Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Noord-Holland, 24 juli 2024
ECLI:NL:RBNHO:2024:14260Zaaknummer 10872995 \ CV EXPL 24-477
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 24 juli 2024
- Publicatiedatum
- 14 juli 2025
- Zaaknummer
- 10872995 \ CV EXPL 24-477
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Bodemzaak, Verstek
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verstek. Ambtshalve toetsing.
3 De beslissing
De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rol van 20 maart 2024 om zich bij akte uit te laten over wat in rechtsoverweging 2.3, 2.4., 2.10., 2.12 en 2.13. is overwogen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10872995 \ CV EXPL 24-477
Uitspraakdatum: 24 juli 2024
Verstekvonnis in de zaak van:
de besloten vennootschap
Collect Car B.V., handelende onder de naam greenwheels
gevestigd te Rotterdam
de eisende partij
gemachtigde: mr.drs. J.J.F.M. Konings
tegen
[gedaagde]
wonende in de gemeente [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1 De verdere procedure
Op 21 februari 2024 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft de eisende partij een akte ingediend. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
2 2. De verdere beoordeling
De eisende partij heeft de gelegenheid gekregen om zich bij akte uit te laten over wat in het tussenvonnis in rechtsoverweging 2.3, 2.4, 2.10, 2.12 en 2.13 is overwogen.
In rechtsoverweging 2.4 is overwogen dat de eisende partij concreet moet toelichten op welke wijze zij aan de (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v (lid 7) van het BW (BW) heeft voldaan. De kantonrechter zal daarom alleen die artikelen ambtshalve toetsen.
Precontractuele informatieplichten
De kantonrechter stelt na de toelichting van de eisende partij in genoemde akte vast dat de eisende partij niet heeft voldaan aan alle informatieverplichtingen van artikelen 6:230m lid 1 onder a, b, c, e, f, g, h, i, j, o en p BW. Zo is niet gebleken dat de gedaagde partij is gewezen op het herroepingsrecht. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat de gedaagde partij voordat de overeenkomst tot stand gekomen is expliciet is gewezen op de (mogelijke) verschuldigdheid van overige kosten. Het enkele feit dat de informatie bedoeld in 6:230m lid 1 op de website van de eisende partij te vinden is, is onvoldoende. Het gaat hier om informatie die de handelaar voordat de consument aan de overeenkomst gebonden is aan de consument moet verstrekken. De consument hoeft daar niet zelf naar op zoek te gaan.
De contractuele informatieplicht
Voor wat betreft de contractuele informatieplicht (artikel 6:230v lid 7 BW) heeft de eisende partij nagelaten (voldoende) te stellen en te onderbouwen dat deze is nagekomen. Om te kunnen vaststellen dat is voldaan aan artikel 6:230v lid 7 onder a BW moet in dit geval een aanmeldbevestiging worden overgelegd die voldoet aan de eisen van dat artikel. Dat wil zeggen een concrete, daadwerkelijk aan de gedaagde partij verzonden aanmeldbevestiging. Die ontbreekt in dit geval. Weliswaar heeft de eisende partij gesteld dat na aanmelden een bevestiging en welkomstbrief worden verzonden, maar deze zijn niet overgelegd. De kantonrechter stelt daarom vast dat niet aan de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW is voldaan.
Welke sanctie hoort hierbij?
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
De overeenkomst zal gedeeltelijk worden vernietigd, te weten voor 25% van de door de gedaagde partij verschuldigde hoofdsom, zodat daarvan resteert een bedrag van € 1.387,34
(€ 1.849,78 x 0.75) dat toewijsbaar is.
Boetes en administratiekosten
Ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op de boete voor het te laat terugbrengen van de auto en de administratiekosten voor het verwerken van een verkeersovertreding zijn van belang de artikelen 25 en 35 van de Algemene Voorwaarden. Deze artikelen zijn door de kantonrechter al getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente
De eisende partij heeft voldoende toegelicht dat in de Algemene Voorwaarden onder ‘Vooraf’ is bepaald dat de consument direct in verzuim is als de factuur niet vóór de vervaldatum is betaald. Dit betekent dat het rentebeding in artikel 51 sub e van de Algemene Voorwaarden niet oneerlijk is. Omdat het gevorderde rentebedrag over de volle hoofdsom is berekend, terwijl slechts 75% wordt toegewezen, wordt het gevorderde rentebedrag van
€ 91,94 ook voor 75% (dus € 68,96) toegewezen.
De kantonrechter blijft bij het voornemen om het beding in artikel 51 sub e ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten te vernietigen omdat deze bepaling afwijkt van de wettelijke regeling van artikel 6:96 lid 6 BW, op grond waarvan de consument pas incassokosten verschuldigd is als deze na het intreden van verzuim vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van 14 dagen en niet al als je niet of te laat betaalt. Ook als de eisende partij feitelijk pas incassokosten in rekening brengt als na de termijn in de zogenoemde veertiendagenbrief geen betaling is ontvangen, zoals zij heeft gesteld, leidt dit niet tot een ander oordeel. Het gaat om de toets van het beding en als het beding oneerlijk is, kan niet worden teruggevallen op de wettelijke regeling of de feitelijke gang van zaken.
Conclusie
Uit het voorgaande in samenhang gelezen met het tussenvonnis volgt dat een bedrag van € 1.456,30 wordt toegewezen. Omdat het beding op grond waarvan de buitengerechtelijke incassokosten bij de consument in rekening kunnen worden gebracht oneerlijk is, heeft de eisende partij geen recht op de buitengerechtelijke incassokosten. Die nevenvordering zal daarom worden afgewezen.
Omdat de gedaagde partij grotendeels in het ongelijk wordt gesteld zal deze worden veroordeeld in de proceskosten. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen ingaande de 15e dag na de datum van betekening van dit vonnis.
De kosten van de akte blijven voor rekening van de eisende partij, omdat de akte voortvloeit uit het feit dat de algemene voorwaarden een beding bevatten dat oneerlijk is en de eisende partij de toelichting op het nakomen van de informatieplichten al bij dagvaarding had moeten geven.
3 De beslissing
De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rol van 20 maart 2024 om zich bij akte uit te laten over wat in rechtsoverweging 2.3, 2.4., 2.10., 2.12 en 2.13. is overwogen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.