Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Midden-Nederland, 14 oktober 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7457Zaaknummer C/16/604154 / HA ZA 25-619

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
C/16/604154 / HA ZA 25-619
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling. Geen bijzondere omstandigheden voor daadwerkelijke proceskostenveroordeling.

De rechtbank

4.1

veroordeelt BGM in de proceskosten van € 14.697,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als BGM niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.2

veroordeelt BGM tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

4.3

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

LLO 5791

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De kern van de zaak
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/604154 / HA ZA 25-619

Vonnis van 14 oktober 2026

in de zaak van

BGM ADVISEURS B.V.,

te Utrecht,

eisende partij,

hierna te noemen: BGM,

advocaat: mr. T. Meevis,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

te [plaats 1] ,2. [gedaagde sub 2] B.V.,

te [plaats 2] ,3. [gedaagde sub 3] B.V.,

te [plaats 3],

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s.,

advocaat: mr. L.E. Post.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 t/m 11,

- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 15,

- de akte met producties 12 t/m 14 van BGM,

- het doorhalingsverzoek van BGM van 22 juni 2026,

- de onttrekking van de advocaat van BGM van 24 juni 2026,

- de beslissing van de rechtbank van 24 juni 2026 dat de mondelinge behandeling door gaat,

- het wrakingsverzoek van BGM,

- het verzoek om vonnis van [gedaagde sub 1] c.s. van 26 augustus 2026,

- de advocaatstelling van BGM van 2 september 2026,

- de akte vermindering van eis van BGM van 2 september 2026,

- de antwoordakte van [gedaagde sub 1] c.s. van 16 september 2026 met producties 15 en 16,

- de akte eiswijziging van BGM van 16 september 2026 met producties 15 t/m 17,

- de akte antwoordakte van [gedaagde sub 1] c.s. van 30 september 2026.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De kern van de zaak

2.1

Omdat BGM haar vorderingen verlaagd heeft tot nihil, gaat het in deze zaak alleen nog om de vraag hoe het zit met de proceskostenveroordeling. Geoordeeld wordt dat BGM de proceskosten volgens het liquidatietarief moet betalen. Ook wordt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3 De beoordeling

BGM wordt veroordeeld in de proceskosten

3.1

Gelet op het feit dat BGM de onderhavige procedure heeft opgestart en vervolgens de vordering heeft verminderd tot nihil, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde sub 1] c.s. recht heeft op een proceskostenvergoeding door BGM. De vraag is vervolgens of de advocaatkosten daarbij moeten worden begroot conform het liquidatietarief of dat [gedaagde sub 1] c.s. recht heeft op een reële proceskostenvergoeding, zoals door [gedaagde sub 1] c.s. is verzocht.

Toetsingskader reële proceskostenvergoeding

3.2

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een veroordeling tot betaling van de werkelijk door de wederpartij gemaakte proceskosten uitsluitend kan worden uitgesproken in geval van bijzondere omstandigheden. Daarbij moet worden gedacht aan gevallen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Op grond van vaste jurisprudentie is hiervan pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM[_353e0d28-c20d-495c-9f0e-f670d6683def].

Geen sprake van buitengewone omstandigheden

3.3

De rechter oordeelt dat van buitengewone omstandigheden zoals hiervoor bedoeld, mede gelet op de in acht te nemen terughoudendheid, onvoldoende is gebleken. De door [gedaagde sub 1] c.s. aangevoerde omstandigheden bieden onvoldoende grond voor het aannemen daarvan. Dat volgens [gedaagde sub 1] c.s. uit de gestelde feiten en de beschikbare informatie op het internet over BGM volgt dat BGM de ongegrondheid van zijn vorderingen had moeten kennen, brengt nog niet mee dat het instellen en voortzetten van de procedure als misbruik van procesrecht moet worden aangemerkt. Dat geldt ook voor de verwijten die BGM aan het adres van [gedaagde sub 1] c.s. blijft maken over een bedreiging. Dat in een eerder arrest van het gerechtshof is geoordeeld dat de door BGM gestelde bedreigingen niet hebben plaatsgevonden, betekent niet dat BGM daarom wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat ook de in deze procedure ingestelde vorderingen iedere grondslag ontbreekt. Daarbij is van belang dat deze procedure niet alleen betrekking heeft op de door BGM gestelde bedreigingen. [gedaagde sub 1] c.s. heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat BGM bij het aanhangig maken van de procedure wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat zijn vorderingen geen kans van slagen hadden.

3.4

Gelet op het voorgaande zullen de proceskosten daarom volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden berekend.

BGM moet de proceskosten van € 14.697,00 betalen

3.5

BGM is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 1] c.s. worden begroot op:

- griffierecht€7.062,00
- salaris advocaat€7.446,00(2 punten × € 3.723,00)
- nakosten€189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€14.697,00
3.6

Voor de proceshandelingen aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. worden 2 punten toegekend: 1 punt voor de conclusie van antwoord en voor twee van de drie aktes 0,5 punt. Deze twee aktes bevatten ieder een inhoudelijke reactie en worden daarom gewaardeerd als aktes met bijzondere inhoud.

3.7

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard

3.8

Bij de beoordeling van een uitvoerbaarverklaring bij voorraad moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Uitgangspunt is dat [gedaagde sub 1] c.s. in beginsel belang heeft bij de door haar gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Dit belang dient slechts te wijken voor het belang van BGM als daaraan in het licht van alle omstandigheden van het geval meer gewicht aan toekomt dan aan het belang van [gedaagde sub 1] c.s. BGM heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die meebrengen dat zijn belang bij behoud van de bestaande toestand in dit geval zwaarder moet wegen. Dat [gedaagde sub 1] c.s. in het verleden een faillissementsaanvraag heeft ingediend, is daarvoor onvoldoende. Bovendien heeft BGM onvoldoende onderbouwd dat een nieuwe faillissementsaanvraag als gevolg van dit vonnis daadwerkelijk te verwachten is.

3.9

Bij deze stand van zaken leidt afweging van de wederzijdse belangen tot het oordeel dat de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van dit vonnis toewijsbaar is. Voor het verbinden van de voorwaarde van zekerheidstelling aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad bestaat ook geen aanleiding. BGM heeft dat verzoek onvoldoende onderbouwd.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1

veroordeelt BGM in de proceskosten van € 14.697,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als BGM niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.2

veroordeelt BGM tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

4.3

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

LLO 5791

Voetnoten

  1. Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360 en Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.