Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Midden-Nederland, 2 september 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7485Zaaknummer C/16/573676

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
2 september 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
C/16/573676
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Erfrecht. Vaststelling verdeling Nalatenschap.

De rechtbank:

3.1.

stelt het aandeel van [eiseres] en [gedaagde] in de nalatenschap vast op € 457.160,83,

3.2.

stelt de verdeling van de nalatenschap vast als volgt:

- op het aandeel van [gedaagde] wordt in mindering gebracht het al ontvangen bedrag van

€ 380.000 en worden toegerekend de vorderingen op haar van in totaal € 34.574, zodat zij uit de nalatenschap (de aanwezige banksaldi) nog € 42.586,83 zal moeten ontvangen,

- op het aandeel van [eiseres] wordt in mindering gebracht het al ontvangen bedrag van € 380.000 en worden toegerekend de vorderingen op haar van in totaal

€ 56.543, zodat zij uit de nalatenschap (de aanwezige banksaldi) nog € 20.617,83 zal moeten ontvangen,

- deelt de inboedelgoederen die [eiseres] heeft meegenomen toe aan [eiseres] en veroordeelt haar om wegens overbedeling een bedrag van € 250 aan [gedaagde] te voldoen,

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De verdere beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK Midden-Nederland

Afdeling Toezicht, Bureau Erfrecht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/573676 / BE ZA 24-26

Vonnis van 2 september 2026

in de zaak van

[eiseres],

woonplaats kiezende te [plaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres],

advocaat: mr. F.A. van den Heuvel,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. G.A. Verstijnen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 januari 2026;- de akte van [eiseres] van 27 februari 2026;- de antwoordakte van [gedaagde] van 17 april 2026;

- de akte uitlaten producties van [eiseres] van 4 juni 2026.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank heeft [eiseres] in het tussenvonnis opgedragen haar stelling dat erflater de verschuldigde rente over de lening van € 10.000,-- heeft kwijtgescholden nader te onderbouwen. Daarnaast is [eiseres] opgedragen een overzicht te verstrekken van de goederen en schulden van de nalatenschap en uiteen te zetten hoe deze volgens haar dient te worden verdeeld.

2.2.

[gedaagde] heeft op haar beurt de opdracht gekregen facturen en andere bescheiden over te leggen waaruit blijkt welke kosten zij ten behoeve van de nalatenschap heeft voldaan.

De rechtbank komt niet terug van bindende eindbeslissingen

2.3.

[gedaagde] heeft in haar akte van 17 april 2026 aangevoerd dat de bindende eindbeslissingen uit het tussenvonnis te vroeg zijn genomen en dat de rechtbank ten onrechte aan haar bewijsaanbod is voorbijgegaan. Zij verzoekt de rechtbank haar alsnog toe te laten tot het leveren van bewijs en om dus terug te komen van deze eindbeslissingen.

2.4.

Het uitgangspunt is dat van een eindbeslissing in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen en dat deze slechts kan worden bestreden door gebruik te maken van een bij de wet aangegeven rechtsmiddel. In beginsel is de rechtbank dus aan deze eindbeslissingen gehouden. Volgens vaste rechtspraak brengen de eisen van een goede procesorde echter mee dat als de rechtbank van oordeel is dat een eindbeslissing achteraf berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag de rechtbank van die eindbeslissing mag terugkomen.

2.5.

De rechtbank ziet echter geen reden om dit te doen. In het tussenvonnis is overwogen dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat [eiseres] met een afwijkende verdeling van de verkoopopbrengst heeft ingestemd. Over de waarde van de inboedel is overwogen dat [eiseres] de door [gedaagde] gestelde waarde gemotiveerd heeft betwist en [gedaagde] haar stelling in dat licht onvoldoende heeft onderbouwd. Om die reden wordt er aan bewijslevering niet toegekomen. Er is geen sprake van een onjuiste juridische of feitelijke grondslag.

Omvang nalatenschap deels vastgesteld in tussenvonnis

2.6.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis beslist dat de nalatenschap in ieder geval bestaat uit:

  • De verkoopopbrengst van de boerderij van € 760.000, die [eiseres] en [gedaagde] in gelijke mate toekomt.
  • De inboedel met een waarde van € 500.
  • De vordering vanwege een lening op [eiseres] van € 1.000.
  • De vordering vanwege een lening op [eiseres] van € 45.378 en daarover verschuldigde rente van € 165.
2.7.

De hiervoor genoemde schulden van [eiseres] aan de nalatenschap zullen op haar aandeel worden toegerekend. De rechtbank komt hier in 2.22. op terug.

2.8.

Vast staat dat de inboedel niet meer aanwezig is omdat deze is afgevoerd, nadat [eiseres] daaruit spullen heeft meegenomen. De rechtbank zal de spullen die [eiseres] uit de inboedel heeft meegenomen aan haar toedelen en haar veroordelen om wegens overbedeling een bedrag van € 250 aan [gedaagde] te voldoen.

Overige bestanddelen nalatenschap

Banksaldi

2.9.

[eiseres] heeft opgave gedaan van de banksaldi van erflater. Op de betaalrekening stond op 6 januari 2026 een bedrag van € 31.552,12. Op de spaarrekening stond op 23 januari 2026 een bedrag van € 34.805,15. [gedaagde] heeft dit erkend, zodat de rechtbank van deze saldi zal uitgaan. Partijen zijn beiden voor de helft gerechtigd tot dit saldo.

Lening [gedaagde] en de rente

2.10.

Tussen partijen staat vast dat de vordering op [gedaagde] € 33.663 bedraagt en dat daarnaast een rente verschuldigd is van € 911. Deze schuld van [gedaagde] aan de nalatenschap zal op haar aandeel in de nalatenschap worden toegerekend. Hierop wordt in 2.22. teruggekomen.

Lening van € 10.000 en de rente

2.11.

[eiseres] stelt dat zij met erflater mondeling was overeengekomen dat over de lening van € 10.000 geen rente verschuldigd was. [eiseres] kan daarom geen stukken ter onderbouwing van deze afspraak overleggen. Volgens haar heeft erflater nooit aanspraak gemaakt op de rentebetalingen. Dit volgt volgens haar ook uit de aangifte inkomstenbelasting van erflater. Subsidiair stelt zij dat de rentevordering is verjaard. [gedaagde] heeft pas aanspraak gemaakt op de rente tijdens de zitting van 16 december 2025. De verjaringstermijn van 5 jaar is daarmee ruim verstreken. Erflater heeft zelf ook nooit aanspraak gemaakt op de betaling van deze rente. [gedaagde] betwist dat [eiseres] de genoemde overeenkomst met erflater heeft gesloten, maar gaat verder niet in op het verjaringsverweer.

2.12.

De rechtbank is het met [eiseres] eens dat voor zover al rente verschuldigd was, de vordering tot betaling daarvan is verjaard. Omdat [gedaagde] de stellingen over de verjaring niet heeft betwist, gaat de rechtbank ervan uit dat erflater gedurende zijn leven geen aanspraak op betaling van de rente heeft gemaakt en dat [gedaagde] dit voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling van 16 december 2025 heeft gedaan. De wettelijke verjaringstermijn van vijf jaar is daarmee verstreken. De vordering tot vergoeding van de rente over deze lening maakt daarom geen deel uit van de nalatenschap. De vordering op [eiseres] ter hoogte van

€ 10.000 behoort wel tot de nalatenschap. Dit bedrag zal op haar aandeel in de nalatenschap worden toegerekend (zie wederom 2.22.).

Teruggestorte gelden

2.13.

Volgens [eiseres] zijn de vorderingen inkomstenbelasting, AOW, autoverzekering, Zilveren Kruis en BGHU al op de betaalrekening van erflater gestort. Deze bedragen zijn daarmee reeds begrepen in de banksaldi.

Contant geld

2.14.

Partijen zijn het er uiteindelijk over eens dat de nalatenschap ook € 700 aan contant geld bevat. De rechtbank zal daarvan uitgaan. Partijen zijn hiertoe beiden voor de helft gerechtigd.

Kosten uitgraven sloot

2.15.

[eiseres] heeft een factuur overgelegd waaruit blijkt dat zij € 99,07 heeft betaald voor het uitgraven van een sloot. [gedaagde] betwist deze kosten niet, zodat dit bedrag uit de nalatenschap aan [eiseres] moet worden vergoed.

De door [gedaagde] voorgeschoten kosten

2.16.

[gedaagde] heeft uit eigen middelen kosten van de nalatenschap voldaan. Deze kosten zullen uit de nalatenschap aan haar moeten worden vergoed. Hieronder zal worden vermeld om welke kosten het gaat.

2.17.

Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat [gedaagde] een bedrag van € 1.514,99 aan premies voor Klaverblad Verzekeringen heeft voldaan. [eiseres] betwist niet dat deze premies voor de verzekering ten laste van de nalatenschap moeten komen.

2.18.

Hetzelfde geldt voor de door [gedaagde] betaalde kosten van Vitens van in totaal € 178,59. [eiseres] heeft verklaard dat zij deze kosten niet heeft betaald. Zij stelt niet dat deze kosten niet verschuldigd waren en ook niet dat er nog een schuld is aan Vitens. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] de kosten heeft betaald.

2.19.

Uit de overgelegde bankafschriften blijkt eveneens dat [gedaagde] de gemeentelijke belastingen van € 1.627,97 heeft betaald. De door [gedaagde] voorgeschoten kosten voor het energielabel van € 250 heeft [eiseres] niet betwist. [gedaagde] heeft een factuur overgelegd waaruit deze kosten blijken.

2.20.

De gestelde betalingen aan Eneco van € 1.105,41 en de bankkosten van € 520 zijn daarentegen niet met facturen of bankafschriften onderbouwd. De rechtbank zal deze posten daarom buiten beschouwing laten.

Waar leidt dit toe?

2.21.

De conclusie is dat aan [eiseres] en [gedaagde] ieder de helft van de netto verkoopopbrengst van de woning (€ 380.000) toekomt. In het tussenvonnis is vermeld dat de notaris dit bedrag al aan hen heeft voldaan. Zij hebben beiden ook recht op de helft van het contante geld (ieder dus € 350). Daarnaast hebben zij allebei recht op de helft van de banksaldi van in totaal € 66.357, 27, nadat hiervan een IB schuld van € 182 is betaald en een bedrag van € 3.571,55 aan door [gedaagde] voorgeschoten kosten aan [gedaagde] is voldaan en een bedrag van € 99,07,- aan door [eiseres] voorgeschoten kosten aan [eiseres]. Nadat dit zal zijn gebeurd, zal het saldo van de bankrekeningen € 62.504,65 bedragen. Partijen zijn beiden gerechtigd tot de helft hiervan, dus tot een bedrag van € 31.252,33. Daarnaast zijn zij beiden voor de helft gerechtigd tot de vorderingen van de nalatenschap op hen. Deze helft bedraagt € 45.558,50. Die vorderingen bedragen in totaal namelijk € 91.117 (€ 1.000

+ € 45.378 + € 165 + € 33.663 + € 911 + € 10.000).

2.22.

Op de aandelen van [eiseres] en [gedaagde] in de nalatenschap van ( € 380.000 + € 350

+ € 31.252,33 + 45.558,50) € 457.160,83, moeten hun schulden aan de nalatenschap worden toegerekend. Dat betekent dat op het aandeel van [gedaagde] een bedrag van € 34.574 in mindering komt (zie 2.10) en op dat van [eiseres] een bedrag van € 56.543 (zie 2.6. en 2.12). [gedaagde] heeft dus uiteindelijk recht op een bedrag van € 422.586,83 en [eiseres] op een bedrag van € 400.617,83. Zij hebben beiden al een bedrag van 380.000 ontvangen. Dit betekent dat [gedaagde] nog recht heeft op € 42.586,83 en [eiseres] op € 20.617,83. Omdat na betaling van de voorgeschoten kosten het saldo van de bankrekeningen € 62.504,65 zal bedragen (zie 2.21), zullen deze bedragen net niet geheel uit het saldo kunnen worden voldaan. Mogelijk zijn er van het saldo ook nog bankkosten of andere kosten voldaan die niet bij de rechtbank bekend zijn. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen aan de hand van het voorgaande zelf kunnen bepalen welke bedragen ieder van hen uit het vandaag bestaande saldo toekomt.

2.23.

Doordat [eiseres] en [gedaagde] deze bedragen zullen ontvangen, is hun vordering vanwege de ouderlijke boedelverdeling ook voldaan (die immers een schuld vormde in de nalatenschap van vader).

Proceskosten

2.24.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

stelt het aandeel van [eiseres] en [gedaagde] in de nalatenschap vast op € 457.160,83,

3.2.

stelt de verdeling van de nalatenschap vast als volgt:

- op het aandeel van [gedaagde] wordt in mindering gebracht het al ontvangen bedrag van

€ 380.000 en worden toegerekend de vorderingen op haar van in totaal € 34.574, zodat zij uit de nalatenschap (de aanwezige banksaldi) nog € 42.586,83 zal moeten ontvangen,

- op het aandeel van [eiseres] wordt in mindering gebracht het al ontvangen bedrag van € 380.000 en worden toegerekend de vorderingen op haar van in totaal

€ 56.543, zodat zij uit de nalatenschap (de aanwezige banksaldi) nog € 20.617,83 zal moeten ontvangen,

- deelt de inboedelgoederen die [eiseres] heeft meegenomen toe aan [eiseres] en veroordeelt haar om wegens overbedeling een bedrag van € 250 aan [gedaagde] te voldoen,

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.