Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Noord-Holland, 3 september 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:10036Zaaknummer 11591552 \ CV EXPL 25-1673
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 3 september 2025
- Publicatiedatum
- 26 september 2025
- Zaaknummer
- 11591552 \ CV EXPL 25-1673
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Bodemzaak
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Een BBL-opleiding wordt niet aangemerkt als onderwijs aan een dagschool waarvoor lesgeld verschuldigd is, maar als cursus waarvoor cursusgeld moet worden betaald. Het cursusgeld is verschuldigd zodra de school dit aan een ingeschreven leerling in rekening brengt. Bij uitschrijving vóór de facturatie, is geen cursusgeld verschuldigd.
5 De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt ROC tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op € 50,- aan verletkosten.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11591552 \ CV EXPL 25-1673
Uitspraakdatum: 3 september 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de stichtingStichting Regionaal Opleidingencentrum van Amsterdam en Flevoland tevens handelend onder de namen ROC van Amsterdam en ROC van Flevoland
gevestigd te Amsterdam
eiseres
verder te noemen: ROC
gemachtigde: LikiFin
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
gedaagde
verder te noemen: [gedaagde]
procederend in persoon
1 Het procesverloop
ROC heeft bij dagvaarding van 20 februari 2025 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft mondeling geantwoord en daarbij een schriftelijke toelichting overgelegd.
ROC heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven.
2 Feiten
[gedaagde] heeft zich via de website van ROC aangemeld voor de voltijd BBL-opleiding ‘Meewerkend horeca ondernemer’ (hierna: de opleiding).
Op 26 september 2023 heeft [gedaagde] een stuk met opschrift ‘Akkoord tot inschrijving’ ondertekend. Daarin staat onder meer: “(…) bevestigt door ondertekening van dit formulier ingeschreven te willen worden voor de volgende opleiding: (…)”
Op 8 november 2023 heeft [gedaagde] zich uitgeschreven voor de opleiding.
Bij factuur van 23 november 2023 heeft ROC € 599,50 aan ‘wettelijk cursusgeld 23/24 BBL 4’ aan [gedaagde] in rekening gebracht.
3 Het geschil
ROC vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 599,50 aan wettelijk cursusgeld, te vermeerderen met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast vordert zij veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van ROC.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
De kantonrechter stelt vast dat met ingang van 1 augustus 2023 artikel 8.1.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB) is vervallen, waarmee de onderwijsovereenkomst in het mbo is afgeschaft[_bed965e1-02fa-48a0-a133-eaa2403dbdc8]. In zoverre kan de kantonrechter de stelling van ROC dat aan de inschrijving een wettelijk verplichte onderwijsovereenkomst ten grondslag ligt, niet volgen. Er bevindt zich bij de stukken ook geen getekende onderwijsovereenkomst. Volgens de inleidende tekst in de Algemene bepalingen onderwijsovereenkomst ROC van Amsterdam (vastgesteld op 1 juli 2019 en tekstueel aangepast op 25 maart 2021), hierna: de Algemene bepalingen, verwijzen deze bepalingen naar en/of maken zij onderdeel uit van de wettelijk verplichte onderwijsovereenkomst. Bij deze stand van zaken gaat de kantonrechter ervan uit dat met de afschaffing van de onderwijsovereenkomst (ook) de Algemene bepalingen niet van toepassing (kunnen) zijn op de inschrijving van [gedaagde] voor het schooljaar 2023/2024. Het beroep van [gedaagde] op artikel C 4.7 van de Algemene bepalingen kan haar dan ook niet helpen.
Het vorenstaande neemt echter niet weg dat, zoals ook in genoemd artikel C 4.7 van de Algemene bepalingen staat, in de wet is bepaald dat voor beroepsopleidingen in de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) geldt dat een ROC niet tot inschrijving van een cursist overgaat dan nadat bewijs is overgelegd dat het verschuldigde cursusgeld is of zal worden voldaan.[_e9a8e5de-9e2c-4ab1-80cb-04af5677a887] De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde] zo dat zij zich op het standpunt stelt dat ROC het cursusgeld niet meer bij haar kan innen nadat zij zich heeft uitgeschreven, omdat ROC dit voorafgaand aan de inschrijving had moeten doen. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.
Terecht wijst ROC erop dat de betalingsverplichting voor het volgen van een opleiding voortvloeit uit de wet. ROC beroept zich voor haar vordering op de lesgeldplicht uit artikel 3 van de Les- en cursusgeldwet (hierna: LCW). Dit artikel is in dit geval echter niet van toepassing. Een BBL-opleiding wordt in de LCW namelijk niet aangemerkt als onderwijs aan een dagschool waarvoor lesgeld verschuldigd is, maar als cursus waarvoor cursusgeld moet worden betaald.[_b12a423f-65e2-4e5e-8fa9-d0b71916dc49] Voor opleidingen waarvoor lesgeld betaald moet worden, bepaalt de wet dat de verplichting tot betaling van het lesgeld van rechtswege ontstaat zodra de student zich heeft ingeschreven.[_afc99434-905f-412e-a941-14b2cc9c7a35] Of dit lesgeld voor of na de inschrijving (of eventuele uitschrijving) aan de student in rekening wordt gebracht, is niet van belang voor de betalingsverplichting. Een vergelijkbare bepaling ontbreekt echter voor studenten die zich inschrijven voor een opleiding die als cursus wordt aangemerkt. Dat betekent dat de student die is ingeschreven voor een cursus het daarvoor geldende cursusgeld pas verschuldigd wordt zodra de instelling dat aan hem/haar in rekening brengt. De wettelijke bepaling dat voor een als cursus aangemerkte opleiding eerst het cursusgeld moet worden betaald (of bewijs moet worden overgelegd waaruit blijkt dat het cursusgeld zal worden betaald) voordat inschrijving plaatsvindt, sluit daar ook op aan. Daarmee wordt immers de situatie uitgesloten dat een student onderwijs volgt, zonder dat daar een opeisbare betalingsverplichting tegenover staat.
Uit de stukken blijkt niet dat ROC voorafgaand aan de inschrijving (zekerheid tot) betaling van het cursusgeld van [gedaagde] heeft gevraagd. Die keuze van ROC maakt niet dat de inschrijving achteraf bezien niet rechtsgeldig was, maar leidt er wel toe dat ROC het cursusgeld niet (pas) op 23 november 2023 aan [gedaagde] in rekening kon brengen. Cursusgeld is verschuldigd wanneer een student voor een opleiding is ingeschreven. Op 23 november 2023 was er echter geen sprake (meer) van een inschrijving voor de opleiding. Dat ook na annulering van de cursus het volledige cursusgeld verschuldigd is, volgt niet uit de wettelijke bepalingen. ROC verwijst in dit verband naar artikel 3.21 van de Algemene bepalingen, waarin staat dat beëindiging van de onderwijsovereenkomst de betalingsverplichting onverlet laat. Zoals eerder overwogen, zijn deze Algemene bepalingen echter niet van toepassing op de inschrijving van [gedaagde] voor het schooljaar 2023/2024. De betalingsverplichting kan dan ook niet (alleen) op die Algemene bepalingen worden gegrond.
De vordering van ROC wordt afgewezen. De kantonrechter realiseert zich dat deze uitkomst mogelijk in de praktijk tot voor een onderwijsinstelling nadelige en wellicht ook in algemene zin ongewenste gevolgen kan leiden, maar ziet gelet op de toepasselijke regelgeving geen ruimte voor een andere beslising.
De proceskosten komen voor rekening van ROC, omdat zij ongelijk krijgt.
5 De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt ROC tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op € 50,- aan verletkosten.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.