Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Noord-Holland, 20 januari 2025

ECLI:NL:RBNHO:2025:459Zaaknummer C/15/361124 / JU RK 25-85

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20 januari 2025
Publicatiedatum
10 oktober 2025
Zaaknummer
C/15/361124 / JU RK 25-85
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Alkmaar
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Spoeduithuisplaatsing

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats], in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 20 januari 2025 voor de duur van vier weken;

5.2.

verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;

5.4.

roept de GI, de vader, de moeder en [de minderjarige] op voor de zitting op [zittingsdatum] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, aan Kruseman van Eltenweg 2.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. van Weely, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2025, in aanwezigheid van A.B. Verweij als griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Alkmaar

Zaaknummer: C/15/361124 / JU RK 25-85

Datum uitspraak: 20 januari 2025

Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

hierna te noemen de GI,

gevestigd te Alkmaar,

over

[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats],

hierna te noemen [de minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 20 januari 2025.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige].

2.2

Bij beschikking van 17 juli 2024 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot

17 juli 2025.

2.3.

[de minderjarige] woont bij haar ouders.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. Aansluitend verzoekt de GI een machtiging te verlenen voor de duur van 3 maanden.

4 De beoordeling

4.1.

De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. De veiligheidssituatie bij ouders thuis is zorgelijk. Er is sprake van verbale en fysieke agressie tussen ouders en [de minderjarige]. Tijdens een incident hebben ouders zich genoodzaakt gevoeld om zich op te sluiten in hun kamer om te ontkomen aan de agressie van [de minderjarige]. Ouders geven aan bang te zijn voor [de minderjarige]. [de minderjarige] heeft aangegeven haar ouders te willen doden. Hulpverleners van De Waag geven aan zich zorgen te maken over de veiligheid in huis. De GI geeft aan dat het niet is gelukt om veiligheidsafspraken te maken die worden nagekomen. De GI vindt het van belang dat er rust komt in de thuissituatie. Er moet met De Waag een plan ingezet worden om te kijken hoe ouders weer in hun kracht komen. [de minderjarige] is het niet eens met een uithuisplaatsing; ouders kunnen zich wel vinden in het verzoek. Het is de bedoeling om [de minderjarige] zo snel mogelijk, hopelijk in de periode van 4 weken, weer thuis te plaatsen.

4.2.

Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst.[_6a235a11-fcdc-404b-b2a5-68b36fbe95e7]

4.3.

De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] en ouders.

Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.

4.4.

De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

4.5.

De GI, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats], in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 20 januari 2025 voor de duur van vier weken;

5.2.

verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;

5.4.

roept de GI, de vader, de moeder en [de minderjarige] op voor de zitting op [zittingsdatum] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, aan Kruseman van Eltenweg 2.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. van Weely, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2025, in aanwezigheid van A.B. Verweij als griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.