Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Holland, 8 september 2021

ECLI:NL:RBNHO:2021:7839Zaaknummer 8490913 \ CV FORM 20-3776

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
8 september 2021
Publicatiedatum
28 september 2021
Zaaknummer
8490913 \ CV FORM 20-3776
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak (EPGV). Nu de passagiers in deze procedure de vervoerder zelf als procespartij hebben aangemerkt in plaats van de bewindvoerder, hebben zij de verkeerde partij betrokken in de procedure.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart de passagiers niet-ontvankelijk in het verzoek;

5.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. Kruithof, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 [passagier sub 1]
  2. 1 Het procesverloop
  3. 2 De feiten
  4. 3 Het verzoek en het verweer
  5. 4 De beoordeling
  6. 5 De beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8490913 \ CV FORM 20-3776

Uitspraakdatum: 8 september 2021

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1 [passagier sub 1]

2. [passagier sub 2],

beiden wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: de passagiers

gemachtigde: ARAG Legal Services B.V. (Flight Claim)

tegen

de rechtspersoon naar Italiaans recht

Alitalia-Spa,

verkerend in staat van Amministrazione Straordinaria

gevestigd te Fiumiciono (Italië)

verwerende partij

verder te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. H.G. Meulmeester

1 Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 29 april 2020;
  • formulier B, ingekomen ter griffie op 15 mei 2020;
  • formulier B, ingekomen ter griffie op 22 juni 2020;
  • het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 5 november 2020.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan laatstgenoemde de passagiers diende te vervoeren van Fontanarossa Airport, Sicilië (Italië) naar Amsterdam-Schiphol Airport op 13 december 2019, hierna: de vlucht.

2.2.

De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht in verband met vertraging.

2.3.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:

- € 953,64, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; - € 181,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 13 december 2019;- de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).

3.3.

De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging op de eindbestemming gehouden is compensatie te betalen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 800,00. Daarnaast is de vervoerder gehouden om op grond van artikel 9 van de Verordening de additionele kosten ter hoogte van € 153,65 te voldoen. De passagiers vorderen tevens betaling van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.

3.4.

De vervoerder voert aan dat vanaf 2 mei 2017 een insolventieprocedure van toepassing is op de vervoerder. De rechtbank Noord-Holland is dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van de vordering, nu de vordering, naar het geldend Italiaans faillissementsrecht niet is ingesteld tegen de bewindvoerder van de vervoerder voor het gerecht te Rome.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt vast dat zij op grond van artikel 7 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis) bevoegd is van onderhavig geschil kennis te nemen. In het Rehder-arrest van het Europese Hof van Justitie van 9 juli 2009 is immers bepaald dat artikel 5 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verordening) (thans artikel 7 Brussel I bis) zo moet worden uitgelegd dat in het geval van luchtvervoer van personen van een lidstaat naar een andere lidstaat op grond van een overeenkomst die is gesloten met één enkele luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, naar keuze van eiser de rechter bevoegd is in het rechtsgebied van de plaats van vertrek van het vliegtuig of de plaats van aankomst van het vliegtuig. Aangezien artikel 7 Brussel I bis geen verandering heeft beoogd ten opzichte van artikel 5 van de EEX-Verordening, dient dit artikel op gelijke wijze te worden uitgelegd. De kantonrechter is dan ook bevoegd om kennis te nemen van het geschil omdat de vlucht is aangekomen op Amsterdam-Schiphol Airport.

4.2.

De kantonrechter stelt voorts vast dat de oude Europese Insolventieverordening (Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures) van toepassing is op de insolventieprocedure waar de vervoerder in verkeert nu hij vanaf 2 mei 2017 in een staat van insolventie verkeert. Op grond van artikel 4 van die Verordening worden die insolventieprocedure en de gevolgen daarvan beheerst door het Italiaanse faillissementsrecht. De kantonrechter volgt het door de vervoerder in het geding gebrachte advies van professor dr. H.C. Peter Kindler dat op grond van het Italiaanse faillissementsrecht vorderingen tegen de vervoerder moeten worden gericht tegen de bewindvoerder die verantwoordelijk is voor de bij decreet van 2 mei 2017 geopende insolventieprocedure. Nu de passagiers in deze procedure de vervoerder zelf als procespartij hebben aangemerkt in plaats van de bewindvoerder, hebben zij de verkeerde partij betrokken in de procedure. De kantonrechter zal de passagiers dan ook niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering.

4.3.

De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart de passagiers niet-ontvankelijk in het verzoek;

5.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. Kruithof, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.