Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7190Zaaknummer 12232835 \ MC EXPL 26-2602 AW/1583

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
7 oktober 2026
Publicatiedatum
20 oktober 2026
Zaaknummer
12232835 \ MC EXPL 26-2602 AW/1583
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

huurachterstand

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om te betalen aan GoedeStede € 862,34 aan achterstallige huur tot en met 31 mei 2026,

4.2

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 865,60, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De kern van de zaak
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 12232835 \ MC EXPL 26-2602 AW/1583

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

WONINGSTICHTING GOEDESTEDE,

gevestigd te Almere,

eisende partij,

hierna te noemen: GoedeStede,

gemachtigde: Ultimoo Incasso B.V.,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [plaats],

niet verschenen,2. [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats],

procederend in persoon,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.

1.2

Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.

2 De kern van de zaak

2.1

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] huren van GoedeStede met ingang van 14 januari 2019 de woning aan de [adres] in [plaats]. Op de huurovereenkomst is van toepassing verklaard het huurreglement 2014. Bij dagvaarding stelt GoedeStede dat er sprake is van een huurachterstand van twee maanden. Bij repliek heeft GoedeStede haar eis verminderd omdat de huur voor de maand mei 2026 is betaald. Er is nog een betalingsachterstand van één maand. GoedeStede eist dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] die huurachterstand met rente en kosten betalen.

De kantonrechter zal het bedrag aan huurachterstand toewijzen, maar de buitengerechtelijke incassokosten en rente niet. Verder moet GoedeStede een deel van de kosten van deze procedure zelf betalen.

3 De beoordeling

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten € 862,34 aan huurachterstand tot en met mei 2026 betalen

3.1

Goedestede heeft bij de conclusie van repliek een specificatie van de huurachterstand ingediend. Uit deze specificatie blijkt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] nog een bedrag van € 862,34 aan huur moeten voldoen. [gedaagde sub 2] erkent bij dupliek dat de huur voor de maand januari 2025 nog moet worden voldaan. Zij zegt bereid te zijn dit te voldoen, maar wel via een redelijke betalingsregeling. Omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verder geen verweer hebben gevoerd tegen de specificatie van GoedeStede zal het daarin vermelde bedrag van € 862,34 aan huurachterstand tot en met mei 2026 worden toegewezen.

Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen

3.2

De overeenkomst is gesloten tussen een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf (de eisende partij) en een consument (de gedaagde partij). Een huurder wordt hiervoor gelijk gesteld aan een consument. Op zo’n overeenkomst zijn consument-beschermende bepalingen van toepassing. Sommige belangrijke consument-beschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd.

3.3

Zo moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de huurovereenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen (‘bedingen’) staan die relevant zijn voor de beoordeling van de (verschillende onderdelen van de) vordering. Als dergelijke bedingen op zichzelf, of in combinatie met andere relevante bedingen, naar Europees recht oneerlijk en daarmee naar Nederlands recht onredelijk bezwarend zijn voor consumenten, moet de kantonrechter de betreffende bedingen ambtshalve vernietigen en de daarmee verband houdende onderdelen van de vordering afwijzen.

3.4

In deze procedure gaat het met name om bedingen over rente en een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. Ook het boetebeding is relevant

3.5

GoedeStede heeft twee sets algemene voorwaarden in het geding gebracht. Het huurreglement 2014 dat is overeengekomen bij het aangaan van de huurovereenkomst en een nieuwe set die volgens haar op 27 januari 2026 aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is verzonden en per 1 februari 2026 is ingegaan. Omdat GoedeStede verder niks heeft gesteld over hoe de nieuwe set algemene voorwaarden op de huurovereenkomst van toepassing zijn verklaard, op dat moment al een huurachterstand bestond en de incassobrieven die GoedeStede aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft verzonden, dateren van vóór 1 februari 2026, is de kantonrechter van oordeel dat GoedeStede in dit geval geen beroep kan doen op de nieuwe algemene voorwaarden en moet worden uitgegaan van de in de huurovereenkomst van toepassing verklaarde versie 2014. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] waren op het moment dat de incassobrieven werden verzonden, immers nog niet gebonden aan de nieuwe algemene voorwaarden.

Het incassokosten- en boetebeding

3.6

In artikel 15.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden is een beding opgenomen over de vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Dit beding wijkt in het nadeel van consumenten af van artikel 6:96 lid 5 en 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het besluit) en dat mag niet. Consumenten, zoals de gedaagde partij, zijn namelijk slechts de (gemaximeerde) kosten als bedoeld in het besluit verschuldigd, voor zover is voldaan aan een aantal wettelijke eisen. Eén van die eisen is dat de consument eerst door middel van een aanmaningsbrief de mogelijkheid heeft gekregen om binnen een termijn van veertien dagen de vordering alsnog te voldoen zonder bijkomende kosten.

3.7

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn op grond van artikel 15.2 in principe verplicht om bij niet nakoming van de huurovereenkomst alle in dat verband door GoedeStede gemaakte kosten te voldoen onbegrensd in omvang en zonder voorafgaande kosteloze aanmaningsbrief. De kantonrechter is van oordeel dat het beding hierdoor zodanig afwijkt van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten dat de consument aanzienlijk wordt benadeeld. Daarnaast is in artikel 16.1 ook nog opgenomen dat op het niet nakomen van een verplichting uit de huurovereenkomst, dus ook op niet tijdige huurbetaling, de huurder nog een boete van € 50,- per kalenderdag verschuldigd is. Afgezien van het feit dat in het beding de boetes oneindig kunnen oplopen, levert (de mogelijkheid van) het in rekening brengen van een boete naast buitengerechtelijke incassokosten een onevenredig hoge schadevergoeding op. Het buitengerechtelijke incassokostenbeding is op zichzelf en in combinatie met het boetebeding oneerlijk en ook onredelijk bezwarend en wordt daarom vernietigd.

Het rente- en boetebeding

3.8

Het rentebeding in artikel 15.3 is in overeenstemming met de wettelijke regeling in artikel 6:119 BW. Dit beding is daarom op zichzelf niet oneerlijk.

3.9

In combinatie met het boetebeding in artikel 16.1 is het rentebeding wel oneerlijk en onredelijk bezwarend. De mogelijkheid van het in rekening brengen van een boete naast rente levert een onevenredig hoge schadevergoeding op. Het rentebeding wordt daarom vernietigd.

De gevolgen van de ambtshalve toetsing voor de vorderingen

3.10

Omdat sprake is van oneerlijke bedingen, is volgens Europese rechtspraak terugvallen op de wettelijke regeling niet toegestaan. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente volledig moeten worden afgewezen.

Proceskosten

3.11

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dienen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de proceskosten. Dit zou op zichzelf kunnen meebrengen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] - ook - wordt verwezen in de kosten van het griffierecht zoals aan GoedeStede rekening is gebracht. Dit griffierecht is vastgesteld op grond van de totale vordering, zoals in de dagvaarding omschreven. Voor het uitbrengen van de dagvaarding hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een deel van de huurachterstand betaald. GoedeStede heeft hiermee geen rekening gehouden. Als GoedeStede dat wel had gedaan, zou een lager bedrag aan griffierecht zijn berekend. Dat lagere bedrag zal hierna in de kostenveroordeling worden opgenomen; het meerdere dient als nodeloos gemaakte kosten voor rekening van GoedeStede te worden gelaten. Het salaris van de gemachtigde is hierop ook afgestemd.

3.12

De proceskosten van GoedeStede worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding€155,60
- griffierecht€350,00
- salaris gemachtigde€288,00(2 punten × € 144,00)
- nakosten€72,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€865,60

Hoofdelijke veroordeling

3.13

De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om te betalen aan GoedeStede € 862,34 aan achterstallige huur tot en met 31 mei 2026,

4.2

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 865,60, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.