Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Holland, 6 mei 2020

ECLI:NL:RBNHO:2020:3341Zaaknummer 8127402 CV EXPL 19-16597

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
6 mei 2020
Publicatiedatum
11 mei 2020
Zaaknummer
8127402 CV EXPL 19-16597
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Verstek
Zittingsplaats
Haarlem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verstek. Ambtshalve toetsing. Kredietovereenkomst. Geen ingebrekestelling. Afwijzing.

4 De beslissing:

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt ING tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [gedaagde] tot en met vandaag vaststelt op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De vaststaande feiten
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing:

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8127402 CV EXPL 19-16597

Uitspraakdatum: 6 mei 2020

Verstekvonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ING Bank N.V.,

te Amsterdam,

hierna: ING,

gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor H.J. Jansen B.V.,

tegen

[gedaagde],

te [woonplaats],

hierna: [gedaagde],

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

ING heeft [gedaagde] gedagvaard. Tegen [gedaagde] is verstek verleend. Bij tussenvonnis van 15 januari 2020 heeft de kantonrechter ING in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten, hetgeen zij bij akte van 12 februari 2020 heeft gedaan.

2 De vaststaande feiten

2.1.

ING en [gedaagde] hebben op 26 november 2004 een ‘Contract Studentenkrediet’ gesloten, met een kredietlimiet van € 4.500,-. Er is geen einddatum overeengekomen.

2.2.

In artikel 8 van de “Voorwaarden Studentenkrediet” (hierna verder: de algemene voorwaarden) staat:

“Het aan de bank verschuldigde is, zonder ingebrekestelling, terstond in zijn geheel opeisbaar indien:

a. de kredietnemer die gedurende tenminste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen; (...)”.

3 De beoordeling

3.1.

Bij het tussenvonnis van 15 januari 2020 heeft de kantonrechter ING in de gelegenheid gesteld om de overeenkomst, de algemene voorwaarden, de ingebrekestelling en de opeisingsbrief te overleggen. Daarnaast is ING in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of zij heeft voldaan aan de wettelijke informatieverplichtingen, alsmede haar zorgplicht.

3.2.

Bij akte heeft ING gesteld dat zij heeft voldaan aan de informatie- en zorgplichten. Verder heeft zij gesteld dat zij het krediet juist en terecht ineens heeft opgeëist. ING heeft overgelegd: het contract studentenkrediet met de algemene voorwaarden, de na de opeising verstuurde aanmaningen en sommaties, een “activiteiten overzicht” en specificaties van de vordering. Volgens ING zijn de ingebrekestelling en de opeisingsbrief niet meer te produceren.

3.3.

De Wet op het consumentenkrediet (oud) (hierna Wck (oud)) is van toepassing op de onderhavige vordering. Op grond van het bepaalde in artikel 33 aanhef en onder c sub 1 Wck (oud) kan het uitstaande saldo bij een kredietovereenkomst als hier aan de orde enkel rechtsgeldig worden opgeëist indien de kredietnemer, die gedurende ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen.

3.4.

De kantonrechter is van oordeel dat partijen in artikel 8a van de algemene voorwaarden een opeisingsbeding zijn overeengekomen dat voldoet aan de wet. Opmerking verdient dat de aanhef van artikel 8, afgezet tegen het bepaalde in artikel 8a, niet in duidelijkheid uitblinkt, waar wordt bepaald dat het verschuldigde “zonder ingebrekestelling” terstond in zijn geheel opeisbaar is.

3.5.

De vraag die de kantonrechter ambtshalve moet beantwoorden, is of voorafgaand aan de algehele opeising van het krediet door ING een rechtsgeldige ingebrekestelling is uitgebracht. De voor een rechtsgeldige opeising vereiste ingebrekestelling behelst een schriftelijke aanmaning waarbij de schuldenaar een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld met een expliciete vermelding dat alleen met betaling van een duidelijk aangegeven bedrag binnen die termijn verzuim en algehele opeising kan worden voorkomen. Die schriftelijke aanmaning moet betrekking hebben op een betalingsachterstand van ten minste twee maanden van een vervallen termijnbedrag.

3.6.

ING heeft geen ingebrekestelling overgelegd. De verwijzing in het overgelegde “activiteiten overzicht” naar een “opeisbaarstellingsbrief” van 21 maart 2011 volstaat niet, nog los van het feit dat dit document (kennelijk) strekte tot opeising, niet tot ingebrekestelling.

3.7.

De conclusie is dat aan de voorwaarden voor vervroegde opeisbaarheid niet is voldaan. Dit betekent dat het contract studentenkrediet onder dezelfde voorwaarden nog steeds doorloopt. De vordering moet worden afgewezen.

3.8.

ING wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Nu [gedaagde] niet in het geding is verschenen, worden de kosten aan haar zijde begroot op nihil.

4 De beslissing:

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt ING tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [gedaagde] tot en met vandaag vaststelt op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.