Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 25 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7374Zaaknummer UTR 26/6938
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 25 september 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/6938
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
BNT WOO verzoek gegrond
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 200,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/6938
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
en
de Minister van Financiën, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend op 4 augustus 2026, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek van 5 mei 2026 om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Op 18 augustus 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiser heeft op 5 mei 2026 een verzoek om informatie op grond van de Woo (Woo-verzoek) ingediend. Verweerder heeft het Woo-verzoek ook ontvangen op 5 mei 2026. Op grond van artikel 4.4, eerste lid, van de Woo moet verweerder binnen vier weken beslissen op het Woo-verzoek. Bij brief van 26 mei 2026 heeft verweerder de beslistermijn met twee weken verdaagd op grond van artikel 4.4, tweede lid, van de Woo. Verweerder had dus uiterlijk 18 juni 2026 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 9 juli 2026 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiser heeft op 4 augustus 2026 beroep ingesteld.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).
5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift van 18 augustus 2026 aan dat de overschrijding van de beslistermijn is gelegen in de complexiteit en omvang van het verzoek. In een kort tijdsbestek zijn er een groot aantal omvangrijke Woo-verzoeken over hetzelfde onderwerp, te weten “datakluis”, ontvangen. Verweerder geeft aan dat eiser niet heeft ingestemd met één allesomvattende gezamenlijke aanpak van de Woo-verzoeken. Verweerder streeft ernaar uiterlijk 4 oktober 2026, zoals eiser dat voorstelt, een besluit te nemen op het Woo-verzoek.
6. Gelet op de datum waarop de rechtbank deze uitspraak doet en de omstandigheid dat de door verweerder genoemde datum van 4 oktober 2026 valt binnen twee weken na de datum van deze uitspraak van de rechtbank, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andere beslistermijn dan de standaard beslistermijn van twee weken. De rechtbank draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een beslissing te nemen op het verzoek van eiser.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
8. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb).
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 200,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.