Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Holland, 21 februari 2024

ECLI:NL:RBNHO:2024:1565Zaaknummer 10081329 \ CV EXPL 22-5262

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21 februari 2024
Publicatiedatum
28 februari 2024
Zaaknummer
10081329 \ CV EXPL 22-5262
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak, Verstek
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Tegenspraak. Eindvonnis na akte. Ambtshalve toetsing. De kantonrechter oordeelt dat de artikelen 1.12 en 3.26 van de Algemene Voorwaarden 2020 ANWB oneerlijk zijn ten aanzien van de gevorderde incassokosten. Deze artikelen worden niet getoetst over de opschortingsbedingen en tussentijdse opzegmogelijkheid, nu de eisende partij daar geen gebruik van heeft gemaakt. Dit geldt eveneens voor de prijswijzigingsbedingen. De gevorderde hoofdsom en rente is toewijsbaar. De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 191,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vervaldag van de ingebrekestelling tot aan de dag van de gehele betaling;

3.2.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:

€ 107,22 wegens dagvaardingskosten,

€ 128,00 wegens griffierecht en

€ 40,00 wegens salaris gemachtigde;

3.3.

verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De verdere procedure
  2. 2 De verdere beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 10081329 \ CV EXPL 22-5262

Uitspraakdatum: 21 februari 2024

Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap

ANWB B.V.

gevestigd te 's-Gravenhage

de eisende partij

gemachtigde: gerechtsdeurwaarders A. Niekus en Mr E. Krom

tegen

[gedaagde]

wonende te [plaats]

de gedaagde partij

procederend in persoon

1 De verdere procedure

1.1.

Bij tussenvonnis van 28 juni 2023 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten, hetgeen zij bij akte heeft gedaan.

2 De verdere beoordeling

Artikel 1.12 en artikel 3.26 van de Algemene Voorwaarden 2020 (hierna: Algemene Voorwaarden): incassokosten

2.1.

De eisende partij voert aan dat de bedingen over de gevolgen van te laat betalen, zoals bedoeld in de eerste bullet van artikel 1.12 en de tweede bullet van artikel 3.26 van de Algemene Voorwaarden niet onredelijk bezwarend zijn. In die bepalingen is aangesloten bij het recht dat de eisende partij heeft op grond van artikel 6:96 lid 5 en 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De term ‘incassokosten’ is dermate ingevoerd in het Nederlands taalgebied dat de consument begrijpt dat hiermee de wettelijke regeling voor incassokosten wordt bedoeld. Die bewoordingen leiden dus niet tot de conclusie dat het beding oneerlijk of niet transparant is. De eisende partij past de wettelijke regeling toe en wil daarbij alleen de incassokosten in rekening brengen die passen bij de tot dan toe aan de orde zijnde incassoactiviteiten. Daarom brengt zij in eerste instantie slechts een deel van de incassokosten, te weten € 6,00, in rekening in plaats van direct € 40,00 en daarna pas het maximaal toegestane bedrag overeenkomstig het Besluitvergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit), aldus de eisende partij.

2.2.

De kantonrechter blijft van oordeel dat de bedoelde bedingen onvoldoende aansluiten bij artikel 6:96 lid 5 en lid 6 BW en het Besluit. In het algemeen spraakgebruik wordt de term ‘incassokosten’ niet alleen gebruikt in de zin van de wettelijke regeling voor incassokosten (artikel 6:96 lid 2 sub c BW en de leden 5 en 6 van datzelfde artikel). De term ‘incassokosten’ komt in dat wetsartikel ook niet voor. Het gebruik van deze term in voornoemde bedingen sluit voor een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument dus niet uit dat daarmee ook andere kosten kunnen worden bedoeld. Het gebrek aan verwijzing naar artikel 6:96 lid 5 en 6 BW leidt er bovendien toe dat kan worden afgeweken van de wet en dat incassokosten ongelimiteerd in rekening kunnen worden gebracht.

2.3.

Op grond van het voorgaande stelt de kantonrechter vast dat het vermoeden niet is weerlegd dat de eerste bullet van artikel 1.12 en de tweede bullet van artikel 3.26 van de Algemene Voorwaarden onredelijk bezwarend zijn. Deze bedingen worden daarom als oneerlijk aangemerkt en vernietigd. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen.

Artikel 1.12 en artikel 3.26 van de Algemene Voorwaarden: opschortingsbedingen en tussentijdse opzegmogelijkheid

2.4.

De eisende partij voert aan dat zij ten aanzien van de gedaagde partij geen gebruik heeft gemaakt van enig opschortings- of tussentijds opzegbeding. De kantonrechter zal verdere ambtshalve toetsing van de tweede en derde bullet van artikel 1.12 en van de derde bullet van artikel 3.26 van de Algemene Voorwaarden daarom achterwege laten.

Artikel 1.8 en 3.24 van de Algemene Voorwaarden: prijswijzigingsbedingen

2.5.

De eisende partij voert aan dat zij betaling vordert van de overeengekomen en ongewijzigde prijs. De kantonrechter constateert dat in dit geval dus geen gebruik is gemaakt van een prijswijzigingsbeding. Verdere ambtshalve toetsing van deze bedingen zal daarom achterwege blijven.

Conclusie

2.6.

De gevorderde hoofdsom komt de kantonrechter overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen. Ook de gevorderde rente is toewijsbaar.

2.7.

De gedaagde partij wordt (grotendeels) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de genomen akte blijven echter voor rekening van de eisende partij, aangezien het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was deze extra akte op te stellen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 191,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vervaldag van de ingebrekestelling tot aan de dag van de gehele betaling;

3.2.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:

€ 107,22 wegens dagvaardingskosten,

€ 128,00 wegens griffierecht en

€ 40,00 wegens salaris gemachtigde;

3.3.

verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.