Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Midden-Nederland, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7445Zaaknummer C/16/614199 / HA ZA 26-346
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/16/614199 / HA ZA 26-346
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
In de hoofdzaak: vordering nakoming geldleningsovereenkomsten. In het incident: verzoek om voorlopige voorzieningen ex art. 223 Rv. Voorschotetaling geldsommen. Belangenafweging. Geen belang bij voorschotbetaling.
De rechtbank
in het incident
wijst de incidentele vorderingen tot het treffen van een voorlopige voorzieningen af,
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, bij een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank, in het gerechtsgebouw te Utrecht, Vrouwe Justitiaplein 1, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,
bepaalt dat [eiser sub 2] en [gedaagde sub 2] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat [eiseres sub 1] en [gedaagde sub 1] dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 28 oktober 2026 voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden november 2026 tot en met maart 2027, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 90 minuten zal worden uitgetrokken,
houdt iedere verdere beslissing aan.
| Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Praamstra en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026. | ||
| ! | ! | |
| ! |
5340
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/614199 / HA ZA 26-346
Vonnis in incident van 14 oktober 2026
in de zaak van
1 [eiseres sub 1] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,2. [eiser sub 2],
wonend in [woonplaats],
eisende partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna afzonderlijk te noemen: [eiseres sub 1] en [eiser sub 2],
hierna gezamenlijk te noemen: [eisers],
advocaat: mr. W.J.M. Sprangers,
tegen
1 [gedaagde sub 1] .,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde sub 2],
wonend in [woonplaats],
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2],
verwerende partijen in het incident hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. A.W. Hooijen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 t/m 15 en met een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening;
de conclusie van antwoord in de hoofdzaak en met de conclusie van antwoord in het incident.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2 De beoordeling in het incident
In de hoofdzaak is het volgende aan de hand. [eisers] vordert nakoming van [gedaagden] van haar betalingsverplichtingen uit de geldleningsovereenkomsten, met rente en kosten. [gedaagde sub 1] heeft in 2024 meerdere keren geld geleend van [eiseres sub 1] en van [eiser sub 2]. Voor elke lening heeft [gedaagde sub 2] als medeschuldenaar de geldleningsovereenkomst getekend. In totaal heeft [gedaagde sub 1] een bedrag van € 375.000,00 geleend van [eiseres sub 1] en een bedrag van € 275.000,00 van [eiser sub 2]. De termijnen waarbinnen de leningen moesten worden afgelost zijn verstreken, maar [gedaagde sub 1] heeft nog niet betaald.
In het incident vordert [eisers] dat de rechtbank een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding als bedoeld in artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [eiseres sub 1] vordert veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een voorschot van € 375.000,00, met rente en kosten. [eiser sub 2] vordert veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een voorschot van € 275.000,00, met rente en kosten.
De rechtbank wijst de gevorderde voorlopige voorzieningen af. Een voorlopige voorziening is bedoeld als een ordemaatregel die getroffen wordt voor de duur van de procedure. Daarvoor is nodig dat een partij een dusdanig belang heeft bij die ordemaatregel dat van die partij niet kan worden gevraagd de afloop van de bodemzaak af te wachten. Een partij kan belang hebben bij een voorschotbetaling als ordemaatregel.
Dat in deze procedure de gevorderde voorschotbetalingen als ordemaatregel gerechtvaardigd zijn, volgt niet uit de afweging van de gestelde materiële belangen van partijen. [eisers] stelt te vrezen dat zij onbetaald blijft door vermogensverschuivingen aan de zijde van [gedaagden] en selectieve betalingen aan derden. Maar, [eisers] heeft al maatregelen getroffen om de verwezenlijking van deze risico’s te verkleinen. Zij heeft namelijk conservatoir beslag laten legen op vermogensbestandsdelen van [gedaagden] Verder heeft [eisers] gesteld dat nog langer uitstel van betaling onaanvaardbaar is, maar niet uitgelegd waarom dat zo is. Eventuele vermogensschade door (enkel) tijdsverloop wordt geacht te worden vergoed met rente. Weliswaar is door [gedaagde sub 1] geen verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid van de gevorderde leensommen, maar er is wel verweer gevoerd tegen de gevorderde rente. Daarnaast heeft [gedaagde sub 2] zelf wel verweer gevoerd. Om die reden zijn de gevorderde voorschotbedragen niet zonder meer toewijsbaar.
[eisers] moet de proceskosten in incident betalen
[eisers] is in het incident in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Voor de begroting van de proceskosten in het incident wordt aangesloten bij het liquidatietarief II. Hiervoor wordt gekozen, omdat de proceshandeling in incident samenvalt met de proceshandeling in de hoofdzaak en dit past bij de geringe complexiteit van het incident. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
3 De beoordeling in de hoofdzaak
In de hoofdzaak zal de rechtbank een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.
Op de mondelinge behandeling wordt aan de advocaten van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zijn niet toegestaan.
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.
Indien partijen zonder dat daaraan voorafgaand een mondelinge behandeling wordt gehouden, gebruik willen maken van de mogelijkheid de zaak door te verwijzen naar een mediator, dienen zij dat op de hierna te bepalen rolzitting kenbaar te maken.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4 De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst de incidentele vorderingen tot het treffen van een voorlopige voorzieningen af,
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, bij een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank, in het gerechtsgebouw te Utrecht, Vrouwe Justitiaplein 1, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,
bepaalt dat [eiser sub 2] en [gedaagde sub 2] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat [eiseres sub 1] en [gedaagde sub 1] dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 28 oktober 2026 voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden november 2026 tot en met maart 2027, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 90 minuten zal worden uitgetrokken,
houdt iedere verdere beslissing aan.
| Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Praamstra en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026. | ||
| ! | ! | |
| ! |
5340
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.