Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Midden-Nederland, 14 oktober 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7459Zaaknummer C/16/578697 / HA ZA 24-375

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
C/16/578697 / HA ZA 24-375
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

vereffening vof

De rechtbank

4.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 40.150,25, waarvan € 15.545,00 rechtstreeks moet worden voldaan aan de Belastingdienst ter zake de openstaande verkeersboetes, motorrijtuig- en omzetbelasting (zie r.o. 3.6),

4.2

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het negatieve kapitaal van € 35.395,50 vanaf 7 augustus 2023 tot de dag van algehele betaling,

4.3

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.128,96 aan buitengerechtelijke kosten,

4.4

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4.5

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.6

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door A.L. Poort-Gleusteen en in het openbaar uitgesproken door mr. M.S.T. Belt op 14 oktober 2026.

EB5791

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De kern van de zaak
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/578697 / HA ZA 24-375

Vonnis van 14 oktober 2026

in de zaak van

[eiser],

te [plaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. P. Geervliet,

tegen

[gedaagde],

te [plaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. R.P.C. Smit.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 juli 2026,- de akte van [eiser] ,- de antwoordakte van [gedaagde].

1.2

Ten slotte is bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2 De kern van de zaak

2.1

Partijen zijn broers van elkaar. Tot 1 juni 2017 dreven zij samen een detailhandelszaak in motoren in de vorm van een vennootschap onder firma ( [bedrijf 1], hierna: de vof). De vof is inmiddels opgeheven, maar moet nog worden vereffend. [eiser] is in het tussenvonnis van 29 juli 2026 toegelaten te bewijzen dat de onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) door hem is betaald. De rechtbank is van oordeel dat hij hierin is geslaagd. [gedaagde] moet in totaal nog een bedrag van € 40.150,25 aan [eiser] betalen. Omdat partijen hebben verzocht om een verstaansverplichting, zal [eiser] een deel van dit bedrag (€ 15.545,00) direct aan de Belastingdienst moeten betalen. Dit wordt hierna uitgelegd.

3 De beoordeling

[gedaagde] moet een bedrag van € 1.328,40 aan [eiser] betalen t.a.v. de OZB

3.1

[eiser] vordert – onder andere – een bedrag van € 1.670,90 aan betaalde OZB aan de gemeente Amersfoort. Hij stelt dat hij in totaal een bedrag van € 3.341,81 aan OZB heeft betaald en dat [gedaagde] de helft van dit bedrag moet betalen.

3.2

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen vaststaat dat de OZB over 2023 door de vof betaald had moeten worden. Dat is op grond van productie 29, de beschikking van 25 februari 2023, een bedrag van € 2.656,80. Inclusief invorderingskosten was dit op 20 maart 2024 € 2.698,12 (productie 26), en op 24 maart 2025 € 2.930,72 (productie 28). Uit de e-mail van [A] van 17 augustus 2026 (productie 28, pagina 2) blijkt dat de vordering van de gemeente is voldaan.

3.3

[eiser] heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat de OZB (met invorderingskosten) namens hem is betaald. Uit de stukken blijkt dat dit is gegaan via de bankrekening van zijn echtgenote aan [bedrijf 2] BV, en vervolgens via [bedrijf 2] BV aan [A] BV (die namens de gemeente verantwoordelijk was voor de invordering). Dat het voor [gedaagde] nog steeds niet duidelijk is of de aanslag van de gemeente Amersfoort ter zake van de OZB is voldaan (randnummer 3 van de antwoordakte) kan de rechtbank dus niet volgen.

3.4

Met [gedaagde] is de rechtbank wel van oordeel dat de invordering- en beslagkosten niet voor de helft voor rekening van [gedaagde] kunnen komen. [eiser] heeft er zelf voor gezorgd dat de betalingstermijn van deze aanslag ruim is overschreden, onder andere door bezwaar te maken vanwege de tenaamstelling. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] met de aanslag bekend was, dat hem is gevraagd om deze (deels) te voldoen, of dat hij hier anderszins enige invloed op heeft gehad. Dit betekent dat de invorderings- en beslagkosten voor rekening van [eiser] komen, zodat [gedaagde] een bedrag van (€ 2.656,80/2 =) € 1.328,40 aan OZB moet betalen.

De rechtbank neemt een verstaansverplichting op

3.5

Het voorgaande betekent dat [gedaagde] in totaal een bedrag van (€ 35.395,50 (negatief kapitaal) – € 4.592,15 (verrekening vordering) + € 8.018,50 (omzetbelasting) + € 1.328,40 (OZB) =) € 40.150,25 moet betalen aan [eiser].

3.6

[eiser] moet op zijn beurt nog (€ 531,50 (verkeersboetes) + € 6.995,00 (motorrijtuigenbelasting) + € 8.018,50 (omzetbelasting) =) € 15.545,00 betalen aan de Belastingdienst.

3.7

Partijen hebben de rechtbank verzocht om wat betreft de achterstallige

motorrijtuigenbelasting, omzetbelasting en de openstaande verkeersboetes een verstaansverplichting op te nemen. De rechtbank zal met betrekking tot deze overeenstemming een verstaansverplichting opnemen inhoudende dat een deel van de bedragen waartoe [gedaagde] wordt veroordeeld aan [eiser] te betalen door [gedaagde] aan de Belastingdienst moeten worden voldaan. Dit betekent dat [gedaagde] een bedrag van € 15.545,00 aan de Belastingdienst moet voldoen. Het resterende bedrag van (€ 40.150,25 - € 15.545,00 =) € 24.605,25 moet [gedaagde] aan [eiser] betalen.

[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente betalen

3.8

[eiser] vordert wettelijke rente vanaf 7 augustus 2023 over het negatieve kapitaal van € 35.395,50. De rechtbank zal dit toewijzen. Zij gaat hiermee voorbij aan de stelling van [gedaagde] dat de rente pas verschuldigd is vanaf 24 maart 2025, omdat de negatieve kapitaalstand van [gedaagde] toen is vastgesteld. Dat de negatieve kapitaalstand toen pas is vastgesteld, maakt namelijk niet dat deze niet eerder verschuldigd was.

3.9

[eiser] vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Daarom zal een bedrag van € 1.128,96 worden toegewezen.

Werkelijke proceskosten worden afgewezen

3.10

[eiser] vordert daarnaast een veroordeling van [gedaagde] in de werkelijke proceskosten. Een veroordeling tot vergoeding van werkelijke proceskosten komt slechts voor in bijzondere omstandigheden, zoals bij misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

De proceskosten worden gecompenseerd

3.11

Gelet op de relatie tussen partijen en het feit dat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 40.150,25, waarvan € 15.545,00 rechtstreeks moet worden voldaan aan de Belastingdienst ter zake de openstaande verkeersboetes, motorrijtuig- en omzetbelasting (zie r.o. 3.6),

4.2

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het negatieve kapitaal van € 35.395,50 vanaf 7 augustus 2023 tot de dag van algehele betaling,

4.3

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.128,96 aan buitengerechtelijke kosten,

4.4

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4.5

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.6

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door A.L. Poort-Gleusteen en in het openbaar uitgesproken door mr. M.S.T. Belt op 14 oktober 2026.

EB5791

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.