Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Noord-Holland, 30 juni 2020
ECLI:NL:RBNHO:2020:5674Zaaknummer AWB - 19 _ 5210
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 30 juni 2020
- Publicatiedatum
- 28 juli 2020
- Zaaknummer
- AWB - 19 _ 5210
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Intrekking PW-uitkering vanwege inkomsten boven de bijstandsnornm. De teveel betaalde bijstand wordt (netto) teruggevorderd ogv artikel 58, lid 2, sub a PW. Het terugvorderingsbedrag is correct vastgesteld.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De uitspraak is gedaan op 30 juni 2020.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 19/5210
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen, verweerder
(gemachtigde: M. Klarenbeek).
Procesverloop
Bij besluit van 27 augustus 2019 heeft verweerder eiser bericht dat het recht op bijstand met ingang van 6 mei 2019 wordt ingetrokken. De als gevolg van die intrekking teveel ontvangen bijstand ad € 1531,48 wordt van eiser teruggevorderd. Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
Bij besluit van 10 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder, onder intrekking van het besluit van 27 augustus 2019, eiser bericht dat het recht op bijstand met ingang van 13 mei 2019 (in plaats van 6 mei 2019) wordt ingetrokken. De als gevolg van die intrekking teveel ontvangen bijstand ad € 1299,00 wordt van eiser teruggevorderd. Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
Bij besluit van 8 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bepaald, nadat partijen daarvoor toestemming hadden gegeven, dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.
Eiser ontving vanaf 6 februari 2017 bijstand naar de norm van een alleenstaande. Sinds 13 mei 2019 ontving hij inkomsten uit arbeid. De uitkering is doorbetaald tot en met de maand juni 2019. Verweerder heeft bij het primaire besluit van 10 september 2019 de bijstand met ingang van 13 mei 2019 ingetrokken vanwege inkomsten boven de voor eiser geldende bijstandsnorm.
Verweerder heeft de over de periode van 13 mei 2019 tot en met 30 juni 2019 teveel
verleende bijstand van eiser teruggevorderd tot een netto bedrag van € 1299,-. De grondslag voor de terugvordering is artikel 58, tweede lid, sub a, van de Pw omdat de terugvordering niet is ontstaan als gevolg van een schending van de inlichtingenplicht.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Verweerder stelt een juiste berekening te hebben gemaakt.
3. Eiser betwist de hoogte van de terugvordering. Hij heeft aangevoerd dat hij minder geld heeft ontvangen dan het van hem teruggevorderde bedrag. De berekening is hem niet duidelijk.
4. De rechtbank heeft geen aanleiding te veronderstellen dat het terugvorderingsbedrag niet correct is vastgesteld. Eiser heeft geen concrete gegevens aangedragen op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat de berekeningswijze niet correct is toegepast en dat niet uitgegaan kan worden van het bedrag van (€ 628,56 + € 671,34 =) € 1299,-.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De uitspraak is gedaan op 30 juni 2020.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.