Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Midden-Nederland, 14 oktober 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7443Zaaknummer C/16/607884 / HA ZA 26-116

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/16/607884 / HA ZA 26-116
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Non-conformiteit zeilboot, roestvorming in motor. Niet is komen vast te staan dat de roestvorming al ten tijde van de levering aanwezig was. Geen sprake van dwaling.

De rechtbank

5.1

wijst de vorderingen van [eiser] af,

5.2

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.183,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.4

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. G. Boonzaaijer en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

LMT 5629

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De kern van de zaak
  3. 3 De achtergrond van de zaak
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/607884 / HA ZA 26-116

Vonnis van 14 oktober 2026

in de zaak van

[eiser],

te [plaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. M. Smit,

tegen

[gedaagde],

te [plaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. F. van Laaren.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 t/m 24,- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 7,- de e-mail van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

- de akte overlegging aanvullende producties met productie 8 van [gedaagde] ,- de overlegging aanvullende producties met productie 25 van [eiser] met daarin ook een eiswijziging,- de mondelinge behandeling van 28 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,

- de spreekaantekeningen van [eiser],

- de spreekaantekeningen van [gedaagde].

1.2

Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat er een vonnis komt.

2 De kern van de zaak

Partijen hebben een koopovereenkomst gesloten waarbij [gedaagde] een zeilboot heeft verkocht en geleverd aan [eiser] tegen een kooprijs van € 108.000,00. Vier maanden na levering wordt roestvorming in de motor van de boot ontdekt bij een onderhoudsbeurt. [eiser] heeft de motor laten vervangen en eist dat [gedaagde] de kosten daarvan betaalt. De rechtbank wijst deze vordering af, omdat niet vast is komen te staan dat de roestvorming al bij levering aanwezig was, terwijl dat wel een vereiste is.

3 De achtergrond van de zaak

3.1

In november 2021 heeft de partner van [gedaagde] een zeilboot gekocht, een Najad 390 uit 1986 met een Volvo Penta type MD30A als motor (hierna: de boot). [gedaagde] en haar partner hadden het voornemen om met deze boot een wereldreis te maken. Met het oog hierop hebben zij diverse aanpassingen aan de boot verricht. De partner van [gedaagde] werd in juni 2023 ernstig ziek en hij is begin december 2023 overleden.

3.2

[gedaagde] heeft besloten na het overlijden van haar partner de boot te koop te zetten. In de verkoopadvertentie wordt de boot als volgt omschreven:

“Dit zeewaardige zeiljacht is het afgelopen jaar aangepast voor langdurig verblijf aan boord en om wereldreizen te maken, ideaal voor vertrekkers”

[eiser] heeft de boot op 11 mei 2024 bezichtigd, een dag voordat de boot online zou worden gezet. Op 14 mei 2024 heeft [eiser] de boot gekocht voor € 108.000,00. De oorspronkelijke vraagprijs was € 110.000,00. Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij nauwelijks over de vraagprijs hebben onderhandeld. Op 27 mei 2024 heeft een aankoopkeuring plaatsgevonden door de heer [deskundige] van [bedrijf 1] B.V (hierna: [deskundige]) in opdracht van [eiser]. Er heeft een standaard keuring plaatsgevonden waar een proefvaart een onderdeel van is. De proefvaart is afgebroken door problemen aan het koelsysteem van de motor. Dit gebrek is op kosten van [gedaagde] gerepareerd. Daarna is de motor opnieuw getest en is de eerder gestaakte proefvaart alsnog voltooid. Er werden geen problemen meer geconstateerd. De boot is vervolgens op 25 juli 2024 via de notaris geleverd. [eiser] heeft de boot op 28 juli 2024 van Lelystad naar Makkum gevaren en de rest van het vaarseizoen zonder problemen gebruikt.

3.3

In november 2024 heeft [eiser] [bedrijf 2] verzocht om de boot een grote onderhoudsbeurt te geven, waar een onderhoudsbeurt aan de motor onderdeel van uitmaakt. Bij het openschroeven van de motor heeft [bedrijf 2] roestvorming geconstateerd. [eiser] vindt daarom dat [gedaagde] een boot heeft geleverd die niet voldeed aan de afspraken en de verwachtingen die hij mocht hebben (en die dus non-conform was). Hij vordert daarom betaling van € 44.363,66 als vergoeding voor de kosten die hij heeft gemaakt, plus wettelijke rente, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. [gedaagde] is het hier niet mee eens.

4 De beoordeling

Niet vast is komen te staan dat de roestvorming al aanwezig moet zijn geweest bij de levering

4.1

Op 20 november 2026 is de roestvorming aangetroffen in de motor. [eiser] had de boot toen ongeveer vier maanden in zijn bezit. [eiser] stelt dat de roestvorming in de motor non-conformiteit van de boot oplevert in de zin van artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 7:17 BW. Daarvoor is onder andere vereist dat het gestelde gebrek aanwezig was bij levering van de boot. Maar dat is in deze procedure niet vast komen te staan.

4.2

[eiser] verwijst voor zijn stelling dat er al sprake was van roestvorming bij levering slechts naar één zin in een brief van 1 pagina van [deskundige] van 26 november 2024 (productie 5 dagvaarding):

“Deze verborgen gebreken moeten voor de aankoop al aanwezig zijn geweest.”

en naar een passage in een korte e-mail van [bedrijf 2] van 9 januari 2026 (productie 24 dagvaarding):

“bij motoren op leeftijd die goed onderhouden en gebruikt worden mag de corrosievorming die wij hebben waargenomen niet vinden. Er zou al lang ingegrepen zijn om juist deze problematiek te voorkomen.”

Zowel [deskundige] als [bedrijf 2] geven op geen enkele manier aan waarom de roestvorming al voor de levering van de boot aanwezig moet zijn geweest – terwijl partijen het daarover fundamenteel oneens zijn. [eiser] licht zijn stelling ook niet op een andere manier toe. [eiser] heeft op dit punt alleen in de spreekaantekeningen genoemd dat roestvorming een lang proces is en dat dit niet in de korte periode dat [eiser] eigenaar is van de boot kan hebben plaatsgevonden. Dit onderbouwt hij verder niet en is dus een blote stelling. Ook geeft [eiser] niet aan wat in dit verband “lang” en “kort” betekent.

4.3

Daar komt nog bij dat [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat in het gedeelte van de motor waar de roestvorming gevonden is alleen olie hoort te zitten. Er kan alleen water in dat gedeelte van de motor komen als het langs een afdichtring gaat die het koelwater scheidt van dat deel van de motor. Daarom vermoedt [eiser] dat de roestvorming is ontstaan door een lekkende afdichtring. Maar het blijft voor de rechtbank onduidelijk wanneer die afdichtring dan zou zijn gaan lekken; was dat al bij levering of pas later?

4.4

Tegenover deze stellingen van [eiser] staat de betwisting van [gedaagde]. [gedaagde] betwist dat de roestvorming al aanwezig was ten tijde van de levering. [gedaagde] wijst er daarbij op dat partijen in augustus 2024, een maand na de levering van de boot, regelmatig contact met elkaar hebben gehad over allerlei onderwerpen, maar dat het contact geen enkele keer is gegaan over motorproblemen. Ook wijst [gedaagde] erop dat een boot met deze leeftijd (38 jaar ten tijde van de levering) een verhoogde onderhoudsgevoeligheid heeft en dat het gaat om reguliere slijtage waarbij niet kan worden aangenomen dat de roestvorming al bij levering aanwezig was. Daarnaast heeft [eiser] na de levering zonder problemen de motor gebruikt (wat [eiser] zelf heeft bevestigd tijdens de mondelinge behandeling). Pas bij een onderhoudsbeurt is de roestvorming ontdekt, vier maanden na levering van de boot.

4.5

Bij deze stand van zaken oordeelt de rechtbank als volgt. Het standpunt van [gedaagde] over de aan- dan wel afwezigheid van de roestvorming op het moment van levering is al sinds in ieder geval de brief van 6 oktober 2025 bij [eiser] bekend (dus zelfs al voor de dagvaarding van 12 februari 2026). [eiser] heeft sindsdien nagelaten om enige verdere onderbouwing van zijn stelling te geven, terwijl dit wel op zijn weg lag (omdat op [eiser] de stelplicht hiervan rust). [eiser] is ruimschoots in de gelegenheid geweest om zijn stelling te onderbouwen: hij had immers al contact met [deskundige], die het schip had geïnspecteerd, en [bedrijf 2], die het schip heeft onderhouden. En in deze concrete zaak weegt de rechtbank ook mee dat het gaat om een boot van 38 jaar oud. Dan kunnen er onverwachts, in korte tijd na levering, vervelende gebreken ontstaan, dat hoort erbij. Als een eiser dan stelt dat het gebrek vier maanden eerder al aanwezig was, moet hij dat goed onderbouwen. In deze zaak weegt verder mee dat de koper slechts een ‘standaard’ aankoopkeuring heeft laten uitvoeren, waarbij de motor niet van binnen is geïnspecteerd. (Terwijl bij een boot van 38 jaar oud voorstelbaar is dat een uitgebreidere keuring plaatsvindt.) De koper heeft daarmee het (bewijs)risico genomen dat bij latere problemen met de motor niet zou kunnen worden vastgesteld dat een gebrek aanwezig was bij levering. Ook tijdens de mondelinge behandeling is de vraag naar de aanwezigheid van roestvorming bij levering expliciet ter sprake gekomen, maar enige onderbouwing door [eiser] bleef uit. Alles bij elkaar betekent dat de rechtbank op dit punt niet toekomt aan de bewijsfase en er dus geen ruimte is voor bewijslevering door [eiser] van zijn stelling dat de roestvorming al bij de levering aanwezig was. Aan een van de vereisten voor non-conformiteit is dus niet voldaan. De conclusie is daarom dat niet vast is komen te staan dat de boot die [gedaagde] heeft geleverd non-conform was en daarom kan de rechtbank de vordering van [eiser] niet op deze grond toewijzen.

Geen sprake van dwaling in feitelijke zin

4.6

[eiser] beroept zich daarnaast op dwaling door te stellen dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten. Maar in deze zaak kan niet worden gesproken van dwaling in feitelijke zin. Op het moment van het sluiten van de overeenkomst gingen beide partijen er namelijk vanuit dat de boot geschikt was voor een langere reis op zee. Zoals hiervoor overwogen (overweging 4.1 tot en met 4.5) is niet gebleken dat dit een onjuiste voorstelling van zaken was. Dat in november 2024 roestvorming is geconstateerd in de motor tijdens een grote onderhoudsbeurt betekent namelijk niet automatisch dat dit ook de staat van de motor was ten tijde van de levering van de boot. Daarom biedt ook dwaling geen grondslag voor de vordering van [eiser].

[gedaagde] hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen

4.7

Omdat de rechtbank de vordering van [eiser] afwijst, wijst zij ook de bijkomende vordering af waarin [eiser] vraagt om betaling van buitengerechtelijke incassokosten.

[eiser] moet de proceskosten aan [gedaagde] betalen

4.8

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht€1.414,00
- salaris advocaat€2.580,00(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten€189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€4.183,00
4.9

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.10

De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad, zoals [gedaagde] heeft gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1

wijst de vorderingen van [eiser] af,

5.2

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.183,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.4

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. G. Boonzaaijer en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

LMT 5629

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.