Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7179Zaaknummer 12256903 LC EXPL 26-1092 JC/13702

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
7 oktober 2026
Publicatiedatum
19 oktober 2026
Zaaknummer
12256903 LC EXPL 26-1092 JC/13702
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Verstek
Zittingsplaats
Lelystad
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verstekvonnis na tussenvonnis. Voor de prijs is voldaan aan transparantievereiste. Aan de overige informatieplichten is ook voldaan. Hoofdsom en rente toewijsbaar. De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen door onredelijk bezwarend beding in de algemene voorwaarden.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 3.519,59, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over:

- het bedrag van € 665,61 met ingang van 22 september 2025, - het bedrag van € 2.853,98 met ingang van 20 oktober 2025,telkens tot de dag van volledige betaling,

3.2

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.035,58, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

3.3

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De verdere beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Lelystad

zaaknummer: 12256903 LC EXPL 26-1092 JC/13702

Vonnis van 7 oktober 2026

inzake

de besloten vennootschap

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eisende partij, hierna te noemen: [eiseres]

vertegenwoordigd door mr. H. [eiseres].

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde]niet verschenen.

1 De procedure

1.1

Op 8 juli 2026 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen en de zaak naar de rol verwezen voor een akte aan de zijde van [eiseres].

1.2

[eiseres] heeft vervolgens een akte genomen.

1.3

Tot slot is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

De kantonrechter neemt over en verwijst naar hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 8 juli 2026 (hierna: het tussenvonnis).

2.2

[eiseres] heeft in haar akte uiteengezet dat zij [gedaagde] vóór en bij het sluiten van de overeenkomst heeft geïnformeerd over het uurtarief, de verschotten, de wijze van factureren, het niet procederen op basis van een toevoeging, de onzekerheid over de uiteindelijke kosten en de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden. In de opdrachtbrief van 3 juni 2025 heeft [eiseres] het uurtarief vermeld en dat dit wordt vermeerderd met verschotten, die kunnen bestaan uit griffierecht, deurwaarderskosten en reis- en verblijfkosten. Ook staat in de opdrachtbrief dat [eiseres] de zaak niet op toevoegingsbasis behandelt en dat [eiseres] nog niet kan inschatten welke kosten [gedaagde] gaat maken. Er staat dat de kosten in ieder geval meer dan € 2.000,- exclusief btw zullen bedragen en dat dit afhankelijk van de procedures kan oplopen. In de e-mail van 3 juni 2025 heeft [eiseres] hieraan toegevoegd dat een ontslagprocedure (vernietiging) 10 à 20 uur kost en als er een ontbinding bij komt nog eens 10 extra. [eiseres] heeft in deze procedure toegelicht dat een vaste totaalprijs niet mogelijk was, omdat de omvang van de werkzaamheden afhing van de proceshouding van [bedrijf] en van de vraag of er naast het ontslagdeel ook andere verzoeken, verweren of bewijsrechtelijke kwesties aan de orde zouden komen. Uiteindelijk is de zaak in omvang opgelopen doordat [bedrijf] niet allen verweer voerde, maar ook een ontbindingsverzoek en een schadecomponent aan de orde stelde. Het uurtarief van [eiseres] is het gebruikelijke uurtarief. Hierover is niet afzonderlijk onderhandeld, aldus [eiseres].

2.3

De kantonrechter merkt de prijsafspraken zoals genoemd in de opdrachtbevestiging aan als een kostenbeding. [eiseres] erkent dat over de prijs niet onderhandeld is.

2.4

De vraag die in dit kader vervolgens voorligt is of het kostenbeding duidelijk en begrijpelijk (transparant) genoeg geformuleerd is. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft geoordeeld dat enkel het noemen van het uurtarief door de advocaat de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien (HvJ EU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14). Uit wat [eiseres] naar voren heeft gebracht, volgt dat [eiseres] [gedaagde] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst voldoende duidelijke en begrijpelijke informatie heeft gegeven om [gedaagde] in staat te stellen met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van financiële consequenties van het aangaan van die opdracht zijn beslissing te nemen.

2.5

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat, alle omstandigheden van dit geval in aanmerking genomen, is voldaan aan het transparantievereiste. Dat betekent dat het beding niet meer op oneerlijkheid getoetst hoeft te worden.

2.6

De kantonrechter concludeert dat aan het vereiste van artikel 6:230l sub c BW is voldaan. Ook aan de overige vereisten van artikel 6:230l BW is voldaan.

2.7

De hoofdsom zal gelet op het voorgaande worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente omdat [gedaagde] met de betaling in verzuim is.

2.8

[eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. In de algemene voorwaarden van [eiseres] is een beding opgenomen over de financiële gevolgen van het niet tijdig voldoen van de declaratie. Daarom moet de kantonrechter beoordelen of het artikel in de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is voor consumenten zoals [gedaagde]. Dat geldt ook voor onderhavige situatie waarin [eiseres] in de procedure enkel aanspraak maakt op buitengerechtelijke incassokosten op basis van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: Besluit). Indien het beding onredelijk bezwaren is, kan niet teruggevallen worden op de wettelijke regeling of het Besluit.

2.9

Relevant is dat de omvang van de in rekening te brengen vergoeding is beperkt in artikel 6:96 lid 5 en lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het daarop gebaseerde Besluit. Ook heeft de wetgever benadrukt – en dat is in een uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2704) nog eens verduidelijkt – dat die vergoeding niet meteen bij het ontstaan van een betalingsachterstand is verschuldigd, maar dat éérst een aanmaningsbrief, de zogenoemde veertiendagenbrief, moet worden verstuurd, waarin een termijn van veertien dagen (gerekend vanaf de dag na ontvangst van de aanmaning door de consument) moet zijn vermeld, waarbinnen het verschuldigde bedrag nog zonder extra kosten kan worden betaald.

2.10

[eiseres] heeft een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (“wettelijke verrichte werkzaamheden”) bedongen, maar daarnaast in artikel 8 van zijn algemene voorwaarden ook nog een vergoeding van administratiekosten. Feitelijk gaat het steeds om vergoedingen die verschuldigd zijn bij een betalingsachterstand, waarvoor dus de wettelijke regeling van artikel 6:96 lid 5 en 6 BW en het Besluit geldt. Deze contractuele regeling is onduidelijk voor consumenten, vereist ten onrechte niet in alle gevallen eerst een ‘gratis’ veertiendagenbrief en leidt bovendien, alle vergoedingen bij elkaar opgeteld, tot een hogere vergoeding dan de vergoeding conform het Besluit.

2.11

De kantonrechter is van oordeel dat de tekst van het beding onbegrijpelijk en onduidelijk is geformuleerd, waardoor het voor consumenten onmogelijk is om te weten waar zij contractueel aan worden gehouden. Het beding is aldus onredelijk bezwarend voor consumenten zoals [gedaagde] en wordt daarom vernietigd. Als gevolg daarvan wordt de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.

2.12

Gelet op de uitkomst van de zaak moet [gedaagde] de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding€127,08
- griffierecht€529,00
- salaris gemachtigde€253,00(1 punt × € 253,00)
- nakosten€126,50(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€1.035,58

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 3.519,59, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over:

- het bedrag van € 665,61 met ingang van 22 september 2025, - het bedrag van € 2.853,98 met ingang van 20 oktober 2025,telkens tot de dag van volledige betaling,

3.2

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.035,58, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

3.3

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.