Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Noord-Holland, 20 februari 2023
ECLI:NL:RBNHO:2023:14215Zaaknummer 23/4340
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 20 februari 2023
- Publicatiedatum
- 26 augustus 2025
- Zaaknummer
- 23/4340
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bekostiging leerlingenvervoer. Artikel 8.28 Wet VO 2020. Uit de toelichting op artikel 8.29 van de Wet VO 2020 kan worden afgeleid dat de in artikel 8.29 opgenomen verplichting om een verordening vast te stellen over het leerlingenvervoer ziet op leerlingenvervoer als bedoeld in artikel 8.28 van de wet VO 2020.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2023.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet voortgezet onderwijs 2020
Artikel 8.28. Leerlingenvervoer
Het college van burgemeester en wethouders verstrekt aan ouders van leerlingen die in de gemeente verblijven, op hun aanvraag vergoeding van de vervoerskosten die het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk acht. De aanvraag heeft uitsluitend betrekking op leerlingen die door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap voor hun schoolbezoek:
a. niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken; of
b. zijn aangewezen op ander vervoer dan openbaar vervoer.
Artikel 8.29. Gemeentelijke verordening leerlingenvervoer
1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast over het leerlingenvervoer.
2. In de verordening wordt geen onderscheid gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs en wordt de schoolkeuze van de ouders die berust op godsdienst of levensovertuiging geëerbiedigd.
3. In de verordening wordt rekening gehouden met de inzet die redelijkerwijs kan worden verlangd van ouders en wordt voorzien in een manier van vervoer die passend is voor de leerling. In de verordening wordt bepaald op welke wijze het college van burgemeester en wethouders advies laat uitbrengen door deskundigen over de manier van vervoer die voor de leerling passend is.
4. In de verordening wordt bepaald dat het college van burgemeester en wethouders de kosten vergoedt van vervoer over de afstand tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, met inachtneming van de keuze van de ouders, tenzij vervoer naar een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich zou brengen en de ouders instemmen met het vervoer naar die school. In de verordening kan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders in plaats van een vergoeding in geld te geven, het vervoer verzorgt of laat verzorgen.
5. In de verordening kan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen ten gunste van de ouders kan afwijken van de verordening.
Verordening leerlingenvervoer Haarlem 2015
Artikel 2. De door het college noodzakelijk te achten vervoersvoorziening
1. Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.
2. Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt zij van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen.
3. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen.
4. Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag verstrekt aan de leerling.
Artikel 3. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school
1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen.
2. Indien ouders een vervoersvoorziening aanvragen voor het bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan een andere school van dezelfde onderwijssoort, ontstaat slechts aanspraak op een vervoersvoorziening naar eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen.
3. Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag van een vervoersvoorziening het ondersteuningsplan, zoals dat is vastgesteld door het samenwerkingsverband na overleg met het college.
4. Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat de school een wachtlijst heeft, blijft in afwijking van het eerste lid aanspraak op een vergoeding voor vervoer naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde school bestaan wanneer de dichtstbijzijnde school weer toegankelijk is, maar de leerling de verder weggelegen school blijft bezoeken. Wanneer de dichtstbijzijnde school weer toegankelijk is, is het eerste lid wel van toepassing als deze school op grond van het ondersteuningsplan als bedoeld in het derde lid meer passend is voor de leerling.
Artikel 23. Afwijken van bepalingen
Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zonodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/4340
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J. Sprakel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder
(gemachtigden: mr. S. El Jarroudi en P. Moltmaker).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om bekostiging van leerlingenvervoer.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 20 september 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 mei 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en omstandigheden
Eiseres heeft op 19 september 2022 twee aanvragen ingediend voor bekostiging van leerlingenvervoer voor haar dochters [naam dochter 1] en [naam dochter 2]. De dochters van eiseres zitten op het voortgezet onderwijs [school] (de school) in Amsterdam. Eiseres heeft uit religieuze overwegingen gekozen voor deze school voor haar dochters. Een school voor voortgezet onderwijs met Islamitische signatuur is niet beschikbaar in hun woonplaats [plaats]. De school ligt op 16 kilometer afstand van de woning van eiseres en de dochters van eiseres gaan met het openbaar vervoer naar school. Eiseres kan deze vervoerskosten vanwege een laag inkomen niet bekostigen. Bij de aanvragen is vermeld dat de dochters van eiseres zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen. De dochters van eiseres hebben geen handicap of beperking.
Verweerder heeft op 20 september 2022, bij afzonderlijke besluiten, de aanvragen van eiseres op twee gronden afgewezen, namelijk dat geen sprake is van een handicap of beperking waardoor de dochters van eiseres niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen en omdat de school geen school is, of schooltype is, dat in aanmerking komt voor leerlingenvervoer.
Bestreden besluit
4. Verweerder is in het bestreden besluit bij het standpunt gebleven dat eiseres niet in aanmerking komt voor een vergoeding van kosten voor leerlingenvervoer voor haar beide dochters. Hij heeft daarbij de afwijzingsgrond, dat geen sprake is van een school of schooltype dat in aanmerking komt voor leerlingenvervoer, laten vallen. Aan de weigering ligt dus nog slechts ten grondslag dat bij de dochters van eiseres geen sprake is van een lichamelijke, geestelijke of zintuigelijke handicap als gevolg waarvan zij niet in staat zijn zelfstandig met het openbaar vervoer van en naar school te reizen.
Biedt artikel 8.29 Wet VO 2020 een zelfstandige basis voor het toewijzen van een vergoeding van leerlingenvoervoer op basis van godsdienst?
Eiseres voert aan dat verweerder de aanvraag niet juist heeft geïnterpreteerd. Verweerder gaat ervan uit dat het een aanvraag betreft om leerlingenvervoer op grond van een lichamelijke of geestelijke beperking. Dat is uitdrukkelijk niet aangevraagd door eiseres. De aanvraag ziet op een vervoersregeling om naar een school van de gekozen richting te kunnen gaan, in dit geval islamitisch onderwijs. Artikel 8.28 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (Wet VO 2020) voorziet daarom ook niet in deze situatie, aangezien dit artikel specifiek ziet op situaties waarin geen gebruik van openbaar vervoer kan worden gemaakt of dat ander vervoer is aangewezen. Eiseres heeft de aanvraag juist gebaseerd op artikel 8.29 van de Wet VO 2020. Uit dit artikel volgt dat verweerder een verordening moet vaststellen en dat de schoolkeuze van de ouders op grond van godsdienst moet worden gerespecteerd. Uit de Verordening (artikel 2, eerste lid) blijkt dat de gemeente een vervoersvoorziening moet bieden en dat die ziet op de afstand tussen de opstapplaats en een voor de leerling toegankelijke school. Een toegankelijke school is gedefinieerd als “school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school” (artikel 1, onder s). De vervoersvoorziening ziet dus ook op een beperking van de toegankelijkheid omdat de schoolkeuze op grond van godsdienstige gronden niet in de woonplaats van eiseres beschikbaar is. Eiseres voert aan dat artikel 8.29 van de Wet VO 2020 daarmee een zelfstandige basis biedt voor een vergoeding voor leerlingenvervoer anders dan voor kinderen met een structurele handicap. Als dat al niet zo is, dan biedt artikel 8.29, vijfde lid, Wet VO 2020 een ruime afwijkingsbevoegdheid en moet alsnog een vergoeding van leerlingenvervoer worden toegekend. Anders wordt er immers een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen leerlingen die vanwege hun beperking op leerlingenvervoer zijn aangewezen en leerlingen die vanwege hun geloofsovertuiging op leerlingenvervoer zijn aangewezen.
De beroepsgrond slaagt niet. Artikel 8.28 van de Wet VO 2020 ziet op de verplichting van gemeenten om leerlingen met een geestelijk of fysiek gebrek die niet (zelfstandig) gebruik kunnen maken van openbaar vervoer een vergoeding van vervoerskosten te verstrekken. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de toelichting op artikel 8.29 van de Wet VO 2020 kan worden afgeleid dat de in artikel 8.29 opgenomen verplichting om een verordening vast te stellen over het leerlingenvervoer ziet op leerlingenvervoer als bedoeld in artikel 8.28 van de wet VO 2020. Er geldt aldus slechts een verplichting om een verordening vast te stellen over het leerlingenvervoer voor leerlingen met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap die voor hun schoolbezoek niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken of zijn aangewezen op ander vervoer dan openbaar vervoer. Verweerder mag, maar is niet verplicht, om ook regelingen op te nemen voor leerlingen die om andere redenen op een vervoersvoorziening zijn aangewezen. De gemeenteraad van Haarlem heeft er in de Verordening leerlingenvervoer gemeente Haarlem 2015 (de Verordening) voor gekozen om dat voor scholen voor voortgezet onderwijs niet te doen. Dat in het tweede lid van artikel 8.29 van de Wet VO 2020 staat dat in de verordening de schoolkeuze van de ouders, ook op basis van godsdienst, moet worden gerespecteerd, betekent niet dat godsdienst een zelfstandige grond is voor de toekenning van een vervoersvoorziening. Dit lid ziet op toepassing van de in artikel 8.28 van de Wet VO opgenomen verplichting.
Weliswaar biedt artikel 8.29, vijfde lid, van de wet VO 2020 en ook artikel 23 van de Verordening de mogelijkheid om ten gunste van ouders af te wijken van de bepalingen in de vervoersverordening, maar daarvoor heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiseres geenszins heeft onderbouwd dat zij over onvoldoende financiële middelen beschikt om de vervoerskosten voor het vervoer van haar dochters naar school te dragen en ook is niet komen vast te staan dat hiervoor geen andere voorliggende voorziening beschikbaar is, zoals bijzondere bijstand. Onder die omstandigheden kan eiseres er ook niet in worden gevolgd dat sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerders beslissing om geen vergoeding voor leerlingenvervoer toe te kennen in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2023.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet voortgezet onderwijs 2020
Artikel 8.28. Leerlingenvervoer
Het college van burgemeester en wethouders verstrekt aan ouders van leerlingen die in de gemeente verblijven, op hun aanvraag vergoeding van de vervoerskosten die het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk acht. De aanvraag heeft uitsluitend betrekking op leerlingen die door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap voor hun schoolbezoek:
a. niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken; of
b. zijn aangewezen op ander vervoer dan openbaar vervoer.
Artikel 8.29. Gemeentelijke verordening leerlingenvervoer
1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast over het leerlingenvervoer.
2. In de verordening wordt geen onderscheid gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs en wordt de schoolkeuze van de ouders die berust op godsdienst of levensovertuiging geëerbiedigd.
3. In de verordening wordt rekening gehouden met de inzet die redelijkerwijs kan worden verlangd van ouders en wordt voorzien in een manier van vervoer die passend is voor de leerling. In de verordening wordt bepaald op welke wijze het college van burgemeester en wethouders advies laat uitbrengen door deskundigen over de manier van vervoer die voor de leerling passend is.
4. In de verordening wordt bepaald dat het college van burgemeester en wethouders de kosten vergoedt van vervoer over de afstand tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, met inachtneming van de keuze van de ouders, tenzij vervoer naar een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich zou brengen en de ouders instemmen met het vervoer naar die school. In de verordening kan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders in plaats van een vergoeding in geld te geven, het vervoer verzorgt of laat verzorgen.
5. In de verordening kan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen ten gunste van de ouders kan afwijken van de verordening.
Verordening leerlingenvervoer Haarlem 2015
Artikel 2. De door het college noodzakelijk te achten vervoersvoorziening
1. Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.
2. Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt zij van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen.
3. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen.
4. Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag verstrekt aan de leerling.
Artikel 3. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school
1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen.
2. Indien ouders een vervoersvoorziening aanvragen voor het bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan een andere school van dezelfde onderwijssoort, ontstaat slechts aanspraak op een vervoersvoorziening naar eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen.
3. Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag van een vervoersvoorziening het ondersteuningsplan, zoals dat is vastgesteld door het samenwerkingsverband na overleg met het college.
4. Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat de school een wachtlijst heeft, blijft in afwijking van het eerste lid aanspraak op een vergoeding voor vervoer naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde school bestaan wanneer de dichtstbijzijnde school weer toegankelijk is, maar de leerling de verder weggelegen school blijft bezoeken. Wanneer de dichtstbijzijnde school weer toegankelijk is, is het eerste lid wel van toepassing als deze school op grond van het ondersteuningsplan als bedoeld in het derde lid meer passend is voor de leerling.
Artikel 23. Afwijken van bepalingen
Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zonodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.