Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Midden-Nederland, 14 oktober 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7462Zaaknummer 12056870 \ MC EXPL 26-241

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
12056870 \ MC EXPL 26-241
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Almere
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Huurzaak. Teruggave borgsom gevorderd. Afgewezen, want verhuurder kan schade door schimmelvorming door derde laten herstellen. Gebrek niet gemeld tijdens de huur. Borgsom wordt verrekend en huurder moet het meerdere bijbetalen aan verhuurder.

4 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

4.1

wijst de vorderingen van [eiser] af,

4.2

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in reconventie

4.3

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 775,03, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 oktober 2026, tot de dag van volledige betaling,

4.4

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 144,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in conventie en in reconventie

4.5

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor de onderdelen 4.2, 4.3 en 4.4.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door

mr. A. de Boer op 14 oktober 2026.

RW1368

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De kern van de zaak
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 12056870 \ MC EXPL 26-241

Vonnis van 14 oktober 2026

in de zaak van

[eiser],

in [woonplaats 1],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen,

tegen

[gedaagde],

in [woonplaats 2],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. J.M. Koppert.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie,- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,- de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2

Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2 De kern van de zaak

2.1

[eiser] huurde van 1 september 2023 tot 1 september 2025 de onzelfstandige woonruimte van [gedaagde]. [eiser] wil de door hem betaalde borgsom van € 850,00 terug en vordert dat in conventie, met nevenvorderingen. [gedaagde] is het daarmee niet eens. In de woning is schimmelvorming ontstaan en [gedaagde] vindt dat hij dat door een gespecialiseerd bedrijf heeft kunnen laten schoonmaken. [gedaagde] wil dat [eiser] de kosten daarvoor betaald, € 1.625,03. Onder aftrek van de borgsom eist [gedaagde] betaling van het restant in reconventie, (€ 1.625,03 -/- € 850,00 =) € 775,03, met rente. De kantonrechter wijst de vordering in conventie af en in reconventie toe.

3 De beoordeling

De schimmelvorming was bij het begin afwezig of in ieder geval niet zo ernstig

3.1

Partijen verschillen van mening of er bij aanvang van de huur al schimmelvorming aanwezig was: volgens [eiser] wel, volgens [gedaagde] niet. Voor de beoordeling in deze zaak is dat belangrijk. Het gaat om de vraag of de schimmelvorming in die mate zoals die aan het einde van de huurovereenkomst is geconstateerd aanwezig was bij het begin. De kantonrechter concludeert dat dit niet zo is, op grond van het volgende.

3.2

Dat de schimmelvorming aan het einde van de huur ernstige vormen had aangenomen blijkt voldoende uit de door [gedaagde] overgelegde foto’s[_53746a18-8f02-4265-85b6-6fa82e81733e], die [eiser] niet weerspreekt. Er is bij het begin van de huur geen opnamestaat gemaakt. In de wet[_12c19e28-4e12-4c8b-a25c-d46ee57c12c0] staat dat in dat geval wordt vermoed dat de huurder de woning in dezelfde staat heeft ontvangen als deze bij het einde was. Maar dat vermoeden is niet in beton gebeiteld en is in deze zaak voldoende weerlegd. Een dergelijk ernstige schimmelvorming zou naar het oordeel van de kantonrechter beslist besproken moeten zijn in de correspondentie tussen partijen. Maar in de overgelegde correspondentie is niets wat daarop wijst. Integendeel zelfs. [gedaagde] schrijft op 30 september 2025 aan [eiser] over de schimmelvorming: “(…) tijdens de huurperiode en ook bij de beëindiging daarvan is er geen melding gemaakt van ‘een slechte staat’ of ‘roest’. Jullie zijn op 1 september 2023 in de ruimte ingetrokken, direct nadat wij deze hadden verlaten. Op dat moment was er geen sprake van dergelijke gebreken”[_48fc50da-c18c-45bd-be8e-89de3a9ff2f8] en na de inspectie aan het einde van de huur “Tot onze grote schrik troffen we een flinke schimmelgroei aan op het plafond en de muren van de badkamer en slaapkamer”. De kantonrechter leidt hieruit af dat áls er al sprake was van schimmelvorming bij aanvang van de huur, deze niet de omvang had van de geconstateerde ernstige schimmelvorming bij het einde van de huur.

De toename van de schimmelvorming komt voor rekening van [eiser]

3.3

Het voorgaande betekent dat de schimmelvorming in de loop van de huurperiode in ieder geval erger is geworden. [eiser] had dat moeten melden aan [gedaagde], maar heeft dat niet gedaan. Dat blijkt onder meer uit e-mails van de de toenmalige partner van [eiser] waarmee [eiser] samen woonde. Zij schrijft: “Wij hebben meerdere pogingen gedaan om het vocht te verwijderen, zonder succes” en “Wij hebben zelfs te goeder trouw geprobeerd het schimmelprobleem aan te pakken, ook al was dit niet onze verplichting. Het is waar dat wij dit hadden kunnen melden, maar eerlijk gezegd hebben wij ons best gedaan om het probleem zelf op te lossen zonder u daarmee lastig te vallen.”[_b4835db4-714d-45d9-9dc1-fe7b59106cd5]Volgens [eiser] komen die uitlatingen van zijn toenmalige partner niet voor zijn rekening omdat zij niet de huurder is, maar dat is onjuist. De toenmalige partner van [eiser] woonde ook in de woning en er is geen reden om aan te nemen dat wat zij zegt niet zou kloppen. Dat stelt [eiser] ook niet.

3.4

De schimmelvorming is ontstaan doordat onvoldoende vocht werd afgevoerd uit (de kantonrechter begrijpt:) de badkamer. Over de vraag hoe het komt dat het vocht onvoldoende werd afgevoerd zijn partijen het niet eens. Volgens [gedaagde] zou dat komen omdat [eiser] de mechanische ventilatie in de woning niet of niet voldoende zou gebruiken en de douchedeur niet afgesloten zou hebben. [eiser] voert aan dat hij wel degelijk de ventilatie heeft gebruikt maar dat de installatie ontoereikend is om het vocht voldoende af te voeren. Dat zou in de redenering van [eiser] dus een gebrek van de woning zijn[_5474aa00-c083-4d22-8d95-3ded03a17d94]. [eiser] acht het niet gesloten houden van de douchedeur (die kapot was) geen oorzaak van het vochtprobleem.

3.5

Voor de toerekenbaarheid van [eiser] maakt dat niet uit. In allebei de gevallen komt de toename van het schimmelprobleem namelijk voor zijn rekening. Als het ventilatiesysteem niet goed werkte en daardoor het probleem is verergerd, dan had [eiser] dat gebrek moeten melden aan [gedaagde][_62b9633c-e04b-463f-b84e-d80220b42f0d]. Dat heeft hij niet gedaan, waarmee hij voor de daaruit ontstane schade[_40142815-2552-4c67-a1a7-eda3b82a08db] aansprakelijk is. Als het ventilatiesysteem wél voldoet maar [eiser] dat onvoldoende heeft gebruikt, dan is het verergeren van het probleem rechtstreeks aan hem toe te rekenen[_c05a2e80-a5fd-4918-b7b4-683fd50b4573]. [eiser] voert nog wel aan dat de werking van het systeem hem niet zou zijn uitgelegd en hij het daarom niet gebruikt zou hebben, maar daaraan gaat de kantonrechter voorbij. Het ventilatiesysteem wordt ingeschakeld door de stekker in het stopcontact te steken. Dat ligt zo voor de hand dat daarvoor geen specifieke instructie nodig is. In allebei de gevallen komt de toename van de schimmelvorming tijdens de huurperiode voor rekening van [eiser].

[gedaagde] kon het probleem door derden laten herstellen

3.6

Volgens [eiser] had [gedaagde] hem in de gelegenheid moeten stellen om de schimmel bij het einde van de huur zelf te verwijderen, in plaats van direct een extern bedrijf daarvoor in te schakelen. [eiser] stelt dat de kosten voor het opruimen dan beperkt hadden kunnen blijven tot € 150,00.

3.7

Dat slaagt niet. Niet ter discussie staat dat partijen vlak voor het einde van de huur een afspraak hebben gemaakt voor een gezamenlijke eindinspectie. Daarvan heeft [eiser] zelf afgezien. De toenmalige partner van [eiser] schrijft de dag voor de afspraak: “Morgen moeten [eiser (voornaam)] [= [eiser], kantonrechter] en ik werken, maar het huis is open en de sleutels liggen op de tafel in de woonkamer.” [eiser] heeft zichzelf daarmee de kans op overleg over de oplossing van de schimmelvorming ontnomen. Na afloop van de huur hoeft [gedaagde] [eiser] niet meer in de gelegenheid te stellen om alsnog eventuele tekortkomingen in de oplevering zelf te herstellen. [gedaagde] kon dus de schimmelvorming door een extern bedrijf laten herstellen. Uit het voorgaande volgt dat [eiser] de kosten daarvoor moet dragen.

De slotsom in conventie en in reconventie

3.8

De hoogte van de kosten van verwijdering van de schimmelvorming (€ 1.625,03) betwist [eiser] niet en komt de kantonrechter niet als onredelijk voor. [eiser] moet die kosten betalen. [gedaagde] kan de borgsom daarmee verrekenen, waarna [eiser] zoals hiervoor vermeld nog € 775,03 moet betalen. Dit betekent dat de vordering in conventie wordt afgewezen, want de teruggevorderde borgsom is namelijk verrekend met de kosten van verwijdering van de schimmelvorming. In reconventie wordt de vordering voor de hoofdsom toegewezen. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum van dit vonnis tot de betaling.

De proceskosten

3.9

[eiser] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [eiser] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 360,00 (salaris 2 punten x € 144,00 en nakosten € 72,00).

3.10

[eiser] is ook in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 144,00 (salaris 2 punten x € 144,00 x factor 0,5 wegens samenhang met de zaak in conventie).

4 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

4.1

wijst de vorderingen van [eiser] af,

4.2

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in reconventie

4.3

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 775,03, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 oktober 2026, tot de dag van volledige betaling,

4.4

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 144,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in conventie en in reconventie

4.5

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor de onderdelen 4.2, 4.3 en 4.4.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door

mr. A. de Boer op 14 oktober 2026.

RW1368

Voetnoten

  1. Productie 2 van [gedaagde]
  2. Artikel 7:224 lid 2 BW
  3. Productie 6 van [gedaagde]
  4. E-mails van de partner van [eiser], productie 1 van [gedaagde]
  5. Gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW
  6. Artikel 7:222 BW
  7. Eveneens artikel 7:222 BW
  8. Artikel 6:74 BW

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.