Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Midden-Nederland, 14 oktober 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7450Zaaknummer C/16/601990 / HL ZA 25-286

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
C/16/601990 / HL ZA 25-286
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Tussenuitspraak
Zittingsplaats
Lelystad
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Gemeente vordert nabetaling bij uitbreiding aantal m2 BVO op een uitgegeven bouwperceel. De rechtbank is voornemens een deskundige te benoemen om de residuele grondwaarde en daarmee de eventuele nabetaling te berekenen.

De rechtbank

4.1

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 11 november 2026 om beide partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten over de aan de deskundige voor te leggen vragen;

4.2

bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk een week vóór de genoemde roldatum de conceptakte moeten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij;

4.3

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op

14 oktober 2026.

5274

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De kern van de zaak
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

Zaaknummer: C/16/601990 / HL ZA 25-286

Vonnis van 14 oktober 2026

in de zaak van

GEMEENTE ALMERE,

te Almere,

eisende partij,

hierna te noemen: de Gemeente,

advocaat: mrs. O. Heuverling en J.M. van Essen,

tegen

[gedaagde] B.V.,

te [plaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. H. Stroeve.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 oktober 2025 met producties 1 tot en met 17;- de conclusie van antwoord met productie 1; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;- de akte van de Gemeente met productie 18; - de spreekaantekeningen van de Gemeente; - de spreekaantekeningen van [gedaagde];

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 31 augustus 2026.

1.2

Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen.

2 De kern van de zaak

2.1

De Gemeente heeft een perceel grond aan [gedaagde] verkocht voor de bouw van een restaurant. In de contractstukken is een nabetalingsregeling opgenomen voor het geval het aantal m2 bruto vloeroppervlakte (hierna: BVO) op het perceel wordt uitgebreid. Na de levering heeft [gedaagde] short stay woningen op het perceel gebouwd. Daarmee is het aantal m2 BVO uitgebreid. De Gemeente maakt daarom aanspraak op een nabetaling van € 1.530.000,-. Ook vordert de Gemeente een contractuele boete van € 100.000,-. [gedaagde] concludeert op grond van een eigen berekening dat op haar geen nabetalingsverplichting rust. Volgens de Gemeente geldt er echter altijd een minimumgrondprijs, maar daar is [gedaagde] het niet mee eens. De rechtbank zal in dit tussenvonnis een deskundige benoemen om de nabetaling te berekenen.

3 De beoordeling

Inleiding

3.1

De Gemeente heeft op 14 juni 2018 aan [gedaagde] een perceel grond van circa 6.626 m2 aan de [straat] te [plaats] (hierna: het perceel) verkocht voor een koopprijs van

€ 1.276.410,-.

3.2

In de aanhef en artikel I van de koopovereenkomst staat dat het perceel bestemd is voor de bouw van een buffetrestaurant met circa 1.699 m2 BVO, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen (hierna: het bouwplan). [gedaagde] heeft dit buffetrestaurant ook gerealiseerd.

3.3

In artikel I van de koopovereenkomst zijn de Algemene Verkoopvoorwaarden 2012 van de Gemeente (hierna: AV) van toepassing verklaard.

3.4

In artikel VII van de koopovereenkomst staat dat als [gedaagde] het aantal vierkante meters BVO op het perceel wenst uit te breiden ten opzichte van het bouwplan, zij verplicht is aan de Gemeente een nabetaling te voldoen conform artikel 4.13 AV.

3.5

In artikel 4.13 lid 1 AV staat dat de nabetaling wordt berekend op basis van het aantal meer te realiseren vierkante meters BVO dan de in de eerste notariële akte aangegeven bebouwing, tegen de alsdan door de gemeenteraad vastgestelde grondprijzen voor soortgelijke functies c.q. bestemmingen. De akte van levering is gepasseerd op 20 juni 2018. Het daarin opgenomen aantal vierkante meters BVO is gelijk aan die genoemd in de koopovereenkomst (1.699 m2).

3.6

Op 31 mei 2022 heeft [gedaagde] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van 172 short stay woningen op het perceel. Partijen zijn het erover eens dat het om een uitbreiding van 4.480 m2 BVO gaat.

3.7

De omgevingsvergunning is verleend op 26 september 2022 en in november 2022 is gestart met de bouw.

De berekening van de nabetaling

3.8

Vanwege de uitbreiding op het perceel vordert de Gemeente een nabetaling van [gedaagde] van € 1.530.000,-. Aan deze vordering legt de Gemeente artikel VII koopovereenkomst in verbinding met artikel 4.13 lid 1 AV ten grondslag.

3.9

[gedaagde] erkent dat er een nabetalingsregeling is overeengekomen en dat deze toegepast moet worden om een eventuele nabetaling te berekenen. Zij is het er ook mee eens dat deze nabetaling moet worden berekend conform artikel 4.13 lid 1 AV.

3.10

Zoals hiervoor al genoemd, staat in artikel 4.13 lid 1 AV dat de nabetaling moet worden berekend op basis van het aantal extra te realiseren vierkante meters BVO tegen de ‘alsdan door de gemeenteraad vastgestelde grondprijzen’. Voor dit laatste verwijst de Gemeente naar de Nota Grondprijsbeleid 2022 (hierna: de Nota). Zij stelt dat de nabetaling moet worden berekend door de grondwaarde conform de uitgangspunten uit deze Nota te berekenen. [gedaagde] is het daarmee eens.

3.11

In de Nota (pagina 3 en paragraaf 5.1) staat dat de grondwaarde primair genormeerd residueel wordt berekend. Dat betekent dat eerst de marktwaarde van het te realiseren vastgoed (inclusief grond) wordt bepaald, waarna de bouw- en overige bijkomende kosten (samen de stichtingskosten) daarvan worden afgetrokken. Wat resteert (het residu) vertegenwoordigt de grondwaarde. Hierbij wordt, zo bepaalt de Nota, gerekend met marktconforme, genormeerde kosten en opbrengsten waarbij wordt uitgegaan van optimaal gebruik van de kavel (bebouwing en gebruik opstal).

3.12

Partijen zijn het erover eens dat de grondwaarde, en daarmee de nabetaling, genormeerd residueel moet worden berekend conform de uitgangspunten uit de Nota zoals in de vorige overweging verwoord. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen het verder eens geworden over de peildatum die bij de berekening moet worden gehanteerd, namelijk 1 oktober 2022.

3.13

Het voorgaande betekent dat partijen het eens zijn over de kaders waarbinnen de eventuele nabetaling moet worden berekend. Over de toepassing van dit kader op de voorliggende casus – de berekening zelf – zijn partijen het echter niet eens. De Gemeente komt in haar berekening (productie 11 bij dagvaarding) uit op een nabetaling van

€ 1.550.731,-. In verband met de lange doorlooptijd van deze zaak heeft de Gemeente de vordering verlaagd tot € 1.530.000,-. [gedaagde] heeft [onderneming] ingeschakeld om een berekening te maken. Zij komt in haar berekening (productie 12 bij dagvaarding) uit op een negatieve grondwaarde, zodat geen nabetaling verschuldigd is.

3.14

Kort samengevat houden de volgende vier punten partijen verdeeld:

  • Volgens [gedaagde] heeft de Gemeente de btw-correctie van 9% in haar berekening niet juist toegepast. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen het er echter over eens geworden dat de Gemeente dit toch correct heeft gedaan.
  • [gedaagde] stelt dat de Gemeente in haar berekening aan de opbrengstenkant uitgaat van het daadwerkelijke aantal gerealiseerde woningen/kamers (172), terwijl de Gemeente bij de kostenkant uitgaat van een lager aantal woningen/kamers (128).
  • De Gemeente hanteert volgens [gedaagde] bij het berekenen van de bouwkosten de verkeerde categorie uit het Bouwkostenkompas, namelijk ‘budgethotel basis’ in plaats van ‘budgethotel hoog’.
  • Volgens [gedaagde] heeft de Gemeente de FF&E-kosten die uit het Bouwkostenkompas volgen ten onrechte gehalveerd.

Benoeming deskundige

3.15

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank aan partijen de benoeming van een deskundige voorgehouden om de nabetaling te berekenen. Partijen zijn het daarmee eens. Zij zijn het er ook over eens dat de deskundige de opdracht moet worden gegeven om de genormeerde residuele grondwaarde te berekenen conform de uitgangspunten in de Nota. Verder zijn zij het erover eens dat de deskundige verder volledig de vrije hand moet worden gegeven, en dat het de deskundige dus ook vrijstaat om af te wijken van de parameters uit de berekeningen waarover tussen partijen geen verschil van inzicht bestaat.

3.16

Tijdens de zitting is besproken dat de rechtbank een deskundige aanwijst, omdat partijen niet verwachten het daarover eens te worden. De rechtbank heeft [A] RT bereid gevonden om als deskundige op te treden. Hij heeft aangegeven vrij te staan ten opzichte van partijen. [A] is als gerechtelijk deskundige ingeschreven in het LRGD en als register-taxateur bij het NRVT met als expertises Kamer Wonen en Kamer Bedrijfsmatig Vastgoed.

3.17

Voordat tot de benoeming van de deskundige wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de aan de deskundige voor te leggen vragen.

3.18

De rechtbank is voorlopig van oordeel dat aan de deskundige de volgende vragen moeten worden gesteld:

  • Bereken de hoogte van een eventueel door [gedaagde] aan de Gemeente te betalen nabetaling in verband met het meer gerealiseerde aantal vierkante meters BVO op het perceel aan de [straat] te [plaats] door de bouw van de short stay woningen. De eventuele nabetaling dient berekend te worden per peildatum 1 oktober 2022 en met toepassing van artikel 4.13 lid 1 AV in verbinding met de Nota Grondprijsbeleid 2022 van de Gemeente. Dit betekent dat de nabetaling wordt berekend op basis van de genormeerde residuele grondwaarde, zoals nader omschreven onder randnummer 3.11.
  • Hoe verhoudt uw berekening van de residuele grondwaarde zich tot de punten die partijen verdeeld houden zoals opgenomen onder randnummer 3.14?

3. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?

Minimumgrondprijs en nadere vragen aan de deskundige

3.19

De Gemeente stelt verder dat uit artikel 4.13 lid 1 AV in verbinding met de Nota volgt dat de nabetaling nooit lager kan uitvallen dan de minimumgrondprijs van € 177,- per m2 BVO. Dat resulteert volgens haar in een nabetaling van ten minste € 792.960,-.

3.20

[gedaagde] stelt dat een minimumgrondprijs alleen geldt bij nieuwe gronduitgiftes, en niet in het geval van een nabetaling. Verder stelt zij dat, als een minimumgrondprijs wel aan de orde zou zijn, bij de initiële verkoop van de grond in 2018 die minimumgrondprijs al is betaald, ook als het aantal toegevoegde m2 BVO wordt meegerekend.

3.21

Een eventuele minimumgrondprijs komt pas aan de orde in het geval de deskundige de eventuele nabetaling vaststelt op een bedrag lager dan € 792.960,-. De rechtbank zal op dit geschilpunt daarom op dit moment nog niet nader ingaan. Wel ziet de rechtbank aanleiding om alvast de volgende vragen aan de deskundige te stellen:

4. Hoe verhoudt het hanteren van een minimumgrondprijs bij de berekening van een nabetaling in verband met de uitbreiding van het aantal vierkante meters BVO op een reeds eerder uitgegeven perceel zich tot het uitgangspunt dat de nabetaling volgens de Nota genormeerd residueel moet worden berekend?

5. Als de genormeerde residuele grondwaarde lager uitvalt dan de door de Gemeente genoemde minimumgrondprijs, leidt het hanteren van die minimumgrondprijs dan tot een nabetaling die hoger is dan de marktwaarde van de grond?

6. Zijn er nog andere punten die u wat betreft het hanteren van een minimumgrondprijs bij de berekening van een nabetaling bij een uitbreiding van het aantal m2 BVO naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?

Slot

3.22

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat het voorschot op de kosten van de deskundige door de eisende partij moet worden betaald. Dit voorschot moet daarom door de Gemeente worden betaald.

3.23

In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.

3.24

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich over de hiervoor genoemde vragen bij akte kunnen uitlaten. Partijen moeten de conceptakte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren.

3.25

Hierna volgt een nieuw tussenvonnis waarin het deskundigenonderzoek wordt bevolen inclusief de definitieve aan de deskundige te stellen vragen. Daarin zal ook worden opgenomen dat partijen de mogelijkheid krijgen te reageren op een conceptrapport van de deskundige.

3.26

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 11 november 2026 om beide partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten over de aan de deskundige voor te leggen vragen;

4.2

bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk een week vóór de genoemde roldatum de conceptakte moeten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij;

4.3

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op

14 oktober 2026.

5274

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.