Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Holland, 14 augustus 2024

ECLI:NL:RBNHO:2024:9332Zaaknummer 10205761 \ CV EXPL 22-6821

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14 augustus 2024
Publicatiedatum
3 oktober 2024
Zaaknummer
10205761 \ CV EXPL 22-6821
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het is niet gebleken dat er met betrekking tot de onderhavige vlucht beperkende overheidsmaatregelen van kracht waren. Het beroep op COVID-19 als buitengewone omstandigheid slaagt dan ook niet.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 december 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 125,03;griffierecht € 214,00;salaris gemachtigde € 270,00;

5.3.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten, voor zover de passagier daadwerkelijk nakosten zal maken;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het procesverloop
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 10205761 \ CV EXPL 22-6821

Uitspraakdatum: 14 augustus 2024

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [plaats]

eiseres

hierna te noemen: de passagier

gemachtigde: [gemachtigde] (Yource B.V.)

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

British Airways Plc

gevestigd te Cardiff (Verenigd Koninkrijk)

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. J.J.O. Zandt

De zaak in het kort

In deze zaak oordeelt de kantonrechter dat het niet is gebleken dat er met betrekking tot de onderhavige vlucht beperkende overheidsmaatregelen van kracht waren. Het beroep op COVID-19 als buitengewone omstandigheid slaagt dan ook niet.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 3 november 2022;

- de conclusie van antwoord van 26 april 2023;

- de conclusie van repliek van 22 mei 2023;

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder haar op 27 december 2021 vervoeren van Amsterdam Schiphol Airport via Londen Heathrow (Verenigd Koninkrijk) naar Kotoka International Airport met de vluchtcombinatie BA429 en BA81.

2.2.

Vlucht BA429 van Amsterdam naar Londen is geannuleerd.

2.3.

De passagier heeft daarom compensatie vervoerder gevorderd.

2.4.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1.

De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vluchtdatum tot aan de dag der algehele voldoening;- € 181,50 dan wel € 108,90 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Daarnaast vordert de passagier de kantonrechter om een certificaat af te geven zoals bedoeld in artikel 53 herziene EEX-Verordening 1215/2012 (Brussel I bis-Verordening).

3.3.

De passagier baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder haar vanwege de annulering de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 (artikel 7 van de Verordening).

3.4.

De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt – voor zover relevant – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4.2.

Niet in geschil is dat de vlucht is geannuleerd. Nu gesteld, noch gebleken is dat de vervoerder zich kan beroepen op artikel 5, eerste lid, onder c van de Verordening, geldt er in beginsel een compensatieplicht voor de vervoerder. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden. De vervoerder heeft in dit verband een beroep op de coronapandemie en de daardoor geldende beperkende overheidsmaatregelen gedaan.

4.3.

De vraag die voorligt is of de COVID-maatregelen de onderhavige vlucht onmogelijk hebben gemaakt. De kantonrechter is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Het is niet gebleken dat er op 27 december 2021 met betrekking tot de onderhavige vlucht (van Amsterdam naar Londen) beperkende overheidsmaatregelen van kracht waren.

4.4.

De vervoerder heeft nog aangevoerd dat de vlucht is geannuleerd vanwege de lage bezettingsgraad. Dit betekent echter niet dat de vlucht niet door kon gaan. Wellicht heeft de vervoerder keuzes gemaakt die vanuit het oogpunt van de onderneming het meest gunstig waren, maar dit ontslaat de vervoerder niet van de verplichting om gedupeerde passagiers te compenseren. Het beroep van de vervoerder op buitengewone omstandigheden slaagt dan ook niet. De kantonrechter komt daarom niet toe aan de beantwoording van de vraag of de vervoerder voldoende redelijke maatregelen heeft genomen om de annulering te voorkomen. De vordering tot betaling van de hoofdsom zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.

4.5.

De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagier heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.

4.6.

De proceskosten en de nakosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat deze ongelijk krijgt.

4.7.

Het gevorderde certificaat wordt bij gebrek aan belang afgewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 december 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 125,03;griffierecht € 214,00;salaris gemachtigde € 270,00;

5.3.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten, voor zover de passagier daadwerkelijk nakosten zal maken;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.