Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7176Zaaknummer 12284066 \ MC EXPL 26-3398 JC/13702

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
7 oktober 2026
Publicatiedatum
20 oktober 2026
Zaaknummer
12284066 \ MC EXPL 26-3398 JC/13702
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Almere
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Advocatendeclaratie, verstek, eindvonnis na akte, gevraagde informatie over naleving informatieplichten is niet gegeven

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen €1.923,90 met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 9 december 2025 tot de voldoening;

3.2

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 743,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;

3.3

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De verdere beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 12284066 \ MC EXPL 26-3398 JC/13702

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

procederend in persoon,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

niet verschenen.

1 De procedure

1.1

Op 8 juli 2026 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen en de zaak naar de rol verwezen voor een akte aan de zijde van [eiser].

1.2

[eiser] heeft vervolgens een akte genomen.

1.3

Tot slot is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

De kantonrechter neemt over en verwijst naar hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 8 juli 2026 (hierna: het tussenvonnis).

2.2

[eiser] heeft in zijn akte uiteengezet dat hij [gedaagde] als privépersoon heeft bijgestaan. Het geschil waarin hij [gedaagde] bijstond had betrekking op een persoonlijke lening die [gedaagde] had afgesloten om schulden van zijn bedrijf te kunnen voldoen. Gelet op deze toelichting gaat de kantonrechter ervan uit dat [gedaagde] als consument heeft gehandeld.

2.3

[eiser] heeft er op gewezen dat [gedaagde] steeds betalingstoezeggingen heeft gedaan. De kantonrechter overweegt dat ook als een consument de vordering heeft erkend, hij ambtshalve moet beoordelen of de in het tussenvonnis aangehaalde consumentenbeschermende bepalingen zijn nageleefd.

2.4

[eiser] heeft verklaard dat er geen algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn. In de opdrachtbevestiging van 3 oktober 2023 is opgenomen dat [eiser] een honorarium van € 250,-- exclusief btw per uur zal hanteren. De kantonrechter merkt deze passage uit de opdrachtenbevestiging aan als een kostenbeding. Uit de opdrachtbevestiging blijkt dat partijen gesproken hebben over het uurtarief, maar niet dat zij daarover onderhandeld hebben.

2.5

Zoals in het tussenvonnis is overwogen is de vraag die in dit kader vervolgens voorligt is of het kostenbeding duidelijk en begrijpelijk (transparant) genoeg geformuleerd is. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft geoordeeld dat enkel het noemen van het uurtarief door de advocaat de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien (HvJ EU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14). [eiser] schatte in dat [gedaagde] rekening moest houden met een totaal honorarium van tussen de € 5.000,00 en € 10.000,00. Ook is er met een voorschotnota gewerkt. Verder heeft [eiser] [gedaagde] gewezen op bepaalde omstandigheden die maken dat er meerkosten gemaakt zouden kunnen worden. Al deze omstandigheden maken dat de kantonrechter van oordeel is dat het kostenbeding afdoende transparant is. [gedaagde] kon immers op basis van het kostenbeding inschatten voor welke kosten hij zou komen te staan. Dat betekent dat het beding niet meer op oneerlijkheid getoetst hoeft te worden.

2.6

Ondanks het uitdrukkelijke verzoek van de kantonrechter in het tussenvonnis heeft [eiser] geheel nagelaten de kantonrechter van de nodige gegevens te voorzien om te kunnen beoordelen welke informatieplichten op de overeenkomst van toepassing zijn en of [eiser] aan zijn verplichtingen op dit punt heeft voldaan. Hiervoor zal een sanctie worden opgelegd, waarbij uitgegaan wordt van een schending van vier of meer essentiële informatieplichten. Onder verwijzing naar de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten, te raadplegen op www.rechtspraak.nl, vermindert de kantonrechter de betalingsverplichting van [gedaagde] met 40%. Daardoor is de hoofdsom toewijsbaar tot een bedrag van € 1.923,90.

2.7

De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 9 december 2025. Op grond van wat [eiser] naar voren heeft gebracht wordt aangenomen dat [gedaagde] vanaf die datum in verzuim is geraakt.

2.8

Hoewel een deel van de vordering wordt afgewezen is [eiser] wel terecht tot dagvaarding overgegaan. Gebleken is immers dat hij een (zij het kleinere dan gesteld) vordering op [gedaagde] heeft, die zonder gerechtelijke procedure niet werd betaald. Om die reden zal [gedaagde] in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten van [eiser] worden, op basis van het toegewezen bedrag, begroot op:

- dagvaarding € 153,45

- griffierecht € 265,00

- salaris gemachtigde € 217,00 (1 punt x tarief € 217,00)

- nakosten € 108,50 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 743,95

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen €1.923,90 met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 9 december 2025 tot de voldoening;

3.2

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 743,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;

3.3

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.