Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Noord-Holland, 25 oktober 2023
ECLI:NL:RBNHO:2023:10702Zaaknummer 10657930 \ CV EXPL 23-5341
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 25 oktober 2023
- Publicatiedatum
- 6 december 2023
- Zaaknummer
- 10657930 \ CV EXPL 23-5341
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Verstek
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Luchtvaart. Verstek. Verordening 261/2004 niet van toepassing; vertrekplaats ligt buiten de EU en de vervoerder is geen communautaire luchtvaartmaatschappij. Artikel 19 van het Verdrag van Montreal is evenmin van toepassing; onvoldoende gesteld zodat moet worden aangenomen dat sprake is van een situatie ‘niet-vervoeren’ of gehele wanprestatie, waarbij artikel 19 van het Verdrag van Montreal niet van toepassing is.
3 De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag vaststelt op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10657930 \ CV EXPL 23-5341 (DB)
Uitspraakdatum: 25 oktober 2023
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1 [eiser 1]
2. [eiser 2]
3. [eiser 3]
allen wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen de passagiers
gemachtigde mr. B.F.I. Bruisten (Yource B.V.)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
easyJet Airline Company Limited
gevestigde te Londen Luton Airport (Verenigd Koninkrijk), mede kantoorhoudende te Amsterdam
gedaagde
hierna te noemen de vervoerder
niet verschenen
1 Het procesverloop
De passagiers hebben de vervoerder gedagvaard. Tegen de vervoerder is verstek verleend.
2 De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Londen Gatwick (Verenigd Koninkrijk) naar Amsterdam Schiphol met vluchtnummer U28881 op 6 juni 2022 (hierna: de vlucht).
De vlucht is geannuleerd.
De passagiers vorderen onder andere compensatie ter hoogte van € 750,00. Zij hebben daaraan ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Voorts vorderen de passagiers vergoeding van kosten in verband met de aankoop van treinkaartjes (vervangend vervoer) op grond van artikel 9 van de Verordening dan wel op grond van artikel 19 van het Verdrag van Montreal tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer van 28 mei 1999, Trb. 2001/91 (hierna: het Verdrag van Montreal).
De kantonrechter oordeelt dat hij ambtshalve gehouden is te toetsen of de onderhavige vordering onder het toepassingsbereik van de Verordening en/of het Verdrag van Montreal valt. De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Het volgende is hiervoor redengevend.
Artikel 3, lid 1, van de Verordening luidt als volgt:
“Deze verordening is van toepassing
a. op passagiers die vertrekken vanaf een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is;
b) op passagiers die vertrekken vanaf een in een derde land gelegen luchthaven naar een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is, tenzij zij bepaalde voordelen of compensatie hebben ontvangen en bijstand hebben gekregen in dat derde land, indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht in kwestie uitvoert, een communautaire luchtvaartmaatschappij is”.
Nu Londen (Verenigd Koninkrijk) als vertrekplaats moet worden aangemerkt, is de luchthaven van vertrek buiten de EU gelegen, zodat niet wordt voldaan aan artikel 3, lid 1, aanhef en sub a van de Verordening. De kantonrechter stelt vast dat de vervoerder is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, dat op 31 januari 2020 de Europese Unie heeft verlaten (de zogenaamde ‘Brexit’). In dat kader is tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie het zogenaamde Terugtrekkingsakkoord gesloten, dat voorziet in een overgangsperiode die op 31 december 2020 is geëindigd. Dit houdt in dat de vervoerder op de geplande vluchtdatum, 6 juni 2022, niet als een communautaire luchtvaartmaatschappij is aan te merken, zodat er evenmin is voldaan aan artikel 3, lid 1, aanhef en sub b van de Verordening. De conclusie is dan ook dat de Verordening niet van toepassing is op de betreffende vlucht. De gevorderde compensatie komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking. De vordering van de passagiers tot additionele kosten kan evenmin op grond van de Verordening worden toegewezen.
De passagiers hebben de vordering tot additionele kosten mede gebaseerd op artikel 19 van het Verdrag van Montreal. De passagiers stellen dat zij geen vervangende vlucht aangeboden hebben gekregen. De passagiers hebben echter niet gesteld dat zij met vertraging op de eindbestemming zijn aangekomen, noch dat de beslissing van de passagiers om alternatief vervoer (treintickets) te boeken, is ontstaan uit ‘een vertraging in het luchtvervoer’. Het moet er om die reden voor gehouden worden dat sprake is van een situatie ‘niet-vervoeren’ of gehele wanprestatie, waarbij artikel 19 van het Verdrag van Montreal niet van toepassing is. De conclusie is dat ook de gevorderde schadevergoeding zal worden afgewezen.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat zij ongelijk krijgen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag vaststelt op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.