Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Midden-Nederland, 17 september 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7107Zaaknummer C/16/616708 / JL RK 26-546

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17 september 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/16/616708 / JL RK 26-546
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Lelystad
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beschikking over verlenging ondertoezichtstelling en machtiging gesloten jeugdhulp

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] tot 19 september 2027;

6.2.

verleent een machtiging om [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 17 september 2026 tot 29 oktober;

6.3.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 29 oktober 2026, tegen welke zitting de GI, de vader, de moeder en [minderjarige 2] en haar advocaat dienen te worden opgeroepen;

6.4.

verklaart de beslissing onder 6.1. uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026 door mr. J.M. Atema, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.N. Rijs als griffier, en op schrift gesteld op 30 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Lelystad

Zaaknummer: C/16/616708 / JL RK 26-546

Datum uitspraak: 17 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp en verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,

gevestigd in Amsterdam,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),

over

[minderjarige 1],

geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 1],

advocaat: mr. N.C.E.C. Luns,

en

[minderjarige 2],

geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 2],

advocaat: mr. E. Uijt de boogaardt.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. D.G. Nagel,

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats].

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 8 september 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 19 september 2027. Ook heeft de kinderrechter bij voornoemde beschikking de machtiging verleend om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 8 september 2026 tot 8 maart 2027. In het verzoekschrift van de GI heeft de GI verzoeken gedaan ten aanzien van zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2]. Omdat de verzoeken op aparte zittingen worden behandeld, heeft de kinderrechter de verzoeken ten aanzien van [minderjarige 2] aangehouden. Deze beschikking gaat daarom alleen over de verzoeken ten aanzien van [minderjarige 2].

1.2.

De kinderrechter heeft nadien geen nadere stukken ontvangen.

1.3.

Op 17 september 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

  • de advocaat van [minderjarige 2];
  • de vader;

- de moeder met haar advocaat;

- [A.] namens de GI.

1.4.

De kinderrechter heeft [minderjarige 2] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 2] had graag naar de zitting willen komen, zo heeft haar advocaat verteld, maar het vervoer bleek niet te zijn geregeld. Voorafgaand aan de zitting heeft [minderjarige 2], in het bijzijn van haar advocaat, wel een telefoongesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2].

2.2.

[minderjarige 2] verblijft in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.

2.3.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 2 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] verlengd tot 19 september 2026.

2.4.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 9 juni 2026 een machtiging verleend [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 19 september 2026.

3 Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ook verzoekt de GI een machtiging te verlenen om [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.

4 De standpunten

De GI

4.1.

Hoewel het de afgelopen periode beter gaat met [minderjarige 2] en zij een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, heeft de GI de verzoeken ter zitting gehandhaafd. [minderjarige 2] is gestopt met zichzelf te verwonden en heeft andere manieren gevonden om met negatieve gevoelens om te gaan. Sinds kort staat zij bovendien open voor traumabehandeling en voor de hulp en ondersteuning die haar wordt geboden. Volgens de GI is dit een grote vooruitgang ten opzichte van een halfjaar geleden. Ook is het contact tussen [minderjarige 2] en haar ouders aanzienlijk verbeterd.

4.2.

Gelet op deze positieve ontwikkelingen is de afgelopen maanden intensief gezocht naar een passende vervolgplek die aansluit bij de combinatie van de jonge leeftijd en de complexe problematiek van [minderjarige 2]. [minderjarige 2] is bij verschillende open groepen en gezinshuizen aangemeld, maar tot op heden is geen geschikte plek gevonden. Zij is bij meerdere woonvoorzieningen en gezinshuizen afgewezen. Momenteel loopt nog een aanmelding bij [locatie], voor een plek in [plaats]. Om te kunnen beoordelen of deze kleinschalige woongroep passend is voor [minderjarige 2], is het van belang eerst de situatie verder te stabiliseren, haar netwerk in kaart te brengen en de resultaten van het diagnostisch onderzoek te bespreken. Indien [locatie] een passende en beschikbare plek blijkt te zijn, dient stapsgewijs te worden toegewerkt naar een open plaatsing. [minderjarige 2] oefent daarom steeds meer met vrijheden, zodat de overgang van een gesloten naar een open setting zo geleidelijk mogelijk kan verlopen en zij haar positieve ontwikkeling kan bestendigen.

De moeder

4.3.

De moeder is van mening dat het verblijf van [minderjarige 2] op de gesloten groep inmiddels te lang duurt. Zij vindt, hoe moeilijk ook, een volledige afwijzing van het verzoek echter niet in het belang van [minderjarige 2]. Namens de moeder is daarom verzocht de machtiging tot gesloten jeugdhulp te beperken tot een duur van twee maanden, onder de voorwaarde dat [minderjarige 2] de huidige positieve ontwikkeling weet vast te houden. De moeder ziet dat [minderjarige 2] stappen zet en zich hiervoor inzet, maar maakt zich tegelijkertijd zorgen over een eventuele overgang naar een open setting. Zij vreest dat [minderjarige 2] hierdoor kan terugvallen in oude patronen en dat haar veiligheid onvoldoende kan worden gewaarborgd. Volgens de moeder moet worden voorkomen dat [minderjarige 2] te snel naar een open setting wordt overgeplaatst. Daarnaast is namens de moeder aan de GI verzocht de mogelijkheid van een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp te onderzoeken. Volgens de moeder kan een dergelijke machtiging mogelijk bijdragen aan de bereidheid van open groepen of gezinshuizen om [minderjarige 2] op te nemen.

De vader

4.4.

De vader voelt zich machteloos doordat er, ondanks de positieve ontwikkeling van [minderjarige 2], geen passende vervolgplek beschikbaar is. Hij vindt het moeilijk dat [minderjarige 2] hierdoor noodgedwongen op de gesloten groep verblijft en onvoldoende de kans krijgt om zich in een minder beperkende setting verder te ontwikkelen. De vader maakt zich bovendien grote zorgen om het welzijn van [minderjarige 2], omdat zij zich op de gesloten groep eenzaam en verdrietig voelt. Volgens hem heeft het voortduren van haar verblijf op de huidige groep geen positieve invloed op haar. Indien op korte termijn geen passende open plek beschikbaar komt, is de vader van mening dat [minderjarige 2] het beste naar huis kan terugkeren. De vader kan zich eveneens vinden in een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp, mits daarmee wordt bewerkstelligd dat [minderjarige 2] de gesloten setting zo spoedig mogelijk kan verlaten.

[minderjarige 2]

4.5.

Namens [minderjarige 2] is primair verzocht het verzoek van de GI af te wijzen. Subsidiair is verzocht de machtiging tot gesloten jeugdhulp voor een verkorte duur van vier weken te verlenen. [minderjarige 2] geeft aan dat zij niet op haar plek zit binnen de gesloten groep en het liefst naar huis wil terugkeren. Indien een thuisplaatsing niet mogelijk is, staat zij open voor plaatsing op een open groep of in een gezinshuis. [minderjarige 2] ervaart binnen de huidige gesloten groep onvoldoende aansluiting bij haar begeleiders en groepsgenoten en heeft het gevoel er dat er niemand voor haar is. Daarnaast sluit de aangeboden PMT-behandeling niet langer aan bij wat zij nodig heeft. Voortzetting van haar verblijf op de gesloten groep maakt [minderjarige 2] erg verdrietig.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.[_95779bd7-49cd-4356-b37c-f1b97239b42f] Daarom verlengt zij de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] voor de duur van een jaar. De betrokkenen zijn het hiermee eens. Daarnaast verleent de kinderrechter een machtiging om [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 17 september 2026 tot 29 oktober 2026, en houdt zij de beslissing op de rest van het verzoek aan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij deze beslissing neemt.

5.2.

Een machtiging om [minderjarige 2] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te plaatsen kan slechts worden verleend indien aan alle wettelijke vereisten daarvoor is voldaan. Tussen de GI, de ouders en [minderjarige 2] bestaat geen discussie over het feit dat bij [minderjarige 2] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en dat zij hulp en ondersteuning nodig heeft om zich verder te kunnen ontwikkelen. De kinderrechter benadrukt daarbij dat [minderjarige 2] de afgelopen periode hard heeft gewerkt en een duidelijke positieve ontwikkeling heeft laten zien. In deze zaak ligt in het bijzonder de vraag voor of voortzetting van het verblijf van [minderjarige 2] in een gesloten accommodatie nog noodzakelijk is en of haar ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen niet met minder ingrijpende mogelijkheden kunnen worden behandeld.[_d73ff018-4636-4dea-988f-2a755b024401]

5.3.

Op dit moment ontbreken die mogelijkheden nog, waardoor het verblijf vooralsnog noodzakelijk is. Die noodzaak ligt echter niet in een gebrek aan inzet van [minderjarige 2] voor de hulpverlening. Hoewel nog steeds zorgen bestaan over haar emotieregulatie, beïnvloedbaarheid en schoolgang, laat [minderjarige 2] op verschillende ontwikkelingsgebieden een positieve ontwikkeling zien. Zo vraagt zij om hulp wanneer zij die nodig heeft, stelt zij zich meer open voor (trauma)behandeling, vertoont zij minder zelfbeschadigend gedrag en verloopt het contact met haar ouders en de GI beter. Hieruit blijkt dat [minderjarige 2] de afgelopen periode hard aan zichzelf heeft gewerkt. Om deze nog kwetsbare positieve ontwikkeling voort te zetten, is het van belang dat [minderjarige 2] de aangeleerde vaardigheden ook in andere situaties leert toepassen. De omstandigheden binnen een gesloten groep verschillen immers van die binnen een open groep en, uiteindelijk, van het dagelijks leven buiten een instelling. Een verblijf in een open groep vormt daarom een passende volgende stap, waarin [minderjarige 2] kan voortbouwen op hetgeen zij tot nu toe heeft geleerd. [minderjarige 2], haar ouders en de GI zijn het erover eens dat zij aan deze stap toe is.

5.4.

Toch is op dit moment geen minder ingrijpende mogelijkheid voor een gesloten jeugdaccommodatie beschikbaar. Dat heeft een praktische oorzaak. De GI is actief op zoek naar een passende vervolgplek voor [minderjarige 2], maar heeft – ook tot frustratie van de betrokken gezinsvoogd - tot op heden geen geschikte open woongroep of gezinshuis gevonden. [minderjarige 2] is bij verschillende voorzieningen afgewezen. De kinderrechter onderkent dat deze situatie voor [minderjarige 2] steeds moeilijker wordt. De gedragswetenschapper beschrijft dat [minderjarige 2] meer verhardt, zich vaker terugtrekt op haar kamer en moeite blijft houden om uit bed te komen. De advocaat van [minderjarige 2] deelt deze observaties, en ook haar ouders maken zich grote zorgen, omdat [minderjarige 2] zich op de groep somber en eenzaam voelt. De kinderrechter ziet en hoort deze zorgen. Ook de kinderrechter vindt het buitengewoon zorgelijk dat er een risico is op schadelijke gevolgen van een langer verblijf op een gesloten plek die niet langer aansluit bij wat [minderjarige 2] nodig heeft.

5.5.

De kinderrechter benadrukt daarbij dat een machtiging gesloten jeugdhulp een zeer ingrijpende maatregel is. Een dergelijke machtiging is niet bedoeld als oplossing voor bredere problemen binnen de jeugdzorg, zoals het ontbreken van beschikbare plekken in open woonvoorzieningen. Vanuit strikt juridisch perspectief oordeelt de kinderrechter daarom dat het op zijn minst twijfelachtig is of er wordt voldaan aan het wettelijke vereiste dat er geen minder ingrijpende mogelijkheden voor de behandeling van de opgroei- en opvoedingsproblemen van [minderjarige 2] mogelijk zijn. Dergelijke mogelijkheden – een open groep of een gezinshuis – bestaan immers wel, maar zijn voor [minderjarige 2] op dit moment feitelijk niet beschikbaar. Die groepen hebben geen plek of wijzen [minderjarige 2] ’s aanmelding af. De kinderrechter ziet zich daardoor geconfronteerd met een moeilijk dilemma. Afwijzing van de verzochte machtiging gesloten jeugdhulp zou naar verwachting betekenen dat [minderjarige 2], zolang een passende vervolgplek ontbreekt, achtereenvolgens op verschillende crisisplekken moet verblijven. Dergelijke plekken zijn slechts voor korte duur beschikbaar en bieden haar niet de continuïteit en stabiliteit die zij nodig heeft. Daarmee bestaat een reëel risico dat de positieve ontwikkeling die [minderjarige 2] de afgelopen periode heeft doorgemaakt, wordt doorkruist en de door haar geboekte vooruitgang verloren gaat. Toewijzing van de machtiging betekent een beslissing die schuurt vanwege de juridische vereisten, maar ook omdat daarmee een nog heel jong kind langer wordt geplaatst binnen het zwaarste regime in de jeugdbescherming, een gesloten groep, waarvan alle betrokkenen eigenlijk vinden dat dit niet de goede oplossing is. De kinderrechter kan dit niet anders omschrijven dan als ‘kiezen tussen twee kwaden’.

5.6.

Alles afwegende acht de kinderrechter het echter de beste oplossing dat [minderjarige 2] op de groep blijft waar zij momenteel verblijft, totdat een geschikte vervolgplek beschikbaar is. De kinderrechter zal de machtiging gesloten jeugdhulp daarom voor de duur van zes weken verlenen. Daarmee wordt enerzijds beoogd [minderjarige 2] op korte termijn perspectief te bieden en haar huidige verblijf nog gedurende deze periode draaglijk te houden, en anderzijds de GI de mogelijkheid geboden om verder te werken aan een oplossing. De kinderrechter realiseert zich dat [minderjarige 2] hard heeft gewerkt en dat zij toe is aan de volgende stap. Zij had [minderjarige 2] die stap dan ook graag nu al gegund. Het resterende deel van het verzoek wordt aangehouden. Op die manier kan de kinderrechter de ontwikkelingen rond de vervolgplek van [minderjarige 2] nauwlettend blijven volgen. Van de GI wordt verwacht dat zij zich de komende periode actief blijft inzetten (zoals zij ook steeds heeft gedaan) voor het vinden van een passende plek. De kinderrechter verwacht dat over zes weken meer duidelijkheid bestaat over de mogelijkheid voor een plaatsing bij [locatie]. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat op korte termijn een passende vervolgplek voor [minderjarige 2] wordt gevonden, zodat zij de positieve ontwikkeling buiten de gesloten setting kan voortzetten.

5.7.

De kinderrechter verklaart de beslissing om [minderjarige 2] onder toezicht te stellen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.8.

Omdat de kinderrechter de beslissing niet zelf aan [minderjarige 2] heeft kunnen vertellen, stuurt zij haar daarover een brief. De tekst van die brief staat hieronder opgeschreven. De brief zal naar de advocaat van [minderjarige 2] worden gestuurd, met het verzoek die met [minderjarige 2] te delen:

Beste [minderjarige 2],

Op 17 september hebben wij elkaar even aan de telefoon gehad. Jij hebt me toen verteld dat je heel graag weg wilt van de gesloten groep. Ik heb daarna je ouders en mevrouw [A.] gesproken, en ook jouw advocaat was daarbij. Daarna heb ik een beslissing genomen. Je hebt dat vast inmiddels gehoord, maar ik wilde je toch graag zelf nog deze brief schrijven om mijn beslissing aan je uit te leggen.

Van iedereen heb ik gehoord hoe hard jij gewerkt hebt, en dat het echt steeds wat beter met je gaat. Dat vind ik ontzettend knap. Je ouders en mevrouw [A.] zijn het er ook over eens dat de gesloten groep niet meer goed bij je past: jij bent toe aan de volgende stap. Ik vind dat ook. Er is alleen nog geen goede plek voor jou nu. Dat is heel moeilijk – vooral voor jouzelf natuurlijk. Er wordt heel hard gezocht. Het moet een fijne plek zijn die bij je past en waar je langer kunt blijven, zodat het rustig is. In de tussentijd heb ik beslist dat je de komende 6 weken blijft waar je nu zit. Dat is niet een hele goede oplossing, maar wel de enige oplossing die ik nu zie. Anders moet je namelijk tijdelijk naar verschillende plekken, en dat is onrustig en niet fijn.

Binnen 6 weken komt er weer een zitting. Jij krijgt ook een uitnodiging. Ik hoop dat er dan zicht is op een nieuwe plek voor jou. Hou het dus goed vol [minderjarige 2], je bent al zo ver gekomen. Zet hem op!

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] tot 19 september 2027;

6.2.

verleent een machtiging om [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 17 september 2026 tot 29 oktober;

6.3.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 29 oktober 2026, tegen welke zitting de GI, de vader, de moeder en [minderjarige 2] en haar advocaat dienen te worden opgeroepen;

6.4.

verklaart de beslissing onder 6.1. uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026 door mr. J.M. Atema, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.N. Rijs als griffier, en op schrift gesteld op 30 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

  1. Artikel 1:260 BW.
  2. Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.