Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Midden-Nederland, 16 september 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7064Zaaknummer C/16/617105 / JE RK 26-1332, C/16/617103 / JE RK 26-1331

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16 september 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/16/617105 / JE RK 26-1332, C/16/617103 / JE RK 26-1331
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

(spoed)machtiging uithuisplaatsing, rechtsmacht, kindbrief

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

handhaaft de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging uithuisplaatsing voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2];

6.2.

verleent een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een netwerkgezin, met ingang van 30 september 2026 tot 2 december 2026;

6.3.

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst af het verzoek tot vervanging van de GI.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026 door mr. A.C. van den Boogaard, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A. Verouden als griffier, en op schrift gesteld op 24 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 De verzoeken
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Utrecht

Zaaknummers: C/16/617105 / JE RK 26-1332, C/16/617103 / JE RK 26-1331

Datum uitspraak: 16 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

locatie Utrecht,

hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige 1],

geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 1],

en

[minderjarige 2],

geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats],

advocaat mr. N. Schiettekatte,

de gecertificeerde instelling SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,

gevestigd in Utrecht,

hierna te noemen: de GI,

de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT,

locatie ’s-Hertogenbosch,

hierna te noemen: Jeugdbescherming Brabant.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift over de voorlopige ondertoezichtstelling en (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing, met bijlagen, ontvangen op 2 september 2026;

  • het verzoekschrift over de vervanging van de GI, ontvangen op 11 september 2026;
  • de bereidverklaring van Jeugdbescherming Brabant, ontvangen op 14 september 2026.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • mevrouw [A] en mevrouw [B], namens de Raad,
  • de moeder met mr. M.S. Krol, waarnemend voor mr. Schiettekatte,
  • mevrouw [C] en mevrouw [D], namens de GI,
  • de heer [E], namens Jeugdbescherming Brabant.
1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover op 15 september 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

1.4.

Aan het eind van de zitting heeft de kinderrechter meegedeeld dat de beslissing op 16 september 2026 om 10.00 uur via de griffie telefonisch wordt gedeeld. Dit is de schriftelijke uitwerking van die beslissing.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een netwerkgezin (tante moederszijde). Daarvoor verbleven de moeder en de kinderen een periode in [locatie].

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 september 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 2 december 2026.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 september 2026 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, een netwerkgezin, dan wel in een gezinsgerichte voorziening, met ingang van 2 september 2026 tot 30 september 2026.

3 De verzoeken

3.1.

De kinderrechter moet partijen nog horen op de spoedbeslissing van 2 september 2026 om de kinderen voorlopig onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen.

3.2.

Daarnaast moet de kinderrechter nog beslissen op het verzoek van de Raad om een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen te verlenen in een voorziening voor pleegzorg, een netwerkgezin, dan wel in een gezinsgerichte voorziening, voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, uitvoerbaar bij voorraad.

3.3.

Ook moet de kinderrechter beslissen op het verzoek van de Raad om de GI te vervangen door Jeugdbescherming Brabant.

4 De standpunten

4.1.

[minderjarige 1] weet niet zo goed wat zij van de verzoeken vindt. Zij wil graag in Nederland blijven wonen en zij vindt het belangrijk dat zij bij haar zusje [minderjarige 2] woont.

4.2.

De moeder vindt dat de rechtbank niet bevoegd was om de spoedmaatregelen te nemen. Ook vindt zij dat er geen sprake was van spoedeisendheid.

Ten aanzien van [minderjarige 1] respecteert de moeder haar wens om in de buurt van haar vrienden en school te wonen, mede gelet op de leeftijd van [minderjarige 1]. Het heeft de voorkeur van de moeder dat [minderjarige 1] weer bij [F] (tante vaderszijde) gaat wonen, omdat de moeder nauwelijks contact heeft met haar eigen familie. Ten aanzien van [minderjarige 2] vindt de moeder dat zo spoedig mogelijk naar thuisplaatsing moet worden gewerkt. De moeder verblijft nu bij een vriendin in [plaats] en daar kan [minderjarige 2] volgens haar ook wonen. De moeder verzet zich tegen de vervanging van de GI door Jeugdbescherming Brabant, omdat zij de toekomst van [minderjarige 2] en zichzelf binnen de regio van de GI ziet.

5 De beoordeling

Bevoegdheid rechter en toepasselijk recht

5.1.

De vraag of de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid toekomt om inhoudelijk kennis te nemen van het onderhavige verzoek, moet worden beantwoord aan de hand van de EU-verordening Brussel II-ter (Nr. 2019/1111, hierna: de Verordening).

5.2.

Artikel 7 van de Verordening bepaalt dat ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak aanhangig wordt gemaakt. De vraag is daarom wat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] was op 2 september 2026.

5.3.

Artikel 15 van de Verordening bepaalt evenwel dat in spoedeisende gevallen, zelfs wanneer het gerecht van een andere lidstaat ten gronde bevoegd is, de gerechten van een lidstaat de bevoegdheid hebben om voorlopige en bewarende maatregelen te nemen over een kind dat zich in die lidstaat bevindt. Vaststaat dat de kinderen ten tijde van de indiening van het verzoek (2 september 2026) zich in Nederland bevonden, zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om voorlopige of bewarende maatregelen te nemen ten aanzien van de kinderen indien sprake is van een spoedeisende situatie. Voorwaarde van artikel 15 van de Verordening voor het treffen van voorlopige maatregelen is dat sprake moet zijn van een spoedeisend geval, waarbij het belang van het kind een onmiddellijk optreden vraagt zonder dat een beslissing van de bevoegde rechter kan worden afgewacht. Daarvan is in deze zaak sprake, zoals hieronder zal worden toegelicht.

5.4.

Bij de bepaling van het toepasselijke recht voor een zaak die betrekking heeft op ouderlijke verantwoordelijkheid moet gekeken worden naar het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Op grond van artikel 15, eerste lid, van dit Verdrag past de Nederlandse rechter, wanneer zij bevoegd is om over de zaak te oordelen, het Nederlandse recht toe.

De voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

5.5.

De kinderrechter heeft de moeder, [minderjarige 1] en de Raad gehoord over de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en ziet naar aanleiding daarvan geen reden om met ingang van heden anders te beslissen.

De aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing

5.6.

De kinderrechter verleent aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een netwerkgezin, met ingang van 30 september 2026 tot 2 december 2026. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.

Toelichting

5.7.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van hun geestelijke toestand en onderzoek van hun lichamelijke toestand.[_184c4fed-1fde-49a6-b425-8deff899219e]

5.8.

Er zijn al langere tijd ernstige zorgen over de ontwikkeling en de opvoedingsomgeving van de kinderen. In juli 2025 zijn er afspraken met de moeder gemaakt aan de ‘beschermtafel’ om de zorgen te laten afnemen. In augustus 2025 is de moeder onverwacht met [minderjarige 2] naar [locatie] vertrokken. [minderjarige 1] verbleef toen vrijwillig in een netwerkgezin, bij tante [F] (vaderszijde). In december 2025 is [minderjarige 1] na een vakantie bij de moeder niet meer teruggekeerd naar Nederland.

Na het vertrek van de moeder naar [locatie] is een zorgmelding gedaan via de Centrale Autoriteit (hierna: de CA). De CA heeft laten weten dat er in [locatie] sprake is van een ‘onderzoek en interventieperiode’ die in juni verlengd zou worden om meer zicht te krijgen op de situatie en om te bezien of de situatie op de langere termijn ook stabiel genoeg was voor de kinderen. Volgens de CA is deze vorm van toezicht vergelijkbaar met een ondertoezichtstelling in Nederland. Hieruit volgt dat de Spaanse autoriteiten ook zorgen hadden over de opvoedingsomgeving bij de moeder. Uit de rapportage van de CA [locatie] (maart en juni 2026) komt weliswaar naar voren dat er op dat moment voldoende beschermende factoren in het gezin aanwezig zijn, maar de interventieperiode dan wel het toezicht verlengd wordt om te bezien of de moeder dit op de langere termijn ook vol kan

houden. De Raad heeft op 25 augustus 2026 een aanvullende spoedzorgmelding gedaan bij

de CA in [locatie] naar aanleiding van de zorgen die aanleiding vormden voor dit

onderzoek en een aantal vragen gesteld over de actuele situatie.

5.9.

Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1]. Bij [minderjarige 1] is sprake van hechtingsproblematiek, PTSS en verwaarlozing (GGZ, november 2025). [minderjarige 1] heeft meer dan tien verhuizingen meegemaakt met de moeder, veel schoolwisselingen en zij is getuige geweest van huiselijk geweld. Daarnaast zijn er zorgen over sombere gedachten, nachtmerries en angstklachten, suïcidale gedachten (verleden) waarbij eenmaal een suïcidepoging. [minderjarige 1] gaat al meer dan zes maanden niet naar school waardoor zij een leerachterstand heeft opgelopen. Behandeling door GGZ is in november 2025 geadviseerd en nodig, maar is niet gestart omdat [minderjarige 1] op dat moment geen motivatie had voor behandeling.

5.10.

Er zijn ook ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 2]. Zij groeit op in dezelfde zorgelijke opvoedingsomgeving als [minderjarige 1]. Ook [minderjarige 2] is getuige geweest van huiselijk geweld en zij heeft meerdere verhuizingen meegemaakt met de moeder. Daarnaast heeft [minderjarige 2] rotte plekken in haar gebit, waardoor eten pijnlijk is. Ook vertoont [minderjarige 2] erg aanhankelijk gedrag naar onbekenden, wat de GI opvallend vindt.

5.11.

De moeder en de kinderen verblijven sinds eind augustus 2026 weer in Nederland. De Raad heeft meerdere zorgmeldingen ontvangen vanuit het CJG en het netwerk van de kinderen, waarna de Raad op 1 september 2026 achtereenvolgens met de moeder (telefonisch) en [minderjarige 1] heeft gesproken. De moeder geeft aan dat zij geen reden ziet voor bemoeienis vanuit de Raad, maar [minderjarige 1] heeft zeer zorgelijke informatie gedeeld over haar opvoedingsomgeving in [locatie]. De moeder is haar baan kwijtgeraakt en [minderjarige 1] gaat niet naar school. Soms is er geen geld voor eten en drinken. De moeder gebruikt alcohol en drugs en neemt de kinderen mee naar dealers. Volgens [minderjarige 1] is de moeder van plan om op korte termijn met de kinderen naar [land] te verhuizen. [minderjarige 1] wil niet mee, maar zij durft [minderjarige 2] niet alleen bij de moeder achter te laten. Gelet hierop zag de Raad aanleiding om (spoed)maatregelen te treffen om de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te waarborgen.

5.12.

De kinderrechter ziet de spoedeisendheid van de situatie. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn al belast door de gedragingen van de moeder in het verleden en de zorgen over hun recente opvoedingsomgeving zijn ernstig. De moeder heeft zich eerder niet aan de afspraken gehouden die zij met hulpverleners maakte. Zij heeft zich aan de hulpverlening onttrokken door onverwacht naar het buitenland te verhuizen. Het risico is aannemelijk dat de moeder opnieuw met de kinderen naar het buitenland zou vertrekken als zij wist dat een uithuisplaatsing dreigde. Volgens [minderjarige 1] was de moeder al van plan om met de kinderen naar [land] te verhuizen. Daarmee zouden de kinderen weer worden onttrokken aan noodzakelijke hulpverlening en toezicht. Uit het gesprek tussen de moeder en de Raad op 1 september 2026 bleek dat de moeder de zorgen bagatelliseerde en geen bemoeienis van de Raad of andere instanties wilde. Hulpverlening in een vrijwillig kader was dan ook een gepasseerd station. Voor de spoedeisendheid van de situatie maakt geen verschil dat [minderjarige 1] een nacht ergens anders logeerde toen de Raad het verzoek deed. Het risico was ook aannemelijk dat de moeder samen met [minderjarige 2] naar [land] zou vertrekken, zonder [minderjarige 1] op dat moment mee te nemen, zoals de moeder eerder deed bij haar vertrek naar [locatie].

5.13.

De kinderrechter vindt het belangrijk dat de komende periode goed onderzoek zal worden gedaan naar de situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de benodigde hulpverlening.

Geen vervanging van de GI

5.14.

De kinderrechter zal het verzoek om de GI te vervangen door Jeugdbescherming Brabant afwijzen. De kinderen verblijven weliswaar momenteel in Brabant, maar de moeder verblijft in [plaats] en zij wil in deze regio blijven wonen. Het is nog onduidelijk of [minderjarige 2] in Brabant blijft wonen of dat zij (op termijn) weer bij de moeder in deze regio gaat wonen. Ook staat nog niet vast waar (in welk netwerkgezin) [minderjarige 1] zal gaan wonen. De Raad doet op dit moment nog onderzoek naar de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen. Gelet hierop ziet de kinderrechter op dit moment onvoldoende reden om de GI te vervangen.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.15.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Brief aan [minderjarige 1]

5.16.

Tegelijkertijd met de beschikking stuurt de kinderrechter een brief aan [minderjarige 1]:

“Beste [minderjarige 1],

We hebben elkaar op 15 september 2026 op de rechtbank gesproken. In het gesprek heb je mij verteld hoe jouw leven eruit zag toen je in [locatie] verbleef. Dat was geen fijne situatie. Je vindt het prettig om nu weer in Nederland te wonen, dichtbij jouw vrienden. Je hoopt dat je snel weer naar je oude school kan gaan. Voor jou is het erg belangrijk om in Nederland te wonen en om bij je zusje [minderjarige 2] te wonen, omdat je bezorgd over haar bent.

Op 15 september 2026 was ook de zitting, waar ik onder andere met jouw moeder heb gesproken. Ik wil je nu graag schrijven wat ik besloten heb. Ik heb besloten dat in ieder geval tot 2 december 2026 een jeugdbeschermer van organisatie Samen Veilig bij jou en [minderjarige 2] betrokken blijft, die meedenkt wat jullie nodig hebben en die hulpverlening kan regelen. Ook blijven jullie voorlopig in een netwerkgezin wonen. De Raad voor de Kinderbescherming doet de komende maanden onderzoek naar de vraag of jullie voor langere tijd een jeugdbeschermer nodig hebben (een ‘ondertoezichtstelling’). Ook onderzoekt de Raad voor de Kinderbescherming waar jij en je zusje het best kunnen wonen (eventueel een ‘uithuisplaatsing’). Na het onderzoek zal er een nieuwe zitting komen om de uitkomsten van het onderzoek te bespreken. Dat zal kort voor 2 december 2026 zijn.

Bedankt dat je naar de rechtbank bent gekomen. Ik vond het leuk om met jou te spreken.

Ik hoop dat de jeugdbeschermer je kan helpen, zodat jij je kan concentreren op school en gezellige activiteiten met je vrienden.

De kinderrechter”

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

handhaaft de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging uithuisplaatsing voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2];

6.2.

verleent een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een netwerkgezin, met ingang van 30 september 2026 tot 2 december 2026;

6.3.

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst af het verzoek tot vervanging van de GI.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026 door mr. A.C. van den Boogaard, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A. Verouden als griffier, en op schrift gesteld op 24 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

  1. Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.