Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7197Zaaknummer 12092587 \ MC EXPL 26-778

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
7 oktober 2026
Publicatiedatum
20 oktober 2026
Zaaknummer
12092587 \ MC EXPL 26-778
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Almere
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Zorgverlening aan huis (overeenkomst van opdracht). Na incident zorgverlening beeindigd. Geen recht op loon over opzegtermijn. Geen recht op redelijk loon wegens voortijdige opzegging.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

wijst de vorderingen van [eiser] af,

4.2

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3

verklaart dit vonnis voor de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door

mr. A.R. Creutzberg op 7 oktober 2026.

RW1368

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De kern van de zaak
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 12092587 \ MC EXPL 26-778

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

[eiser], h.o.d.n. [handelsnaam],

in [plaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: Stichting Achmea Rechtsbijstand,

tegen

[gedaagde],

in [plaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek,- de akte van [eiser].

1.2

Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2 De kern van de zaak

2.1

[eiser] is professioneel zorgverlener. [eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] persoonlijke thuiszorg aan [gedaagde] verleend. In de nacht van 15 op 16 september 2025 vond een incident tussen [eiser] en [gedaagde] plaats, waarna [eiser] geen verdere zorg meer aan [gedaagde] heeft verleend. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] de overeenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd en daarbij geen rekening gehouden met de opzegtermijn van een maand. [eiser] vordert zijn loon over de opzegtermijn, € 7.200,00, met nevenvorderingen. De kantonrechter wijst dat af.

3 De beoordeling

Opzegging met wederzijds goedvinden?

3.1

Partijen zijn het erover eens dat de overeenkomst direct na het incident is geëindigd. Volgens [eiser] was het [gedaagde] die de overeenkomst het eerst beëindigde, namelijk op 16 september 2025 bij monde van de heer [A], zie productie 3 van [eiser] ). [gedaagde] betwist dat en voert aan dat een opzegging door [A] niet kan gelden als opzegging van [gedaagde]. Die betwisting slaagt niet, want [A] wordt in de overeenkomst (productie 1 van [eiser]) als vertegenwoordiger van [gedaagde] aangeduid. [eiser] mocht er dus op vertrouwen dat [A] voor [gedaagde] kon spreken. Maar kort daarop, op diezelfde dag, heeft [eiser] bij appbericht laten weten dat hij ook geen zorg meer wilde verlenen aan [gedaagde] (zie ook productie 3 van [eiser] ). Zowel [eiser] als [gedaagde] beroepen zich voor de reden van de beëindiging op het incident, en willen op grond van de gebeurtenissen bij het incident van elkaar af. De kantonrechter kan dit moeilijk anders uitleggen dan als een beëindiging met instemming van beide partijen, dus met wederzijds goedvinden. Bij een dergelijke beëindiging is er geen sprake van een in acht te nemen opzegtermijn, en dus ook niet van een over de opzegtermijn te betalen loon. De vordering van dat loon moet dus alleen daarom al worden afgewezen.

Geen recht op redelijk loon

3.2

Maar ook zelfs al zou de overeenkomst zijn opgezegd door [gedaagde] alleen, dan nog moet de vordering van [eiser] worden afgewezen om de volgende redenen:

3.3

In de overeenkomst is bepaald dat [eiser] de gewerkte uren achteraf moet declareren. De uren worden dan vergoed door het SVB vanuit het zorgbudget van [gedaagde]. De kantonrechter concludeert daaruit dat alleen daadwerkelijk gewerkte uren worden betaald. Maar na het incident heeft [eiser] geen zorg meer verleend en dus geen uren meer gewerkt. Van een declaratie door [eiser] over de niet-gewerkte uren over de periode van de opzegtermijn blijkt verder niets. De overeenkomst biedt dus geen basis voor een betaling zoals [eiser] die vordert.

3.4

[eiser] voert als grondslag voor zijn vordering ook aan dat bij voortijdige beëindiging de opdrachtgever ( [gedaagde]) een ‘redelijk loon’ verschuldigd is (artikel 7:411 BW). Bij de beoordeling daarvan moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. Dat zijn naar het oordeel van de kantonrechter de volgende.

  • De aard van de overeenkomst is dat [eiser] persoonlijke zorg verleent in de privésfeer van [gedaagde]. Dat brengt mee dat partijen elkaar moeten vertrouwen. Dat vertrouwen was na het incident weg. De basis van een goede zorgverlening was na het incident niet meer aanwezig.
  • De kantonrechter kan niet vast stellen wie het meest schuld aan het incident heeft, maar houdt het ervoor dat beide partijen het ontstaan en kennelijk escaleren van het incident in de hand hebben gehad. Van een situatie waarin de opzegging vooral of uitsluitend aan [gedaagde] toe te rekenen is, lijkt geen sprake. [eiser] heeft dus in ieder geval geen recht op het ‘volle loon’ (zoals bedoeld in artikel 7:411 lid 2 BW).
  • [eiser] was na het incident niet bereid om nog zorg aan [gedaagde] te verlenen. [eiser] stelt wel dat hij zich beschikbaar heeft gehouden en geen werk voor anderen heeft kunnen uitvoeren, maar dat acht de kantonrechter niet aannemelijk. Uit de door partijen overgelegde appcorrespondentie blijkt geen enkele bereidheid van [eiser] daartoe, integendeel zelfs. En [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat [eiser] na het incident geen enkel contact met hem heeft opgenomen.

In deze omstandigheden, in onderling verband bezien, moet naar het oordeel van de kantonrechter het redelijk loon bij de (gestelde) voortijdige opzegging van [gedaagde] op nihil gesteld worden. Ook op basis van de wet moet de vordering van [eiser] worden afgewezen.

Nevenvorderingen en proceskosten

3.5

Omdat de vordering voor de hoofdsom wordt afgewezen, geldt dat automatisch ook voor de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten.

3.6

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 864,00 (salaris gemachtigde 2 punten × € 360,00 en € 144,00 nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

wijst de vorderingen van [eiser] af,

4.2

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3

verklaart dit vonnis voor de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door

mr. A.R. Creutzberg op 7 oktober 2026.

RW1368

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.