Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Noord-Holland, 26 januari 2022

ECLI:NL:RBNHO:2022:729Zaaknummer 9362308 \ CV EXPL 21-3861

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26 januari 2022
Publicatiedatum
7 februari 2022
Zaaknummer
9362308 \ CV EXPL 21-3861
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Alkmaar
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

gedaagde niet ter zitting verschenen, verweer onvoldoende toegelicht, vordering toegewezen

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 15.339,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 21 juli 2021 tot aan de dag van de gehele betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op € 123,52 aan kosten voor de dagvaarding, € 507,00 aan griffierecht en € 373,00 aan salaris voor de gemachtigde;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het procesverloop
  2. 2 De feiten
  3. 4 De beoordeling
  4. 5 De beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 9362308 \ CV EXPL 21-3861 KB

Uitspraakdatum: 26 januari 2022

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats 1]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: [gemachtigde] alsmede K.W.A. van der Meer, gerechtsdeurwaarder

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats 2]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

procederende in persoon

De zaak in het kort

[eiser] stelt dat hij aan [gedaagde] ruim € 15.000,00 heeft betaald voor de gezamenlijke aankoop van een appartement in Turkije, maar dat [gedaagde] het appartement (waarschijnlijk) nooit heeft gekocht. [eiser] vordert daarom terugbetaling van dat bedrag. De kantonrechter houdt het standpunt van [eiser] voor juist, omdat [gedaagde] niet op de zitting is verschenen en heeft erkend dat hij moet terugbetalen. [eiser] heeft daarom recht op terugbetaling.

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 21 juli 2021 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 29 december 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat [eiser] ter toelichting van zijn standpunt naar voren heeft gebracht. [gedaagde] is niet op de zitting verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiser] bij brief van 7 december 2021 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Door partijen is in 2015 een schriftelijke overeenkomst gesloten voor de gezamenlijke aankoop van een appartement in Turkije, met de bedoeling om na verkoop de opbrengst te delen.

2.2.

[eiser] heeft in 2015 een bedrag van € 13.000,00 en € 2.339,00 aan [gedaagde] betaald. Die bedragen waren bedoeld voor de aankoop door [gedaagde] van het appartement.

3. De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert, na vermindering van eis, dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 15.339,00. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] eerdergenoemd appartement (waarschijnlijk) nooit heeft gekocht. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] ook erkend dat hij het door [eiser] betaalde bedrag moet terugbetalen.

3.2.

[gedaagde] betwist de vordering. [gedaagde] voert aan – samengevat – dat partijen inderdaad een overeenkomst hebben gesloten en dat de genoemde bedragen door [eiser] zijn betaald, maar [gedaagde] wijst erop dat hij kosten heeft gemaakt die in mindering moeten komen op de terugbetaling aan [eiser]. Verder stelt [gedaagde] dat hij nooit een ingebrekestelling heeft gehad.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] moet worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 15.339,00 aan [eiser].

4.2.

[gedaagde] is met een brief opgeroepen voor de zitting, maar niet verschenen. [gedaagde] heeft dus geen vragen van de kantonrechter kunnen beantwoorden en heeft geen nadere inlichtingen of toelichting gegeven. Het gevolg daarvan is dat moet worden geconcludeerd dat [gedaagde] zijn verweer onvoldoende heeft toegelicht en gemotiveerd. Dat betekent dat het standpunt van [eiser] voor juist wordt gehouden. [gedaagde] heeft daarnaast ook erkend dat hij moet terugbetalen.

4.3.

De vordering van [eiser] wordt daarom toegewezen. Daarbij merkt de kantonrechter op dat die vordering toewijsbaar is op één of meer van de door [eiser] (mede op de zitting) genoemde gronden, te weten een tekortkoming, een onrechtmatige daad of een verplichting tot terugbetaling na ontbinding van de overeenkomst.

4.4.

De stelling van [gedaagde] dat hij kosten heeft gemaakt kan niet worden gevolgd, omdat die stelling niet is onderbouwd en gemotiveerd. Het verweer van [gedaagde] dat hij geen ingebrekestelling heeft gehad, gaat niet op, omdat uit de stukken blijkt dat dit wel het geval is.

4.5.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij ongelijk krijgt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 15.339,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 21 juli 2021 tot aan de dag van de gehele betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op € 123,52 aan kosten voor de dagvaarding, € 507,00 aan griffierecht en € 373,00 aan salaris voor de gemachtigde;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.