Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 28 juli 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7376Zaaknummer UTR 26/5447

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
UTR 26/5447
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk, griffierecht te laat betaald. Geen geldige verschoonbare reden voor de late betaling

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.

de griffier is verhinderd deze uitspaak

te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , te [plaats] , eiser
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing
  5. Bent u het niet eens met deze uitspraak?

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/5447

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld op 17 mei 2026.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Eiser heeft namelijk het griffierecht niet op tijd betaald, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

2. Iemand die in beroep gaat moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of zijn betaald op de griffie van de rechtbank.

3. Als het griffierecht niet op tijd wordt betaald is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen.

4. De rechtbank heeft eiser op 22 mei 2026 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat eiser het griffierecht binnen twee weken moet betalen aan de rechtbank. Deze brief is onbestelbaar aan de rechtbank geretourneerd. Hierna is deze brief, ter voldoening aan het bepaalde in artikel 8:38 van de Awb, op 18 juni 2026 per gewone post verzonden aan eiser. Daarbij is vermeld dat de in de brief van 22 mei 2026 genoemde termijn één week na datum van verzending van deze brief, dus 25 juni 2026, eindigt.

5. De rechtbank heeft het bedrag op 6 juli 2026 ontvangen. Dat is te laat.

6. Eiser heeft laten weten dat hij de aangetekend verzonden brief van 22 mei 2026 onbestelbaar aan de rechtbank is geretourneerd, waardoor hij niet tijdig kennis heeft kunnen nemen van de oorspronkelijke betalingsverplichting. De daardoor ontstane vertraging kan redelijkerwijs niet aan hem worden toegerekend. Toen hij alsnog kennis nam van de betalingsverplichting, heeft hij het verschuldigde griffierecht onverwijld voldaan. De betaling heeft plaatsgevonden op 3 juli2026, volgens eiser.

7. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee geen geldige verschoonbare reden gegeven voor de late betaling. De rechtbank heeft immers de brief van 22 mei 2026 opnieuw aan eiser gezonden en een nieuwe betalingstermijn geboden. Die termijn liep tot 25 juni 2026. De rechtbank heeft het griffierecht ontvangen op 6 juli 2026. Dat is te laat. Volgens eiser heeft de betaling plaatsgevonden op 3 juli 2026, maar dat is ook te laat. Eiser heeft verder niet toegelicht waarom hij niet voor 25 juni 2026 het griffierecht heeft betaald. Dat betekent dat eiser zonder goede reden te laat heeft betaald.

6. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 Awb). Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld en de rechtbank zal geen uitspraak over het beroep doen.

7. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.

8. Omdat eiser het griffierecht wel heeft betaald, maar te laat, zal dit aan hem worden terugbetaald.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.

de griffier is verhinderd deze uitspaak

te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.