Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Holland, 17 juli 2024

ECLI:NL:RBNHO:2024:7142Zaaknummer 10981700 \ CV EXPL 24-692

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17 juli 2024
Publicatiedatum
8 augustus 2024
Zaaknummer
10981700 \ CV EXPL 24-692
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Alkmaar
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Te laat betaalde factuur uit 2018. Vordering tot betaling van restant in verband met incassokosten is verjaard en wordt daarom afgewezen

De beslissing

De kantonrechter:

3.7.

wijst de vordering af;

3.8.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op een bedrag van € 50,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het procesverloop
  2. 2 Het geschil
  3. 3 De beoordeling

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 10981700 \ CV EXPL 24-692 CK

Uitspraakdatum: 17 juli 2024

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

gevestigd te [plaats 1]

eiseres

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: Incassocenter B.V.

tegen

[gedaagde]

wonende te [plaats 2]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

procederend in persoon

De zaak in het kort

[eiser] vordert betaling van incassokosten vanwege een in 2018 te laat betaalde factuur. Het beroep van [gedaagde] op verjaring slaagt omdat [eiser] na betaling van die factuur niets meer van zich heeft laten horen. De vordering wordt afgewezen. [gedaagde] hoeft niets te betalen.

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 9 februari 2024 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

[eiser] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 259,37, te vermeerderen met rente en kosten. Samengevat ziet de vordering op door de niet tijdige betaling van een factuur van 12 juni 2018 verschuldigde buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke (handels)rente.

2.2.

[gedaagde] betwist de vordering. Hij voert aan dat de factuur van 12 juni 2018 ziet op aankopen voor de onderneming die hij met zijn toenmalige echtgenote dreef. Na een aanmaning van 25 juni 2018 is deze op 11 juli 2018 voldaan. Dat is binnen de wettelijke betaaltermijn, zodat hij niets meer verschuldigd is. [gedaagde] is daarna niet meer aangesproken tot betaling van het restantbedrag of kosten of rente, tot 18 december 2023. De vordering van [eiser] is ook niet ingebracht in het faillissement van [gedaagde], dat op 19 oktober 2021 wegens gebrek aan baten is opgeheven. Volgens [gedaagde] is de vordering verjaard.

3 De beoordeling

De factuur is niet op tijd betaald

3.1.

De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn verweer dat hij de factuur op tijd heeft betaald. [eiser] stelt namelijk dat de vervaltermijn van de factuur veertien dagen is. [gedaagde] erkent dat met zijn klacht over de aanmaning van 28 juni 2018, die, volgens [gedaagde], zeven dagen na de factuurvervaldatum aan hem is gezonden. De kantonrechter leidt hieruit af dat partijen een betaaltermijn van veertien dagen hadden afgesproken, zodat de wettelijke termijn van dertig dagen niet van toepassing is. [gedaagde] heeft dus niet op tijd betaald. [eiser] kon daarom buitengerechtelijke incassokosten in rekening brengen.

De vordering tot betaling van het restantbedrag in verband met de incassokosten is verjaard

3.2.

De vordering van [eiser] is een geldvordering. Die vordering verjaart na verloop van vijf jaar nadat deze opeisbaar is geworden, behalve als die verjaring wordt gestuit. Stuiting vindt plaats door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.

3.3.

[eiser] vordert betaling van het restant van de factuur van 12 juni 2018 in verband met de incassokosten en de rente daarover. Die betaling is sinds de datum van de aanmaning waarbij de incassokosten zijn gevorderd, 25 juni 2018, verschuldigd. Dat op grond van artikel 6:44 van het Burgerlijk Wetboek de betaling voor de factuur van € 674,00 eerst in mindering wordt gebracht op de kosten en daarna op de hoofdsom, maakt voor het moment van de opeisbaarheid geen verschil.

3.4.

Op 18 december 2023, volgens [gedaagde] het eerste bericht, waren sinds het moment van opeisbaarheid, al meer dan vijf jaren verstreken. [eiser] is in de conclusie van repliek niet ingegaan op het verjaringsverweer van [gedaagde]. Niet is gesteld of gebleken dat [eiser] eerder dan in december 2023 [gedaagde] tot betaling heeft aangesproken en dat de verjaring door [eiser] is gestuit. De verjaring is daarmee een feit.

3.5.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] zal afwijzen.

3.6.

De proceskosten komen voor rekening van [eiser] omdat zij ongelijk krijgt. [gedaagde] procedeert in persoon en is op de zitting van 13 maart 2024 verschenen. De kantonrechter begroot de kosten van [gedaagde] (forfaitair) op € 50,00 wegens reis- verblijf- en verletkosten. [gedaagde] heeft het door hem gevorderde bedrag van € 200,00 onvoldoende onderbouwd.

De beslissing

De kantonrechter:

3.7.

wijst de vordering af;

3.8.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op een bedrag van € 50,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.