Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Holland, 25 juni 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:10343Zaaknummer C/15/379092 / KG ZA 26-335

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
17 augustus 2026
Zaaknummer
C/15/379092 / KG ZA 26-335
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. Nakoming convenant; medewerking levering woning. Vrouw weigert medewerking vanwege gewijzigde omstandigheden en wil dat de financiële gevolgen van de wijziging worden geregeld. Veroordeling tot medewerking aan levering.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1.

gebiedt [gedaagde] haar medewerking te verlenen aan het passeren van de akte van verdeling van de woning bij de notaris op maandag 29 juni 2026 en dit zo spoedig mogelijk aan de notaris te bevestigen,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

5.3.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.5.

wijst de vorderingen van [gedaagde] af,

5.6.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.

1589

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/379092 / KG ZA 26-335

Vonnis in kort geding van 25 juni 2026

in de zaak van

[eiser],

te [plaats 1],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. E.C. Meure,

tegen

[gedaagde],

te [plaats 2],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. M.B. Chylinska.

De zaak in het kort

De man vordert nakoming van het convenant in die zin dat de vrouw meewerkt aan de levering van de gemeenschappelijke woning. De vrouw voert aan dat sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van het opstellen van het convenant nu de man de woning wil verkopen in plaats van dat hij zelf in de woning blijft wonen. Op grond van die omstandigheid kan niet langer in redelijkheid nakoming worden gevorderd zonder dat eerst de financiële gevolgen van die gewijzigde situatie behoorlijk worden geregeld. De vrouw vordert te bepalen dat zij recht heeft op de helft van de netto-opbrengst van de woning en de hypotheekvoorwaarden bij helfte tussen partijen worden verdeeld.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw gehouden is tot nakoming van het convenant en daarom haar medewerking aan de levering van de woning moet verlenen. De vorderingen van de man worden toegewezen en de vorderingen van de vrouw worden afgewezen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 t/m 15

- de nadere producties inzake zonnepanelen van [eiser]

- de conclusie van antwoord in kort geding tevens eis in reconventie

- de nadere productie inzake de verkoopbegeleiding van [eiser]

- de mondelinge behandeling van 23 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van mr. Meure namens [eiser].

1.2.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- [eiser], bijgestaan door mr. Meure voornoemd

- [gedaagde], bijgestaan door mr. Chylinska voornoemd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 9 augustus 2019 een geregistreerd partnerschap aangegaan, waarbij partnerschapsvoorwaarden van toepassing zijn verklaard.

2.2.

In een beschikking van deze rechtbank van 8 december 2025 is de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken (hierna: de beschikking). In de beschikking zijn de door partijen getroffen regelingen zoals die staan in het convenant van 28 oktober 2025 en het ouderschapsplan van 11 november 2025 opgenomen. De beschikking is op 21 januari 2026 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

In het convenant hebben partijen de woning tegen een waarde van € 630.000,- toegedeeld aan [eiser], onder de opschortende voorwaarde dat [gedaagde] zal worden ontslagen uit haar hoofdelijke verplichtingen met betrekking tot de hypotheekschuld.

In het convenant is verder een kwijtingsbepaling opgenomen die luidt als volgt:

Partijen verklaren hierbij de tussen hen bestaande partnerschapsgemeenschap/partnerschapsvoorwaarden met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid te hebben verdeeld en de verplichtingen uit de partnerschapsvoorwaarden te hebben afgewikkeld en zij verklaren tevens, behoudens met betrekking tot de recht en verplichtingen genoemd in dit convenant, niets meer van elkaar te vorderen te hebben en elkaar algehele en finale kwijting te verlenen.

Partijen verklaren dat zij de in dit convenant vermelde waarde van de te verdelen vermogensbestanddelen naar beste weten hebben vastgesteld/doen vaststellen. Waardestijgingen en -dalingen komen ten goede aan, respectievelijk ten laste van degene aan wie een vermogensbestanddeel is toegedeeld.

2.4.

Op 5 maart 2026 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld tegen de beschikking, omdat de verdelingsafspraak van de gemeenschappelijke woning aan het adres [adres] in [plaats 1] (hierna: de woning) onjuist in het convenant was weergegeven. In een addendum, door [gedaagde] ondertekend op 21 april 2026 en door [eiser] ondertekend op 27 april 2027, hebben partijen de betreffende bepaling gewijzigd, zodat deze nu luidt als volgt:

3.8

Overbedeling

Ten gevolge van de toedeling van de hiervoor in art. 3.1 genoemde onroerende zaak aan de man wordt de man overbedeeld met een op het moment van passeren van de notariële akte van verdeling te bepalen bedrag (waarde onroerende zaak (€ 630.000,0) minus de openstaande hypothecaire schuld). Ter verkrijging van voornoemde woning dient de man, ter gelegenheid van het notariële transport, derhalve aan de vrouw te voldoen de helft van de aldus bepaalde overwaarde. (…)

Vervolgens heeft [eiser] het hoger beroep ingetrokken.

2.5.

Op 22 mei 2026 heeft [gedaagde] aan [eiser] (via de advocaten) bericht dat de verdelingsafspraak uit het addendum niet meer wordt nagekomen omdat [eiser] de woning onbevoegd aan een derde zou hebben verkocht voor € 650.000,-. In reactie heeft [eiser] laten weten dat sprake is van een voornemen tot verkoop en dat de op 9/10 maart 2026 ondertekende koopovereenkomst benodigd was voor de financieringsaanvraag van de aspirant kopers.

2.6.

Op 29 juni 2026 staat voor partijen een afspraak bij de notaris gepland voor het passeren van de akte van verdeling van de woning.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert samengevat:

I. [gedaagde] te gebieden zo spoedig mogelijk aan de notaris te bevestigen dat zij mee zal werken aan het passeren van de akte van verdeling van de woning op maandag 29 juni 2026, een en ander – zonder dat een ingebrekestelling nodig is – op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat [gedaagde] daarmee, na betekening van dit vonnis, in gebreke blijft;

II. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] gehouden is tot nakoming van de verdelingsafspraken zoals vastgelegd in het convenant en het addendum. [eiser] heeft onverplicht aangegeven dat hij bereid is een eventueel resterend stukje overwaarde met [gedaagde] te delen, maar hij wil niet heronderhandelen over het verkrijgen van de bestaande hypotheek(voorwaarden). [eiser] wil de woning zo spoedig mogelijk na het passeren van de akte van verdeling bij de notaris verkopen aan de aspirant kopers, zodat hij met zijn nieuwe partner een woning in [plaats 3] kan kopen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.4.

[gedaagde] voert aan de afspraken uit het convenant (en addendum) zien op overname van de woning door [eiser] met voorgezet gebruik van de woning in het kader van de zorg voor de kinderen. De omstandigheid dat [eiser] de woning onmiddellijk wil doorverkopen aan derden heeft gevolgen voor de redelijkheid en de afwikkeling tussen partijen ten aanzien van 1) de extra opbrengst boven de gehanteerde waarde van de woning van € 630.000,-, en 2) het voordeel dat [eiser] geniet van de bestaande gunstige hypotheekvoorwaarden.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.6.

[gedaagde] vordert samengevat:

I. te bepalen dat de netto-opbrengst van de verkoop van de woning, waaronder begrepen iedere meeropbrengst ten opzichte van de gehanteerde waardering of verkoopverwachting/ na aftrek van de hypotheekschuld en verkoopkosten tussen partijen bij helfte wordt verdeeld;

II. [eiser] te bevelen om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de aanvraag en effectuering van de splitsing van de lopende hypothecaire geldlening, in die zin dat [gedaagde] haar aandeel van 50% van de opgebouwde rechten uit de geldende (gunstige) renteovereenkomst/meeneemregeling kan meenemen ten behoeve van de financiering van haar nieuwe woning;

III. te bepalen dat, indien [eiser] in gebreke blijft aan de verzoeken van [gedaagde] te voldoen, [eiser] aan [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat hij hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt;

IV. dan wel beslissingen in dit kader in goede justitie te nemen;

V. [eiser] te veroordelen in de proceskosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien niet tijdig aan de kostenveroordeling wordt voldaan.

3.7.

[gedaagde] legt aan de vordering – in essentie – ten grondslag dat [eiser] een wezenlijk nieuwe situatie heeft gecreëerd door – kort nadat het addendum was getekend en het hoger beroep was ingetrokken – de woning aan een derde te willen doorverkopen, terwijl de eerdere afspraken uitgingen van overname van de woning door [eiser] zelf. Tegen die achtergrond is het niet redelijk dat [eiser] aanspraak maakt op levering van de woning op de voet van het convenant en het addendum, zonder dat eerst de financiële gevolgen van die gewijzigde situatie behoorlijk worden geregeld.

3.8.

[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde], met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.9.

[eiser] voert aan dat partijen geen afspraak hebben gemaakt die inhoudt dat [eiser] verplicht is om in de woning te blijven wonen. Een dergelijke afspraak volgt ook niet uit de feiten en omstandigheden, waaronder het convenant en ouderschapsplan. [eiser] heeft aangeboden het verschil tussen € 650.000,- en € 630.000,- na aftrek van kosten bij helfte te delen, maar is niet bereid de overeengekomen verdeling (verder) open te breken. [gedaagde] beoogt met haar vordering de bestaande rechtsverhouding van partijen te wijzigen, wat in kort geding niet mogelijk is.

3.10.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de voorzieningenrechter de vorderingen gezamenlijk behandelen.

4.2.

In dit kort geding ligt de vraag voor of de omstandigheid dat [eiser] voornemens is om de woning aan een derde te verkopen maakt dat onverkorte nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraken aangaande de verdeling niet langer van [gedaagde] gevraagd kan worden. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend en licht dat hierna toe.

4.3.

Als uitgangspunt geldt hetgeen partijen in het convenant en addendum met elkaar hebben afgesproken. Deze afspraken hebben partijen – bijgestaan door advocaten – in gezamenlijk overleg opgesteld. Uit de opmerkingen van partijen ter zitting leidt de voorzieningenrechter af dat in dat overleg allerlei kwesties omtrent de afwikkeling van de samenleving zijn betrokken, waaronder ook de toedeling van de woning aan [eiser]. Het convenant bevat geen afspraak over een verplichte bewoning van de woning.

4.4.

Dat [gedaagde] ten tijde van het opstellen van het convenant en addendum ervan uitging dat [eiser] in de woning zou blijven wonen, terwijl later is gebleken dat [eiser] voornemens is om de woning te gaan verkopen, is op zichzelf geen rechtens te respecteren belang om niet akkoord te gaan met verkoop van de woning. Dit zou alleen anders zijn indien partijen hierover uitdrukkelijk afspraken zouden hebben gemaakt (in het convenant), maar dat is niet het geval. De keuze om in de woning te blijven wonen, dan wel de woning te willen verkopen behoort tot de persoonlijke vrijheid van [eiser]. Dat tussen partijen een moeizame verstandhouding bestaat maakt dit niet anders. Ook de omstandigheid dat de waarde bij toedeling van de woning van € 630.000,- lager is dan de voorgenomen verkoopprijs van € 650.000,- leidt niet tot een ander oordeel, omdat [eiser] zich bereid heeft verklaard om een eventuele overwaarde die er na aftrek van kosten (eventuele afkoop van zonnepanelen en makelaarscourtage) resteert met [gedaagde] te delen.

4.5.

Ook de omstandigheid dat partijen in het overleg dat tot het convenant heeft geleid geen aandacht hebben besteed aan het vermogensvoordeel dat gepaard gaat met het behouden van de hypotheekvoorwaarden door [eiser] is onvoldoende reden om te oordelen dat [gedaagde] niet gebonden is aan de afspraken uit het convenant. Partijen hebben in de artikelen 7.1 en 7.2 van het convenant een kwijtingsregeling opgenomen die daaraan in de weg staat. Zij hebben daarin verklaard dat zij de vermogensbestanddelen naar beste weten verdeeld hebben, dat waardestijgingen ten goede komen aan degene aan wie het vermogensbestanddeel is toegedeeld en dat partijen – behoudens met betrekking tot de rechten en verplichtingen uit het convenant – niets meer van elkaar te vorderen hebben. Voor zover [eiser] door de afgesproken verdeling is bevoordeeld – hetgeen de voorzieningenrechter niet kan overzien omdat niet duidelijk is wat er verder in de verdeling is betrokken – wordt de omvang van dat voordeel niet beïnvloed doordat [eiser] heeft besloten de woning niet zelf aan te houden maar elders te gaan wonen. Ook bij het aanhouden van de woning profiteert hij immers van de door hem meegenomen hypotheek. Omstandigheden die tot de slotsom zouden kunnen leiden dat [eiser] zich bewust was van het voordeel en het bestaan daarvan eveneens bewust buiten beeld heeft gehouden zijn niet gesteld en aanwijzingen daarvoor blijken ook niet uit de stukken.

4.6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] gehouden is tot nakoming van de afspraken zoals vastgelegd in het convenant en het addendum. De voorzieningenrechter begrijpt de vordering van [eiser] zo dat gevorderd wordt [gedaagde] te veroordelen haar medewerking te verlenen aan het passeren van de akte van verdeling op 29 juni 2026 en dit zo spoedig mogelijk aan de notaris te bevestigen. Die vordering zal worden toegewezen.

De gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen. De voorzieningenrechter maximeert de dwangsom op een bedrag van € 50.000,-.

4.7.

Toewijzing van de vordering in conventie leidt ertoe dat de vorderingen in reconventie niet toewijsbaar zijn. De vorderingen in reconventie zullen daarom worden afgewezen.

4.8.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat bij partijen die een relatie hebben gehad de proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1.

gebiedt [gedaagde] haar medewerking te verlenen aan het passeren van de akte van verdeling van de woning bij de notaris op maandag 29 juni 2026 en dit zo spoedig mogelijk aan de notaris te bevestigen,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

5.3.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.5.

wijst de vorderingen van [gedaagde] af,

5.6.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.

1589

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.