Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Midden-Nederland, 14 oktober 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7449Zaaknummer 12051571 \ MC EXPL 26-141 JD/51246

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
12051571 \ MC EXPL 26-141 JD/51246
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Almere
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Gedaagde hoeft facturen voor werkzaamheden aan haar woning niet te betalen. Eiser is met zijn eenmanszaak namelijk geen contractspartij bij de aannemingsovereenkomst.

4 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

4.1

wijst de vorderingen van [eiser] af;

4.2

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.298,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet op tijd aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [eiser] ook de kosten van betekening betalen;

4.3

veroordeelt [eiser] om de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten te betalen als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

4.4

verklaart de veroordelingen onder 4.2 en 4.3 uitvoerbaar bij voorraad;

in voorwaardelijke reconventie

4.5

stelt vast dat de vorderingen niet behandeld hoeven te worden, omdat de voorwaarde waaronder [gedaagde] de vorderingen heeft ingesteld niet in vervulling is gegaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De kern van de zaak
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Almere

Zaaknummer: 12051571 \ MC EXPL 26-141 JD/51246

Vonnis van 14 oktober 2026

in de zaak van

[eiser],

handelend onder de naam [handelsnaam],

gevestigd in [vestigingsplaats],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. D.W. Giltay Veth,

tegen

[gedaagde],

wonend in [woonplaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. G.R. Ruizendaal.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van [eiser] van 23 december 2025 met 10 producties;- de conclusie van antwoord met voorwaardelijke eis in reconventie van [gedaagde] met 8 producties;

- de akte aanvulling grondslag eis van [eiser];

- de aanvullende producties 9 en 10 van [gedaagde];

- de aanvullende productie 11 van [eiser];

- de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026.

1.2

Tijdens de zitting op 18 augustus 2026 was [eiser] aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. Giltay Veth. Daarnaast heeft [eiser] de heer [A] meegenomen naar de zitting. Hij werkte als bouwkundige. Ook [gedaagde] is naar de zitting gekomen, samen met haar echtgenoot de heer [B]. [gedaagde] werd bijgestaan door mr. Ruizendaal. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de zitting is besproken.

1.3

Tijdens de zitting is ook de zaak met zaaknummer 12320547 \ MC EXPL 26-4063 tussen [gedaagde] en [handelsnaam] B.V. (het bedrijf van [eiser], hierna: [handelsnaam]) inhoudelijk behandeld. Volgens partijen is het hun bedoeling dat de processtukken in die zaak in de beoordeling van deze zaak worden meegenomen. De kantonrechter zal daarom de volgende processtukken bij de beoordeling betrekken:

- de dagvaarding van [gedaagde] van 7 juli 2026 met 28 producties;

- de conclusie van antwoord met (voorwaardelijke) eis in reconventie van [handelsnaam] met 4 producties.

1.4

De kantonrechter heeft bepaald dat hij schriftelijk uitspraak doet.

2 De kern van de zaak

2.1

[gedaagde] heeft een woning laten bouwen in Almere. Aan de buitenzijde van de woning zijn stucwerkzaamheden verricht. Volgens [eiser] is hij degene die de werkzaamheden heeft uitgevoerd en moet [gedaagde] hem in totaal nog € 19.188,95 met rente en kosten betalen. [gedaagde] vindt dat zij niets verschuldigd is. [gedaagde] krijgt gelijk. Zij heeft een overeenkomst gesloten met [handelsnaam], niet met (de eenmanszaak van) [eiser]. Daarom wijst de kantonrechter de vorderingen van [eiser] af. [gedaagde] heeft voorwaardelijke tegenvorderingen ingesteld, maar aan die vorderingen komt de kantonrechter niet toe.

3 De beoordeling

[gedaagde] hoeft [eiser] niets te betalen

3.1

[eiser] heeft [gedaagde] op 16 juni 2025 twee facturen gestuurd:

  • een factuur van € 15.195,95 voor stucwerkzaamheden aan de buitenzijde van de woning en stucmateriaal; en
  • een factuur van € 3.993,- voor de huur van een steiger voor de stucwerkzaamheden aan de buitenzijde van de woning.

[eiser] eist dat [gedaagde] deze facturen met rente en kosten aan hem moet betalen. De kantonrechter wijst die vorderingen af. [eiser] is met zijn eenmanszaak geen contractspartij bij de aannemingsovereenkomst voor de buitenstucwerkzaamheden: dat is [handelsnaam]. [gedaagde] heeft [handelsnaam] voor meer werkzaamheden in, aan en rondom haar woning ingeschakeld. Op 5 februari 2024 heeft [gedaagde] drie offertes ontvangen, waaronder een offerte voor de buitenstucwerkzaamheden. Tijdens de zitting heeft [eiser] zelf bevestigd dat de drie offertes door [handelsnaam] zijn opgesteld en verstuurd. [gedaagde] heeft de offertes ondertekend. Daarmee heeft zij voor alle werkzaamheden een aannemingsovereenkomst gesloten met [handelsnaam], dus ook voor de stucwerkzaamheden aan de buitenzijde van de woning.

3.2

[eiser] zegt dat hij later de contractspartij voor de buitenstucwerkzaamheden is geworden, omdat hij die werkzaamheden uiteindelijk vanuit zijn eenmanszaak en niet vanuit [handelsnaam] heeft uitgevoerd. Daarnaast heeft [eiser] tijdens de zitting aangegeven dat hij de facturen van in totaal € 19.188,95 vanuit zijn eenmanszaak heeft verstuurd omdat dat belastingtechnisch beter voor hem is. Deze stellingen kunnen [eiser] niet helpen. [eiser] kan niet zelf beslissen dat hij in plaats van [handelsnaam] de contractspartij van [gedaagde] wordt. Daar is instemming van [gedaagde] voor nodig. Die instemming is er niet. [handelsnaam] is dus nog steeds de contractspartij van [gedaagde]. [eiser] heeft daar tijdens de zitting ook in berust. Dat betekent dat [gedaagde] niets aan [eiser] hoeft te betalen.

De kantonrechter komt niet toe aan de voorwaardelijke tegenvorderingen van [gedaagde]

3.3

[gedaagde] vordert in de eerste plaats (primair) dat [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vorderingen. In de tweede plaats (subsidiair) vordert [gedaagde] dat de kantonrechter de vorderingen van [eiser] afwijst. Voor het geval haar primaire en subsidiaire vorderingen worden afgewezen, eist [gedaagde] in de derde plaats (meer subsidiair) een verklaring voor recht dat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten. Zij eist in dat geval ook dat [eiser] de door haar geleden schade met rente moet vergoeden. Omdat de kantonrechter [eiser] heeft ontvangen in zijn vorderingen en deze vervolgens afwijst, komt hij niet toe aan de meer subsidiaire tegenvorderingen van [gedaagde]. De kantonrechter zal die vorderingen daarom niet beoordelen.

[eiser] moet de proceskosten in conventie betalen

3.4

[eiser] heeft ongelijk gekregen en moet daarom in principe de proceskosten in conventie (inclusief nakosten) betalen. [eiser] vraagt de kantonrechter om de proceskosten te compenseren. Dat zou betekenen dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen. Volgens [eiser] is er bij het sluiten van de overeenkomsten verwarring ontstaan, omdat de offerte voor de buitenstucwerkzaamheden eerst op naam van een B.V. van [gedaagde] stond. Dat is volgens [eiser] later aangepast naar de familienaam [naam]. [eiser] vindt het door deze omstandigheid onrechtvaardig dat hij de proceskosten zou moeten betalen. De kantonrechter volgt dit standpunt niet. Kennelijk was voor [eiser] duidelijk dat [gedaagde] de aannemingsovereenkomst in privé heeft gesloten. Hij heeft de offerte zelf aangepast en heeft [gedaagde] in privé gedagvaard. Dat bij [eiser] verwarring zou bestaan, begrijpt de kantonrechter dan ook niet. Daar komt bij dat [gedaagde] extra kosten heeft moeten maken doordat [eiser] deze procedure ten onrechte vanuit zijn eenmanszaak is gestart. De kantonrechter ziet daarom geen reden om de proceskosten te compenseren.

3.5

[eiser] moet de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde€1.154,00(2 punten × € 577,00)
- nakosten€144,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€1.298,00
3.6

De kantonrechter wijst de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toe zoals vermeld in de beslissing.

4 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

4.1

wijst de vorderingen van [eiser] af;

4.2

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.298,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet op tijd aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [eiser] ook de kosten van betekening betalen;

4.3

veroordeelt [eiser] om de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten te betalen als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

4.4

verklaart de veroordelingen onder 4.2 en 4.3 uitvoerbaar bij voorraad;

in voorwaardelijke reconventie

4.5

stelt vast dat de vorderingen niet behandeld hoeven te worden, omdat de voorwaarde waaronder [gedaagde] de vorderingen heeft ingesteld niet in vervulling is gegaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.