni 2026 heeft het college de urgentieaanvraag van verzoekster afgewezen onder verwijzing naar het advies van de Urgentiecommissie.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
Verzoekster heeft aangevoerd dat zij in een noodsituatie verkeert. Ze geeft aan dat zij door het bestreden besluit noodgedwongen in de huidige woonsituatie moet blijven wonen waarbij haar psychische klachten enkel toenemen met (onomkeerbare) schadelijke gevolgen voor haar gezondheid en die van haar dochter.
Ter zitting is gebleken dat de behandeling van het bezwaar gepland staat op 30 september 2026, wat betekent dat de beslissing op het bezwaar van verzoekster niet eerder verwacht wordt dan oktober 2026. Gelet hierop en hetgeen door verzoekster is gesteld ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen.
Is er aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen?
4. De voorzieningenrechter merkt op dat verzoekster de voorzieningenrechter heeft gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen en te bepalen dat zij wordt behandeld als ware zij in het bezit van een urgentieverklaring. Als de gevraagde voorziening wordt toegewezen is deze mogelijk niet voorlopig. Verzoekster kan met een dergelijke urgentieverklaring namelijk een huurovereenkomst sluiten voor een andere woning en daar gaan wonen. Als het bezwaar dan toch ongegrond wordt verklaard, is die nieuwe woonsituatie onomkeerbaar. De voorzieningenrechter zal daarom in een zaak als deze alleen een voorlopige voorziening treffen als nagenoeg zonder twijfel kan worden gezegd dat urgentie moet worden verleend.
Feiten waar de voorzieningenrechter van uit gaat
De voorzieningenrechter gaat uit van de situatie van verzoekster zoals die is beschreven onder 2. en tevens wordt geschetst in het verslag van de Urgentiecommissie. Daaruit volgt dat verzoekster en haar jonge dochter afkomstig zijn uit een onveilige thuissituatie waarbij de dochter getuige is geweest van meerdere incidenten. Hiervoor heeft de dochter op tweejarige leeftijd EMDR-behandeling gehad. Bij verzoekster is PTSS vastgesteld waarvoor zij diverse behandeltrajecten heeft doorlopen, waaronder exposuretherapie, EMDR en hypnotherapie. Verzoekster ervaart structurele overlast van haar directe buurman. Samen met een andere buurvrouw heeft zij alle incidenten gemeld bij Woonwaard. Woonwaard heeft verzoekster geadviseerd een aanvraag voor woningurgentie in te dienen, aangezien Woonwaard buiten deze procedure geen andere woonruimte aan verzoekster kan toewijzen. Daarnaast heeft verzoekster op 20 mei 2026 aangifte gedaan bij de politie van diefstal en vernieling door de buurman.
Momenteel staat verzoekster onder behandeling van de POH-GGZ en krijgt zij slaap- en kalmeringsmiddelen.
Voorgaande feiten en omstandigheden worden door het college niet bestreden. Ook wordt niet bestreden dat de buurman overlast veroorzaakt en dat er op dit moment een bemiddelingstraject loopt via Woonwaard.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Op grond van artikel 19, tweede lid, van de Huisvestingsverordening Dijk en Waard 2023-2027 (de verordening) kan het college een urgentieverklaring weigeren indien geen sprake is van een noodsituatie. Het begrip noodsituatie wordt in de verordening niet nader uitgewerkt. In de Beleidsregels urgenties 2024 van Dijk en Waard (de beleidsregels) worden enkel op zichzelf staande noodsituaties genoemd waarin een urgentieverklaring wordt geweigerd.
Het college en de Urgentiecommissie overwegen dat nog niet gesproken kan worden van een noodsituatie nu de situatie waarin verzoekster zich bevindt volgens hen (nog) niet ‘structureel’ is. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit vereiste niet volgt uit de verordening of de beleidsregels. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat over de overlast van de buurman in de woonomgeving van verzoekster al veel langer is geklaagd door andere bewoners die al dan niet inmiddels zijn verhuisd, dat de situatie voor verzoekster in ieder geval al speelt sinds begin april en dat het aannemelijk is dat verzoekster, gelet op de huidige situatie in combinatie met haar verleden, op dit moment schade ondervindt aan haar (psychische) gezondheid. Hetzelfde geldt voor de minderjarige dochter van verzoekster.
Het college heeft zich ter zitting aanvullend op het standpunt gesteld dat de situatie van verzoekster niet acuut of levensbedreigend is en dat bij de beoordeling van de aanvraag wordt gekeken of sprake is van een onhoudbare situatie die niet (op een andere wijze) kan worden opgelost. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat er bij elke individuele situatie wordt gekeken of er andere (minder vergaande) oplossingen mogelijk zijn dan het verlenen van een urgentieverklaring, overweegt de voorzieningenrechter dat het college in dit geval leunt op de mogelijke positieve uitkomst van het bemiddelingstraject tussen verzoekster en de buurman door tussenkomst van Woonwaard, over welk traject geen duidelijkheid bestaat en waarbij het nog maar de vraag is, gelet op de problematiek van de buurman en de angst die verzoekster inmiddels voor hem heeft, of hiervan enig resultaat kan worden verwacht. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat nagenoeg zonder twijfel kan worden gezegd dat de hardheidsclausule noopt tot verlening van een urgentieverklaring.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat er in het geval van verzoekster sprake is van een noodsituatie en dat er spoedeisend belang bestaat bij het verbeteren van haar woonsituatie, ook om de effecten van de door verzoekster en haar dochter in het verleden gevolgde behandeltrajecten niet teniet te doen.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en zal de voorlopige voorziening treffen dat verzoekster behandeld wordt als ware zij in het bezit van een urgentieverklaring. Daaraan kan het college de gebruikelijke voorwaarden stellen en een zoekprofiel bepalen dat passend is bij de situatie van verzoekster en haar dochter.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het primaire besluit;
- bepaalt dat verzoekster behandeld wordt als ware zij in het bezit van een urgentieverklaring;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.